>>>  Laatst gewijzigd: 31 januari 2018  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Onderzoek

Sigmund Freud

Over Freud en de psychoanalyse

Voorkant Bulhof 'Freud en Nederland' Ilse N. BULHOF
Freud en Nederland - De interpretatie en invloed van zijn ideeën
Baarn: Ambo, 1983; 431 blzn.; ISBN 90 2630 5761

[Een inspirerend boek, en ook nog met een goed notenapparaat en een overzichtelijke literatuurlijst. Helder geschreven ook.
Interessant vind ik in de eerste plaats het gegeven dat de psychoanalyse geplaatst wordt binnen de wetenschapsgeschiedenis. Ze schrijft weliswaar vooral over de interpretatie en de ontvangst van Freud's werk binnen Nederland, maar ze wil ook materiaal aandragen over de verhouding tussen wetenschap en samenleving. Ze noemt zelf (p.19) de koppeling naar sociologie van de kennis. Dat ze hierbij de zaak ziet als een interpretatiegeschiedenis (hermeneutisch model) maakt het voor mij alleen maar boeiender (zie over interpreteren in verband met Freud p.117-119 en p.357-359).
Wat ze in feite presenteert is de 'Wirkungsgeschichte' van Freud's teksten. Ze stelt echter niet de fundamentele vraag of er criteria zijn om te beoordelen of de ene interpretatie Freud meer recht doet dan de andere. Bulhof vuurt een veelheid van interpretaties op de lezer af afkomstig van zeer uiteenlopende persoonlijkheden, het is een echt geschiedenisboek, maar een kritische afweging van die interpretaties vanuit Freud ontbreekt. Daarmee blijft dan weer het fundamentele probleem van alle hermeneutiek in de lucht hangen.
Het wetenschapshistorische / kennissociologische van dit boek zit vooral in het interpreteren van de rationalistische en van de romantische onderstroom in de Westerse cultuur. Deze leiden respectievelijk tot materialistisch monisme en psychisch monisme, daarmee tot de natuurwetenschappelijke en de fenomenologisch / hermeneutische wetenschapsopvatting, en uiteindelijk ook tot de bekende twee opvattingen over (de behandeling van) 'psychische ziekten', het medische en het psychosociale model. Het is een bepaalde uitwerking van de lichaam-geest-problematiek die bijzonder interessant is, ook in het werk van Freud zelf. De twee lijnen die ze bij voortduring schetst, zijn ook naar mijn idee heel wezenlijk om tot een verantwoorde interpretatie te komen van hoe men zich opstelt tegenover 'psychische ziekten'.]

(15) Inleiding

(17) 1. Doel en opzet van de studie

"En toen kwam Freud met zijn stelling dat deze westerse beschaving, dit hoogtepunt in de ontwikkeling der mensheid, slechts kon worden beschouwd als een neurotiserende last! Freuds overtuiging dat het menselijk gedrag helemaal niet door de rede, maar, integendeel, door redeloze driften wordt geregeerd, deed elk houvast voor gevoelens van eigenwaarde van de moderne mens in de diepte verzinken."(17)

[Misschien als hij gelijk zou hebben. Maar wie zegt dat zijn stelling klopt, zijn overtuiging deugt? En wat zegt het eigenlijk dat "Freuds werk zo ongeëvenaard rijk aan betekenissen"(20) is? Dat klinkt zo positief, je zou daar ook uit kunnen concluderen dat de goede man zich blijkbaar uitputte in vaagheden.]

(23) 2. Freud en het conflict tussen postivisme en Romantiek - Een cultuurhistorische toelichting

"Om al deze redenen is het lezen van Freud een feest. Maar zoals een goed feest tegelijkertijd stimulerend en uitputtend is, zo is het ook met het lezen van Freud: het is, gezien de vele in zijn werk verborgen ambivalenties, niet gemakkelijk te begrijpen wat hij eigenlijk zegt. De lezer wil het weten, hij wil de knoop doorhakken, maar de tekst laat dat niet toe - misschien omdat Freud zelf in zijn denken en in zijn eigen leven de knoop niet heeft kunnen of willen doorhakken."(29)

[Dat klinkt al minder juichend. Van 'rijk aan betekenissen' naar 'ambivalenties'. Precies.]

(41) Deel I - Van psychotherapie tot psychoanalyse - Frederik van Eeden en Albert Willem van Renterghem

"Door de positivisten werd de rede, als het betrouwbare instrument om de wereld objectief te kennen, ver boven het gevoel gesteld. De positivist wantrouwde het gevoel als een aan het subjectieve beleven gebonden reactie op de werkelijkheid, die geen algemeen geldig inzicht kon produceren. Hoe meer men zijn gevoelens kon beheersen, zo vond ook Van Eeden in deze periode, hoe beter. Alleen zwakke naturen - vrouwen of andere nerveuze schepsels - lieten zich door hun gevoel meeslepen. Van Eeden stond dan ook een typisch masculien ideaal voor ogen."(50)

[Ik heb die koppeling nooit begrepen. Positivisme heeft met kennisverwerving te maken, waarom zou een positivist iets normatiefs beweren over hoe mensen zich zouden moeten gedragen? Als je zo voor objectiviteit bent, is het onwaarschijnlijk dat je dat soort kritiekloze subjectieve oordelen zou uitspreken.]

Beide heren richtten het Instituut voor Psychotherapie op in Amsterdam. Ze maakten gebruik van hypnose. Van Eeden had ideeën die je ook wel bij Freud ziet: de dromen, het onbewuste, de neurose als beschavingsziekte bij mensen in de bovenlagen van de samenleving.

[En dat dus al in de laatste twee decennia van de negentiende eeuw.]

"Gaandeweg begon Van Eeden in deze periode zijn politieke ideeën te herzien; van liberaal werd hij socialist. In verband hiermee stelde hij niet meer het jachtige levenstempo, maar de onrechtvaardige inrichting van de kapitalistische maatschappij verantwoordelijk voor het ontstaan van neurosen. Voortaan wilde hij de problemen waarmee zijn patiënten worstelden, aan de wortel aanvatten: door niet alleen de ziekte te bestrijden, maar ook door de maatschappij, die immers de mensen ziek maakte, te hervormen. Hij besefte dat het individu niet waarlijk gezond kon worden in een door het kapitalisme verziekte samenleving. Hij was hiermee een van de eersten die de sociogenese van geestesziekten onderkende. Toch kan niet worden ontkend dat hij ondanks zijn politieke instelling in hart en nieren een aristocraat van de geest bleef. Dit blijkt onder meer uit zijn ideaal dat het volk zich tot hetzelfde peil van fijngevoeligheid en onafhankelijkheid zou dienen te verheffen als de hogere standen tentoonspreidden. Qua mentaliteit paste Van Eeden dan ook eigenlijk meer in de wereld van het pre-kapitalisme, waarin intermenselijke verhoudingen nog niet zo uitdrukkelijk in economische betrekkingen werden vertaald, dan in de kapitalistische wereld, waarin hij zichzelf aantrof."(75)

[Maakt niet uit, hij was zich in ieder geval meer dan Freud bewust van de invloed van de kapitalistische samenleving op het individuele welzijn en wilde die aanpakken. Freud bleef gewoon in individuele therapietjes hangen zonder zich met die samenleving bezig te willen houden. Qua therapeutische aanpak doet Van Eeden erg aan Ferenczi denken trouwens. Helaas eindigde hij in religieus getinte opvattingen over de mens en over de psychotherapie.]

(115) Deel II - Drie gevechten met de engel - Gerbrandus Jelgersma, Leendert Bouman, August Stärcke

De 'psychici' en de 'physici' op het terrein van de psychiatrie in lijn met de romantische en de positivistische visie op mensen. De aanpak werd steeds somatischer in de 19 eeuw, ook in Nederland (Cornelis Winkler)

.

"Wat de behandelingsmethode betreft, leidde de natuurwetenschappelijke richting niet tot veel resultaat. Het bleek uiterst moeilijk om de complexe functies van het geestelijk leven, zoals voelen, willen en denken, in de hersenen te lokaliseren. Men slaagde er niet in om correlaties tussen wat ondanks alle theorie toch een zieke geest leek, en zieke hersenen vast te stellen. Dus kon men geesteszieken niet genezen door operatie, zoals men eerst had gehoopt. In de gestichten bleef het daarom bij opsluiten, elektroshock, badkuren en arbeidstherapie - methoden waarvoor men niets van hersenanatomie hoefde af te weten."(124)

Gerbrandus Jelgersma (1859-1942) deed precies die ervaring ook op. Al bleef hij allerlei psychische problemen op een degeneratief lichaam / organische disposities terugvoeren: psychiatrie was voor hem de leer van de hersenziekten. Het onbewuste was er wel, maar lag opgeslagen in sporen in de hersenen. Uiteindelijk aanvaardde hij desondanks de psychoanalyse.

"Daardoor werd Jelgersma's psychologie merkwaardigerwijs opeens veel moralistischer: aan de ene kant was het onbewuste niet alleen meer het totaal van eenvoudige verbindingen die te zwak waren om tot het bewustzijn door te dringen; het werd nu tot het 'lagere' geestesleven gedegradeerd, dat vooral uit seksuele neigingen bestond. Aan de andere kant was het bewuste niet alleen meer het geheel van complexe verbindingen: het werd gepromoveerd tot het 'hogere', zedelijke leven, dat zijn ontstaan aan een sterke wil dankte."(136)

[Dat is niet eens zo heel veel anders dan hoe Freud het zag, zie ook de verdere uitleg. Het illustreert in feite ook dat de psychoanalyse een normatief geheel is.]

Leiden werd met Jelgersma het centrum voor de psychoanalyse in Nederland.

"Met zijn sociale en fysiologische darwinisme was Jelgersma de incarnatie van de liberale ideologie. Het ideaal van individualisme en hardheid als teken van (mannelijke) kracht en de mythen van de strijd om het bestaan, van de noodzaak zich aan zijn omgeving (de westerse beschaving) aan te passen, van vooruitgang gebaseerd op rede en techniek kleurden niet alleen zijn politieke, maar ook zijn wetenschappelijke denken. Daardoor is Jelgersma een schoolvoorbeeld van een harmonie tussen sociale positie en wetenschappelijke ideeën. Ook zijn opvatting van de psychoanalyse is van deze harmonie een goede illustratie. In de gezonde mens zegevierde het bewuste - het denken en de wil. Een analyse staalde de wilskracht van het individu.(...) Zijn aanklacht tegen het medelijden met maatschappelijk zwakkeren en zijn minachting voor vrouwen stuiten tegen de borst."(142)

[Jelgersma hield er dus dezelfde waarden en normen en houding op na als Freud. Dat is boeiend. Dat soort dingen zit dus in de psychoanalyse ingebakken.]

Leendert Bouman was professor in de psychiatrie aan de Vrije Universiteit en later in Utrecht. Als gelovige christen zocht hij natuurlijk naar de ziel.

Volgt een intermezzo over opvattingen over seksualiteit in de Victoriaanse 19e eeuw waarin verdringing centraal stond en er niet eens over gepraat mocht worden en in de 20ste eeuw toen er in ieder geval voor dat laatste ruimte kwam en zich zelfs een 'seksuele wetenschap' ontwikkelde (Richard Krafft-Ebing, Henri Havelock Ellis, Ivan Bloch, Otto Weininger, Magnus Hirschfeld). Maar geen illusies: seks moest zich beperken tot de voortplanting binnen een huwelijk. Zo open was men niet:

"Het zal op grond van het voorgaande duidelijk zijn dat er dan ook weinig reden bestaat om in verband met deze periode [de 20ste eeuw, eerste 60 jaar] van een seksuele bevrijding te spreken. In feite was men onder het juk van een nieuwe verdringingsmoraal gekomen, die we posthuum de 'nieuw preutsheid' zouden kunnen noemen."(172)

August Stärcke werd door seksualiteit gefascineerd. Zijn opvattingen over psychoanalyse hadden een cultuurkritisch element.

"Niet alleen vond hij het geen wonder dat sommigen de ziekelijke ontwikkeling van de cultuur niet konden bijhouden, maar het lijkt erop dat hij ook van mening was, dat wie in een dermate zieke maatschappij geestesziek was, nog zo gek niet was - nee, wellicht normaler dan de zogenaamde normalen."(190)

(215) Deel III - Van Sublimatie tot seksuele bevrijding - De psychoanalyse in Nederland tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog

Concrete beschrijving van de ontwikkelingen.

"Van der Torren voelde overigens het meest voor de fenomenologische methode van Jaspers. Hij vond de begrijpelijke samenhangen zoals Jaspers die uitlegde, heel wat overtuigender dan de door Freud aan het licht gebrachte causale samenhangen."(233)

"De psychologisch georiënteerde psychiatrie, opgekomen aan het einde van de 19e eeuw, had zich laten inspireren door de romantische psychologie die in het onbewuste een in de mens transcendente kracht gezien had. Vertegenewoordigers hiervan waren Carl Gustav Carus, Eduard von Hartmann, F. W. Myers, Carl Gustav Jung en, in Nederland, Frederik van Eeden, Albert Willem van Renterghem, Gerard Heymans en, wat later, de psychoanalyticus J.H. van der Hoop. Langzamerhand had echter onder medici een meer prozaïsche kijk op het onbewuste de overhand gekregen, waarbij het onbewuste beschouwd werd als de zetel van het driftleven en reservoir van puur persoonlijke herinneringen. Van deze richting werd Freud de bekendste vertegenwoordiger. De sfeer van het romantische en occulte bleef nog lange tijd niet-medici fascineren. De schrijver Nico van Suchtelen, de predikant Van den Bergh van Eysinga en de parapsycholoog Tenhaeff interesseerden zich elk op hun eigen manier voor het onbewuste. Zij lieten zich door Freuds negatieve kijk op het onbewuste niet van de wijs brengen: voor hen bleef het onbewuste het contactpunt met een hogere transcendente wereld en bron van goddelijke inspiratie."(247)

"Dat de psychoanalyse [in Nederland] geen vaste voet kreeg in het universitaire milieu komt ook door de omstandigheid dat de fenomenologie in deze jaren als het fatsoenlijke geesteswetenschappelijke alternatief was gaan fiungeren voor de onfatsoenlijke libidineuze psychoanalyse met haar natuurwetenschappelijke pretenties. Dit vraagt een korte toelichting.
De fenomenologie stelde zich op het standpunt van Karl Jaspers, die in 1913 had geponeerd dat symptomen en gedragspatronen als uitingen van individuele psychische structuren beschouwd moesten worden en niet als mechanisch optredende gevolgen van bepaalde (bijvoorbeeld onbewuste) oorzaken. Volgens Jaspers ging het in de psychiatrie om 'begrijpen' en niet om 'verklaren'."(290)

Freud dacht volstrekt deterministisch en liet zich graag voorstaan op zijn (natuur)wetenschappelijke aanpak en verklaringen. Maar Dilthey had al in 1894 redenen naar voren gebracht waarmee hij de geldigheid van de natuurwetenschappelijke methode voor het verklaren van menselijk gedrag in twijfel trok.

[Precies. Freud heeft het dan wel over duidingen en interpretatie, maar tegelijkertijd kon hij de onzekerheid daarvan niet aan. Inderdaad is hij de hele tijd aan het benadrukken hoe wetenschappelijk hij bezig is, steeds met de suggestie: 'ik baseer me alleen op de feiten, ik geef causale relaties aan, ik geef verklaringen'. En zo verder.]

"Van der Hoop en Westerman Holstijn zijn schoolvoorbeelden van de manier waarop de vooruitstrevende bourgeoisie de psychoanalyse van haar sociaal-kritische kanten ontdeed: ten eerste door in religieuze theorieën te vluchten (Van der Hoop); ten tweede door de feitelijke historische ontwikkeling als min of meer noodzakelijk te aanvaarden (Westerman Holstijn); ten derde door de psychoanalyse uitsluitend als een therapie te beschouwen."(305)

Menno ter Braak wees Freud af als een 'wetenschapsmagiër' (306)

.
Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Onderzoek