>>>  Laatst gewijzigd: 31 januari 2018  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Onderzoek

Sigmund Freud

Over Freud en de psychoanalyse

Cassette Freud 'Studienausgabe' A.W.M. MOOIJ
Psychoanalyse en regels - Werkwijze en grondslagen van de psychoanalyse
Meppel/Amsterdam: Boom, 1982; 141 blzn.
ISBN 90 6009 5146

Psychoanalyse, handelen en hermeneutiek

Dit is het tweede boekje van Mooij. 1982 staat tegenover 1975 (Taal en verlangen), Wittgenstein en Winch komen in beeld en Lacan verdwijnt naar de achtergrond. De psychoanalytische theorie en praktijk vormen nog steeds een probleem, bijvoorbeeld omdat ze staan tegenover de natuurwetenschappelijke aanpak (7/8). Vandaar dat Mooij de theorie over regels uit de Angelsaksische handelingsfilosofie toe wil passen op die theorie en praktijk van de psychoanalyse (9), met als uiteindelijk doel een bijdrage te leveren aan een toekomstige wijsbegeerte van de psychoanalyse die als grondslagenleer gezien moet worden (10/11) en die haar uiteindelijke plaats heeft binnen de wijsgerige antropologie (12).

Allereerst wordt uitgegaan van het spreken als handelen. De analysant vertelt een verhaal dat een beschreven inhoud bevat, vanuit een bepaalde gerichtheid of houding verteld wordt, een beoogde of niet beoogde werking moet uitoefenen, en een omgeving kent (19/20). De analyticus onderzoekt de inhouden (met name ook de inhouden die ontbreken), de houding, het effect op hem, de functies van de vormgeving.

"De analyticus, ofwel de ander van de spreker, let steeds op wat verborgen is: afwezige inhouden, versluierde houdingen, werkingen waartoe de intentie wordt ontkend. Zij zijn de spreker onbewust en hij zal zich verzetten tegen de manifestatie hiervan. De spreker heeft zijn verhaal. Maar te zelfder tijd geeft dat betoog, in de manier waarop het verteld wordt, vorm aan een ander betoog, dat echter niet aan de dag mag treden."(20-23)

De hermeneutiek wil de retoriek ongedaan maken.

Psychoanalyse als praktijk

Het volgende stuk gaat over de vier grondregels die psychoanalyse als praktijk constitueren en afgrenzen van andere praktijken. Ze zijn er op gericht de analysant zijn primaire wereld te laten spelen zodat hij binnen gevoerd kan worden in de secundaire wereld van de symbolische orde. Daartoe zijn nodig:

  1. vrije associatie (álles zeggen wat je te binnen schiet),
  2. neutrale interpretatie van de kant van de analyticus,
  3. de onzichtbare positie van de analyticus (zie mijn eerdere opmerkingen),
  4. en de onbepaalde duur van de totale behandeling terwijl de duur van de afzonderlijke zittingen precies vastligt.

[Regel 1 en 2 zijn mijns inziens goed te verdedigen, regel 3 en 4 vind ik veel problematischer. 3 heb ik al eerder besproken. 4 vormt tegelijkertijd een praktisch probleem. Betekent die onbepaalde duur niet dat het blijkbaar niet lukt om op korte termijn een goede interpretatie te geven? Kan een slecht psychoanalyticus, iemand die niet in staat is de analysant via interpretatie van de primaire naar de secundaire sfeer te helpen, zich niet altijd op deze regel beroepen om maar door te gaan? Werkt een verandering van 3 - bijvoorbeeld een sterker aangezette mogelijkheid tot het beleven van de primaire sfeer en een sterkere confrontatie naar de secundaire sfeer waarbij meer gevoelens, meer tekens geuit worden - niet tot een versnelling van het therapeutische proces? En waarom wél de duur van de afzonderlijke zittingen fixeren? Het is echt een context waarin geld-uit-de-zak-klopperij te gemakkelijk wordt. Ik denk niet dat ziektekostenverzekeraars dit ooit zouden accepteren.]

[Vorige alinea schreef ik in 1985, het jaar waarin ik het boekje samenvatte. Inmiddels is onlangs de psychoanalyse als therapie uit het basisverzekeringspakket gegooid.]

Handelingstheorie, psychoanalyse en regels

Vanaf hoofdstuk 5 gaat Mooij verder in op de filosofie van het handelen:
--handelingen zijn niet te beschrijven als pure bewegingen, ze worden gekenmerkt door doelen, bedoelingen, regels;
--Ze kunnen dan ook niet op mechanistische wijze verklaard worden (71-72).

Met andere woorden. De actor richt zich met een handeling op een doel, heeft de bedoeling om mét de handeling een verandering te bewerkstelligen. Dit valt dus onder het thema 'intentionaliteit van het handelen'. Is iemand daarmee ook verantwoordelijk voor zijn handelen? Dat vindt Mooij een probleem (74). Handelen is immers ook regelgeleid, Mooij: "Het handelen is dus taalafhankelijk en als zodanig is het regelgeleid."(77) Maar zoals ik al eerder aangaf is dat een beperkte visie. Wat zijn regels?

--Regels zijn niet onwaar of waar, zijn geen oorzaken, geen bevelen, maar geaccepteerde afspraken.
--Regels kun je alleen accepteren, wanneer je als kind uiteindelijk de illusie van een ongebroken eenheid durft op te geven. Zo niet, dan ontstaat een schijnwereld en ontstaan er schijnhandelingen, gekoppeld aan het onbewuste.

[Er zit wat merkwaardigs in deze theorie. Regels zijn publiek, wordt gezegd: er is geen privé-taal, dus zijn er geen privé-regels. Maar hoe kan het dan dat er regels zouden zijn die ik niet met anderen deel (79)? Wanneer al het handelen dat zich niet houdt aan publieke afspraken meteen als schijnhandelen gediskwalificeerd wordt, is er toch iets mis. Je kunt als kind al weigeren een bepaald spel mee te spelen, je kunt andere regels dromen en ontwerpen! Je kunt regels verdringen die je zou wel willen volgen maar door omstandigheden niet kúnt volgen. Je handelt dan niet echt naar publieke regels omdat je die regels innerlijk niet geaccepteerd hebt.]

[Mooij's verhaal heeft iets stars. Elke mogelijkheid van niet-acceptatie van bepaalde regels, bijvoorbeeld vanuit een keuze voor andere regels, elke mogelijkheid tot veranderingen lijkt te worden buitengesloten, of als regressie naar / fixatie in een kinderlijk stadium te worden getypeerd. Citaat: ]

"Hierbij wordt niet erkend dat zijn daad aangeeft dat hij fundamentele regels niet aanvaardt, de plaats van de ander niet weet, en zich het geslachtsverschil niet heeft toegeëigend, en dat hij zoiets ook blijkbaar niet wenst. De gemeenschappelijke tendens van deze wensen is te ontsnappen aan de bepaaldheid en beperktheid door regels, en om - in meer of mindere mate - terug te keren naar de primaire toestand van vermeende eenheid."(80).

Het hele idee er achter is dan weer dat primaire wensen een onmogelijke wereld verbeelden en willen.

[Hier zit een enorme veroordeling van alle kinderlijkheid, fantasie, dromerij, creativiteit, streven naar eenheidervaringen in mystiek en extase, afwijkende verlangens die de 'normale' regelpatronen in de lucht laten springen, homofobie, en zo verder. De wereld van de symbolische orde - wat dat ook moge zijn - wordt kritiekloos aanvaard, alsmede Freud's cultuurpessimisme. Hoewel, ik vraag me altijd af of Freud werkelijk dit soort bekrompen ideeën had over het realiteitsprincipe.]

Psychoanalyse en hermeneutiek

Hoofdstuk 6 (Psychoanalyse als interpretatieve wetenschap) vind ik zeer boeiend. Bij Freud treffen we een energetische én een hermeneutische benadering aan.

"De energetische benadering richt zich niet op zinssamenhangen tussen gedragingen en belevingen, maar poogt veranderingen in deze te verklaren door ze te correleren aan energetische veranderingen of wijzigingen binnen een verondersteld psychisch apparaat. Deze benadering zoekt niet als de hermeneutische naar redenen, maar poogt oorzaken aan te wijzen en kan daarom causaal-deterministisch genoemd worden."(85)

Die lijkt wetenschappelijker omdat er gezocht wordt naar wetmatigheden. Mooij wil de hermeneutische benadering van de psychoanalyse als de enige verdedigen (86). Iets is namelijk niet pas wetenschap als men probeert wetmatigheden op te sporen of een begrippenapparaat probeert op te bouwen dat spoort met de natuurwetenschappen, of wanneer men externe relaties kan vaststellen. (86/88). Dat alles is er bij de psychoanalyse niet en vanuit dat perspectief zou de psychoanalyse dus gedoemd zijn te mislukken als wetenschap.

Er is echter een ander spoor. De psychoanalyse kent slechts interne relaties bij individuele personen: situatie-relaties, uitingsrelaties, verplichtingsrelaties (89)

"Het verband tussen de twee relata wordt dan niet extern gesticht door een wetmatigheid, maar intern door een regel die aangeeft dat het ene element bij het andere past of bij het andere hoort."(90)

En dan nog op een ingewikkelde manier, want er is een veelheid van mogelijke verbanden en die kunnen ook nog eens per persoon en tijd verschillen (91). Er kunnen in die relaties verstoringen (Mooij spreekt van 'distorties') voorkomen en waarmee de psychoanalyse zich bezig houdt (welke zin en achtergrond hebben die distorties?)(92).

Zie voor een duidelijk beeld van het hermeneutisch bezig zijn van de psychoanalyticus: p.92-95. Controle op de juistheid van de psychoanalytische interpretatie blijkt, wanneer er een aantoonbaar grotere samenhang in situaties, uitingen, handelingen te vinden is, wanneer de adequaatheid ervan toeneemt (96). Voor de rest weer heel goede opmerkingen over toetsing op p.97-99.

Vrijheid en determinisme

In hoofdstuk 7 probeert Mooij de schijnbare tegenstelling tussen causaal determinisme en vrijheid van handelen te overbruggen. Vrijheid staat misschien tegenover determinisme, maar niet tegenover regelmaat. Wetmatigheid is heel wat anders dan regelmatigheid. Vrijheid gaat dus samen met regelgeleid handelen:

"Slechts binnen de context van regels heeft het zin de vraag naar de vrijheid te stellen, en deze vraag laat zich niet zinvol stellen binnen de context van natuurwetmatigheden."(106)

[Je kunt je natuurlijk wel afvragen hoe de context van regelmatigheden zich verhoudt tot de context van wetmatigheden. Dat gebeurt hier niet. Als wetmatigheden het volgen van regels zouden bepalen, is het probleem langs een achterdeur weer binnen.]

Cultuur noemt Mooij "de som van alle activiteiten die regelgeleid mogen heten"(106). Cultuur is binding, maar maakt gelimiteerde vrijheid mogelijk. Een subject moet dan wel bewust handelingsalternatieven kunnen bedenken (108-109). Inwendige vrijheid dus die gebruik maakt van de uitwendige vrijheid (de speelruimte die een regelkader biedt) en positief of negatief kan zijn (109). Psychoanalyse kan die inwendige vrijheid vergroten (111), want vrijheid moet veroverd worden (113). Meer vrijheid leidt tot meer verantwoordelijkheid, wat van de andere kant ook betreurd kan worden omdat je dan een toestand van onmiddellijkheid en geborgenheid los moet laten (115).

[Het probleem wordt nogal oppervlakkig behandeld. Allereerst is er de al eerder gestelde vraag naar de verhouding van wetmatigheid en regelmatigheid. Verder wordt cultuur hier zo naïef neergezet en wordt er zo weinig beweerd over het vergroten van de uitwendige vrijheid. 'Cultuur' is nu een pluriforme, multiculturele, massale samenleving geworden waarin vele regelkaders naast elkaar bestaan. Het is niet meer zo moeilijk als kind het ouderlijke regelkader te verlaten en een andere richting in te slaan. Er is immers meer speelruimte, er zijn zichtbare alternatieven. En die zou nog kunnen toenemen wanneer de samenleving op een aantal fundamentele punten zou veranderen.]

[Leuk woord trouwens: 'speelruimte'. Geef de mensen meer gelegenheid en tijd om te spelen. Met dat standpunt geef je de meest fundamentele maatschappijkritiek, want je verdedigt daarmee het lustprincipe tegenover de realiteit van het presteren, het gemanipuleerd en gebrutaliseerd worden. Over dat soort zaken vind je bij Mooij niets.]

Tot slot hoofdstuk 8. De mogelijkheidsvoorwaarden voor de (psychoanalytische) dialoog vind ik bij Habermas boeiender, vollediger en kritischer. Er zit ook herhaling in het slot van Taal en Verlangen: de horigheid van het subject aan de cultuur, de te directe koppeling van taal en regelkaders:

"Zonder zo'n geheel van normen, interpretaties en grammaticale regels, zonder zo'n kader van regels, is geen individueel spreken, geen vertellen en handelen mogelijk."(124).

Zie daarvoor met name ook p.129.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Onderzoek