>>>  Laatst gewijzigd: 22 mei 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Plato

Voorkant Plato Verzameld Werk PLATO
Alcibiades I (Verzameld Werk, deel 3, editie Xaveer de Win)
Antwerpen / Baarn: Nederlandsche Boekhandel / Ambo, 1978;
ISBN 90 2890 3380 (DNB) / 90 2630 4242 (Ambo)

Het eerste boek in het derde deel van Plato's werken is Alcibiades I. Socrates spreekt Alcibiades - een man met grote privileges als schoonheid, rijkdom, goede familie, een goed 'netwerk' - aan op zijn voornemen raadsman van Athene en uiteindelijk de machtigste van heel Europa en Azië te worden. Vanuit welke deskundigheid meent hij dat te kunnen doen? Uiteraard zou hij deskundig moeten zijn op het stuk van de rechtvaardigheid en de deugd, en Socrates laat hem fijntjes voelen, dat daarvan nog geen sprake is. Blijkbaar heeft Alcibiades zijn kennis over recht en onrecht ontleent aan de straat (niet aan zichzelf door eigen ontdekking, en ook niet door een leermeester). Dat is echter geen kennis, omdat de mensen van de straat zichzelf voortdurend tegenspreken, zodat je daar moeilijk van kennis kunt spreken. Alcibiades' kennis schiet dus tekort, terwijl juist ten aanzien van (on)recht(vaardigheid) de meningsverschillen het grootst zijn, meningsverschillen op het terrein van recht en onrecht leiden immers al gauw tot conflicten en oorlogen tussen groepen, volkeren en landen. Zie p.22-23.

Dat tekort van Alcibiades blijkt ook uit zijn tegenoverstelling van rechtvaardigheid en nuttigheid / voordeel. Het tegendeel wordt aangetoond. Zie p.30. Ook uit het feit dat Alcibiades zichzelf herhaaldelijk tegenspreekt blijkt zijn gebrek aan kennis, evenals uit zijn onderschatting van mogelijke tegenstanders.

"En bekent ge zelf niet dat ge voor recht en onrecht, schoon en lelijk, goed en kwaad, nuttig en schadelijk in uw antwoorden her en der dwaalt? Is het dan niet duidelijk dat uw weifelen op dat stuk voortkomt van uw niet-kennen?"(31)

Mensen die weten, maken geen fouten. Mensen die niet-weten en dat van zichzelf weten, maken ook geen fouten. Het zijn juist de mensen die niet-weten maar wel zich verbeelden te weten, die de fouten maken. Zo iemand is Alcibiades. En hoe kun je dan een goed raadsman voor anderen zijn?

"Een uitstekend bewijs dat men iets kent, is inderdaad wel dat men in staat is een ander zijn wetenschap mee te delen."(34)

De conclusie is dat het voor Alcibiades noodzakelijk is zich toe te gaan leggen op zo volmaakt mogelijk worden. Maar wat is dat en wat moet hij daartoe doen? Socrates gaat dan over op het thema 'zorg dragen voor zichzelf' (48-63). Wat betekent dat? Voor jezelf zorgen is niet hetzelfde als voor je zaken (je schoeisel, je kleding, etc.) zorgen en de 'kunsten' (vaardigheden, kundes) voor die laatste zijn dan ook heel andere dan de kunst voor de eerste. Zorg dragen voor jezelf vooronderstelt zelfkennis. Hoe kunnen we dat zelf-op-zichzelf kennen / vinden?

Volgt een bewijsvoering waarin eerst de gebruiker wordt onderscheiden van het gebruikte (de schoenmaker die het leer snijdt met een mes, of de citerspeler die zijn handen gebruikt om citer te spelen) met als conclusies "Dus is de mens iets anders dan zijn lichaam"(53) en is de mens "datgene wat zich van het lichaam bedient"(53), en tot slot "Maar kan iets anders zich van dat lichaam bedienen tenzij de ziel? ... Alleen de ziel kan dat."(53).

Lichaam en ziel worden dus tegenover elkaar gesteld, waarbij de ziel als het sturende, heersende beginsel naar voren geschoven wordt. Je zelf kennen is daarmee je ziel kennen. Daarom is je lichaam kennen en het verzorgen hier niet wezenlijk. En je ziel kennen betekent contact leggen met andere zielen, met name met het deel waar de geleerdheid, wijsheid, deugd zetelt. Dan ook pas wordt men gelukkig.

"Onze ziel te leren kennen: dat was dus wel de vermaning van hem die voorschreef: Ken uzelf. Wie dus een of ander deel van zijn lichaam kent, kent wel de dingen die van hemzelf zijn, maar niet zichzelf."(54)

Maar hoe kunnen het beste kennis over onszelf verwerven?

"Wil die [de ziel - GdG] zichzelf kennen, dan zal zij in een ziel moeten kijken, en meer bepaald naar die plaats in de ziel waarin zich haar kracht bevindt, de geleerdheid, of naar enig ander object waarop ze gelijkt. ... En kunnen we een zielsdeel noemen, goddelijker dan dat waarrond kennis en inzicht zich ophouden? ... Dus vertoont dat deel gelijkenis met de godheid, en wie daarop zijn blik richt, wie alles leert kennen wat het aan goddelijks bevat, nl. een god en een inzicht, die zal ook wel het beste zichzelf kennen. ... Door naar God te kijken zullen we ons dus van de heerlijkste spiegel bedienen om er de uitmuntendheid van de ziel in te zien, zelfs voor de menselijke dingen. Op die wijze ook zullen we bij uitstek onszelf zien en leren kennen."(58-59)

[Ook hier dus weer de aanname dat er een god is. Wanneer we die aanname afwijze en stellen dat er simpelweg geen god of goden zijn, dan stort zo'n redenering compleet in elkaar. Maar zelfs mét dat religieuze uitgangspunt wordt de vraag 'Hoe kunnen we onszelf kennen?' alleen maar vervangen door andere vragen als 'Hoe kunnen we onze ziel kennen?' en 'Hoe kunnen we god kennen?']

En dan nog de conclusies naar de staatkunde:

"Wat de staten dus nodig hebben, als ze gelukkig willen zijn, zijn niet wallen of triëren of scheepswerven, noch talrijke bevolking of grote uitgestrektheid, als de deugd ontbreekt .... dan hebben ze aan de rest niets. ... Wilt ge dus een juiste en goede politiek voeren, dan zult ge uw medeburgers aan de deugd deelachtig moeten maken."(60)

Macht zonder verstand levert niets goeds op, daarom is de deugd in het besturen altijd nodig.

"En zolang men de deugd nog niet bezit, is het, zowel voor een volwassene als voor een kind, beter onder het bevel te staan van een betere dan zelf het bevel te voeren."(62)

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk