>>>  Laatst gewijzigd: 22 mei 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Plato

Voorkant Plato Verzameld Werk PLATO
De Staat (Boek 1-5) (Verzameld Werk, deel 3, editie Xaveer de Win)
Antwerpen / Baarn: Nederlandsche Boekhandel / Ambo, 1978;
ISBN 90 2890 3380 (DNB) / 90 2630 4242 (Ambo)

En dan volgt natuurlijk het grote werk De Staat, dat bestaat uit tien boeken.

De Staat - Eerste Boek

Plato heeft hier een andere aanpak: hij werkt met een ik-figuur die vertelt en die ik-figuur is Socrates. Hij verkeerd hier in een zeer uitgebreid gezelschap. Socrates wordt door Polemarchus overgehaald om bij de feestelijkheden in Pireaus te blijven. Tussen twee evenementen door gaan ze naar diens huis, waar de stokoude Cephalus blij is Socrates weer eens te zien. Ze hebben het even over de ouderdom. Cephalus vindt dat oude mensen almaar jammeren en klagen over wat ze verloren hebben en heeft daar - net als een paar anderen ouderen - geen boodschap aan. Hij vertelt:

"Zo was ik er eens bij toen iemand aan de dichter Sophocles de vraag stelde: 'Hoe is het bij u gesteld met het mingenot, Sophocles? Zijt ge nog in staat met een vrouw omgang te hebben?' Toen antwoordde de oude dichter: 'Zwijg, man! Ik ben nóg zo blij dat ik ervan af ben; ik voel me als iemand die aan een razende en wilde meester is ontsnapt.' Toen al vond ik dat echt goed gezegd; en nu niet minder. Want in ieder geval geniet de oude dag op dat gebied een grote vrede en vrijheid. Wanneer de driften hun greep loslaten en verslappen, is het helemaal zoals Sophocles het zegt: dan betekent dat een bevrijding uit de macht van een hele bende dolle tirannen."(76)

[Dat er bij de oude Grieken zo open over die dingen gepraat werd vind ik geweldig. In 'onze moderne samenleving' bestaat er nog steeds een enorm taboe op het thema ouderen en seks, laat staan dat iemand er bij een ouder iemand naar zou vragen ... Een ander ding: je kunt Plato gevoel voor humor niet ontzeggen, vind ik.]

Vervolgens komt het gesprek op rijkdom - die helpt om de goden de juiste offers te bieden en voorkomt dat men zich schuldig moet maken aan bedrog of leugen - en vandaaruit op rechtvaardigheid.

Wat is rechtvaardigheid?

Polemarchus neemt het over van Cephalus. Er volgen allerlei bepalingen van het begrip 'rechtvaardigheid':

Men is er dus niet uit. In de tweede ronde met Thrasymachus - een man die Socrates bepaald vijandig gezind is - komt deze naar voren met de bepaling 'rechtvaardigheid is niets anders dan het voordeel van de sterkste' (90), wat meteen naar de staatsvorm vertaald wordt: de sterkste is namelijk de bestaande regering want die beschikt over de macht en rechtvaardigheid is daarmee dat de onderdanen handelen in het voordeel van de sterkste, namelijk van de regering. (91).

[Volgt een weinig overtuigend begrippengegoochel en het niveau van de discussie over het recht van de sterkste haalt het absoluut niet bij de discussie in het boek Gorgias.]

Socrates stelt uiteindelijk - en dat geldt dus ook voor de regeerkunst:

"Nee, geen enkele kunst streeft haar eigen voordeel na - ze heeft dat immers niet nodig - maar ze bekommert zich slechts om het voordeel van datgene, waarvan zij de kunst is. (...) Bijgevolg ziet geen enkele kunst uit naar het voordeel van de sterkste, noch schrijft ze dit voor. Wel integendeel: zij houdt zich bezig met het belang van de zwakste en van hem over wie ze regeert."(96)

Trasymachus kan dat natuurlijk niet accepteren en verdedigt in feite het onrecht en de onrechtvaardigheid. Hij stelt:

"Want indien men het onrecht aan de kaak stelt, is het niet omdat men ervoor terugschrikt zelf onrecht te bedrijven, maar omdat men vreest er het slachtoffer van te worden. Zo is dan, Socrates, de onrechtvaardigheid, indien ze slechts op voldoende schaal wordt beoefend, sterker en voornamer en deftiger dan de rechtvaardigheid. Terwijl de rechtvaardigheid het voordeel is van de sterkste ... is onrechtvaardigheid het eigen voordeel en het eigenbelang."(99)

Hij wil weglopen en zich onttrekken aan de discussie, maar dat laten de aanwezigen niet toe: hij moet zich verantwoorden over wat hij beweerde. Socrates:

"Voor mijn part zal ik u maar dadelijk zeggen dat ik niet overtuigd ben en niet geloof dat onrechtvaardigheid meer winstgevend is dan rechtvaardigheid, ook al liet men haar begaan zonder haar te verhinderen alles te doen wat ze wil. Neen, mijn beste, men moge nog onrechtvaardig zijn, men moge nog in staat zijn dit onrecht te plegen, hetzij omdat men het in het geniep kan doen of omdat men met geweld zijn wil kan doorzetten, toch kan hij er me niet van overtuigen dat zulks voordeliger is dan rechtvaardigheid."(100)

"Zo is het dan ook zonneklaar dat de rechtvaardige de goede en wijze is, de onrechtvaardige echter de domme en slechte."(109)

Een tweede analyse gaat over het punt of er kracht en sterkte zitten in onrechtvaardigheid. Maar aangetoond wordt dat onrechtvaardigheid leidt tot "onderlinge onenigheid en haat en strijd, terwijl rechtvaardigheid eensgezindheid en vriendschap bewerkt" (111). Onrechtvaardigheid maakt "elke onderlinge samenwerking onmogelijk" (111).

Nu begint duidelijk te worden dat er aan onrechtvaardigheid nadelen kleven, want ze maakt het onmogelijk te handelen en samen te werken, en leidt tot strijd, tweedracht, wantrouwen, en noem maar alles op wat uiteindelijk het handelen van mensen zo belemmert dat ze tot niets meer komen. Socrates komt dan op de beginvraag terug en stelt dat alleen de rechtvaardige gelukkig en zalig is, en dat dus alleen aan de rechtvaardigheid voordelen kleven. Hij constateert verder ook zelf dat de oorspronkelijke vraag 'wat is rechtvaardigheid?' is losgelaten en is blijven liggen. Nog een citaat over de ziel:

" ... heeft ook de ziel niet een bepaalde functie dat door geen enkel ander ding kan worden bereikt, b.v. voorzorgsmaatregelen treffen, besturen, beraadslagen en wat dies meer zij?"(115)

[Dat citaat, om duidelijk te maken dat het begrip 'ziel' niet per se iets religieus is bij Plato. Hier staat het woord in feite voor die typisch menselijke rationaliteit, is dus synoniem voor 'geest' of 'ratio'.]

De Staat - Tweede Boek

Glauco tekent protest aan: de grote massa denkt over rechtvaardigheid namelijk anders dan Socrates, en wel als iets dat maar lastig is, als iets wat je alleen maar nastreeft vanwege de beloningen die zij oplevert en de goede naam die zij je geeft. Hij stelt voor het onderzoek te heropenen en komt met een plan van aanpak (118): Glauco gaat zich als advocaat van de duivel opstellen en zal 1) de algemene opvatting over aard en oorsprong van (on)rechtvaardigheid uiteenzetten; 2) aantonen dat wie rechtvaardigheid beoefent, dat met tegenzin doet omdat ze alleen maar noodzakelijk is en niet goed in zichzelf; 3) en aantonen dat het leven van de onrechtvaardige te verkiezen is boven dat van de rechtvaardige.

1) Die algemene idee is "onrecht plegen is een goed, onrecht lijden een kwaad" (119) en dat het het beste is daar ergens tussen in te blijven zitten; vandaar dat men contracten sluit, akkoorden maakt, wetten ontwerpt, om de scherpe kantjes van zo'n leefwijze af te vijlen. Wat door de wet wordt opgelegd is men vervolgens rechtvaardig gaan noemen. En dan - in de lijn van de Gorgias:

"Dat is dan de oorsprong en het wezen van de rechtvaardigheid. Ze houdt het midden tussen het hoogste goed - de straffeloosheid bij het onrecht plegen - en het grootste kwaad - de onmacht om geleden onrecht te bestraffen. Daar nu de rechtvaardigheid tussen die twee uitersten gelegen is, neemt men er vrede mee, niet als ware ze een goed, doch als iets dat men op prijs stelt, omdat men niet bij machte is onrecht te plegen. Want wie daartoe wél in staat is, zal, indien hij werkelijk de naam 'man' verdient, met niemand ooit een overeenkomst aangaan, waarbij onrecht plegen en onrecht lijden wordt verboden."(119)

2) Juist omdat men alleen maar rechtvaardig is onder de dwang van de wet, beoefenen mensen de rechtvaardigheid slechts met tegenzin. Eigenlijk gaat dat namelijk tegen de menselijke natuur in die vrij wil zijn zijn begeerten te volgen en zijn hebzucht in te willigen. Het voorbeeld van de ring die onzichtbaar maakt (120-121): als een rechtvaaridge die zou hebben, zou hij het ook niet kunnen laten onrecht te bedrijven.

"Want het ligt in ieders aard dit [meer willen hebben - GdG] van nature na te jagen als een goed. En zo men daarvan afgeleid wordt om het principe der gelijkheid te eerbiedigen, gebeurt zulks onder de dwang van de wet."(120)

Rechtvaardigheid wordt dus beschouwd als een noodzakelijk kwaad, niet als een goed in zichzelf.

3) Het meest onrechtvaardig is het rechtvaardig te schijnen maar het niet te zijn. Verderop - 124-128 - staan vele voorbeelden van dat maatschappelijke spel, waarbij je slecht doet en toch een naam weet op te houden van rechtvaardig te zijn en waarbij je je op alle fronten weet in te dekken. Hier speelt dus dat rechtvaardigheid niet om zichzelf beoefend wordt maar alleen vanwege de voordelige gevolgen die het kan hebben wanneer je als een rechtvaardige gezien wordt. Het meest rechtvaardig daarentegen is het onrechtvaardig te lijken, maar in werkelijkheid rechtvaardig te zijn, omdat mensen liever de schijn van rechtvaardigheid hebben en niet accepteren dat iemand rechtvaardig is.

Adimantus doet er nog een schepje bovenop en beweert dat allerlei schrijvers weliswaar de zelfbeheersing en rechtvaardigheid loven, maar tegelijkertijd opvallend veel sympathie hebben voor allerlei slechte mensen die rijk en machtig zijn en weinig op hebben met zwakke en arme mensen.

"Wat echter van dit alles het vreemdste klinkt, zijn hun beschouwingen over goden en deugd. Volgens hen immers hebben de goden voor heel wat braven allerlei tegenspoed en een ellendig leven weggelegd, doch een gans verschillend lot voor de kwaden."(126)

"Welke reden zouden we dan nog hebben om onrechtvaardigheid te verkiezen boven de ergste onrechtvaardigheid, wanneer we deze laatste slechts onder een valse deftigheid hoeven te verstoppen om alles, zowel van goden- als van mensenwege, in leven zowel als in dood, naar wens te zien verlopen; zoals de massa evengoed als de hoogste autoriteiten het ons voorhouden?"(129)

"Alleen hij laakt de onrechtvaardigheid die of te laf, of te oud of te zwak is om onrecht te bedrijven. Dat is toch al te duidelijk. Want zodra één hunner er de macht toe krijgt, is hij er ook direct bij om onrecht te plegen, zoveel als hij maar enigszins vermag."(129)

Omdat men in de praktijk zo ingesteld is op een schijnbare rechtvaardigheid (die dus onrechtvaardigheid maskeert) door de prettige gevolgen die er uit voort komen, wordt Socrates nadrukkelijk verzocht te beargumenteren waarom de rechtvaardigheid op zichzelf beschouwd goed is en de onrechtvaardigheid op zichzelf slecht.

"Toon ons dus in uw betoog aan, niet enkel dat de rechtvaardigheid het wint van de onrechtvaardigheid, maar toon eveneens aan wat elk van beide bewerkt in hem die haar bezit, onverschillig of ze voor goden en mensen verborgen blijft of niet, en waardoor de ene een goed, de ander een kwaad is."(131)

Rechtvaardigheid in het kader van de Staat

Socrates wil helpen en stelt voor de rechtvaardigheid eerst in het kader van de Staat te bekijken en pas dan over te gaan naar de rechtvaardigheid bij de enkeling. Het ontstaan van een Staat moet duidelijk maken waar de oorsprong van rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid ligt.

Een Staat ontstaat vanuit de menselijke behoeften aan voedsel, huisvesting, kleding enz. Niemand kan daarvoor allemaal in zijn eentje zorgen. Daarom hebben mensen elkaar nodig. Meteen wordt er - in het kader van de productie van alles wat nodig is - gepleit voor specialisatie:

"Daaruit mogen we dan ook besluiten dat men méér en beter en gemakkelijker zal voortbrengen, wanneer ieder slechts één ding uitricht, dat met zijn aard overeenkomt, en dat te rechter tijd doet, zonder zich door wat anders in beslag te laten nemen."(135)

[Die manier van kijken zal steeds terugkomen: dat Plato meent te weten wat iemands aard is waardoor alles voor die persoon is vastgelegd en voorbestemd. De een is van nature, naar zijn aard een bakker, de ander een smid, de een een slaaf, de ander een regeringslid. Zo ligt dat nu eenmaal, daar is niets aan te doen, dat is de natuur der dingen, de orde die vastgelegd is en waaraan we niets kunnen veranderen.]

Ook import en export en ruilhandel via handelaren en daarmee weer transporteurs zijn nodig. En natuurlijk ook kopers en verkopers in de vorm van de kleinhandelaren en winkeliers. Verder zijn loonarbeiders noodzakelijk die hun spierkracht tegen loon aanbieden om allerlei zwaar werk te verrichten.

In het vervolg wordt een tegenoverstelling uitgewerkt van de 'gezonde Staat' (de basisstaat waarin de hele inrichting sober is en op het noodzakelijke afgestemd) en de 'weelderige Staat' (waarin daarenboven allerlei luxe aanwezig is). Socrates laat bijna spottend zien waartoe die 'ongebreidelde jacht naar bezit' uiteindelijk zal leiden: tot meer dokters en meer oorlog.

"Ook zal het land, dat vroeger [in de basisstaat - GdG] volstond om zijn vroegere bewoners te voeden, nu, in plaats van voldoende, vast te klein worden. ... Moeten we dan niet een deel van het grondgebied onzer naburen inpalmen, als we voldoende wei- en landbouwland willen hebben? Maar zij zullen een stuk van het onze willen, als ook zij de grenzen van het noodzakelijke gaan overschrijden en zichzelf overgeven aan een ongebreidelde jacht naar bezit. ... En dus zal de volgende stap zijn: oorlog!"(140)

Omdat daar legers voor nodig zijn komt daarmee een andere specialisatie om de hoek kijken: de soldaat, hier 'wachter' genoemd. De kwaliteiten waaraan een wachter moet voldoen worden beschreven: hij moet een scherp oog hebben, vlug en dapper zijn, maar ook vurig zijn en dat weten te combineren met zachtheid voor de eigen burgers (142-144). Dat alles moet als natuurlijke aanleg aanwezig zijn. Maar er moet ook wijsgerig aanleg zijn:

"Moeten we dan niet beslist als thesis vooropzetten dat ook de mens, als hij zacht zal zijn tegenover de zijnen en tegenover zijn bekenden uiteraard wijsgerig en leergierig moet zijn? ... Dus wijsgerig en vurig en vlug en sterk: dat zal de natuurlijke aanleg moeten zijn van onze wachter van de staat, als hij een flink en goed wachter wil zijn."(144)

[Merkwaardig is dat Socrates nu op het spoor blijft zitten van die weelderige Staat die hij toch eigenlijk afkeurt. In de gezonde Staat was iedereen immers tevreden met het noodzakelijke en kwam daarom oorlog niet voor, zodat er ook geen behoefte was aan wachters. In plaats van een uitgebreide kritiek op de weelderige staat en een overtuigende verdediging van de gezonde staat krijgen we ineens uitgebreide aandacht voor een militair systeem om in de weelderige staat oorlog te kunnen voeren!!]

Alleen 'goedgekeurde verhalen' zijn toegestaan

Daarna gaat het uitvoerig over hoe die wachters grootgebracht en opgevoed moeten worden om genoemde aanleg te ontwikkelen: voor het lichaam de gymnastiek en voor de geest de muziek. Allereerst moet er muziek zijn (dat "wat in woorden wordt uitgedrukt" (145)) en wel de ware vertellingen, de goedgekeurde verhalen. Ware vertellingen, dat zijn niet de leugenverhalen van Hesiodus en Homerus (juist om de redenen die op p.126 ev beschreven staan, zie p.147: omdat het plegen van onrecht van goden en mensen door hen als de normaalste zaak van de wereld wordt voorgesteld) of andere aanstootgevende verhalen. Zelfs niet wanneer ze als allegorie gebracht worden, want jonge mensen kunnen niet zien dat het om beeldspraak gaat:

"Integendeel, al wat hij op die leeftijd in zich opneemt, pleegt onuitwisbaar en onveranderlijk in zijn geest te worden opgenomen. Dat is natuurlijk ook de reden waarom we ons uiterste best moeten doen, dat de eerste verhalen die hij hoort zo schoon mogelijk zouden zijn om tot de deugd op te wekken."(148)

En het woord 'goedgekeurd' in 'goedgekeurde verhalen' moet letterlijk genomen worden:

"En als stichters (van de Staat) komt het ons wél toe de modellen te kennen, waarnaar de dichters hun verhalen moeten opstellen, en waartegen we hun niet mogen toelaten er te maken."(149).

[Censuur dus, om kinderen in de tedere leeftijd te ontzien en om in het algemeen een 'juiste' beeldvorming te garanderen waarin de goden alleen als 'goed' worden weergegeven. Merkwaardig , toch, hoe dat soort religieuze standpunten steeds weer maatregelen moeten rechtvaardigen die het gedrag van mensen moeten reguleren. Maar het is zeker waar: er worden hier absolute maatstaven opgelegd aan kunstenaars. Omwille van het bevorderen van de deugd, dat wel, maar ja wat zal dat blijken te zijn?]

"Maar dat is nu de vraag: wat zijn de modellen, waarnaar men de godenleer dient op te stellen?" is dan ook meteen de vervolgvraag. God - aldus Socrates - moet voorgesteld worden zoals hij werkelijk is, dus: als goed en als veroorzaker van al het goede, maar niet als veroorzaker van alles dus ook van al het kwade. Slechte mensen moet men voorstellen als ongelukkig omdat ze een tuchtiging nodig hebben en men moet zeggen dat het ondergaan ervan voor de slechte mensen een weldaad is. Verder moet duidelijk blijken dat dat wat goed is (god, de ziel) het minst onderhevig is aan invloeden van buiten af en aan verandering, het minst veelvormig is, het meest zichzelf gelijk blijft. Tot slot moet god weergegeven worden als vrij van leugen.

"Bijgevolg is God het absoluut enkelvoudige en ware, in woord en daad: Hij-zelf verandert niet, en evenmin leidt Hij anderen om de tuin, noch door waanvoorstellingen, noch door woorden, noch door tekens die Hij zou overzenden aan slapenden of wakenden."(155)

[Aan dit soort teksten zie je hoe Socrates ook om religieuze redenen de voorkeur geeft aan Parmenides boven Heraclitus, aan de onveranderlijke eenheid dus boven de veranderlijke veelheid.]

"Als een dichter zo spreekt over de goden [zich niet houdt aan die modellen - GdG], zullen we hem dit kwalijk nemen en hem een koor weigeren; ook zullen we niet toelaten dat onze meesters zich van zulke uitspraken bedienen bij het onderwijs van de jeugd, als we willen dat onze wachters zo godvruchtig en goddelijk worden als het voor een mens maar enigszins mogelijk is."(155)

[Dus niet alleen de kunst wordt gecensureerd, ook alle opvoeding en onderwijs. Kinderen en volwassenen mogen alleen verhalen horen die goedgekeurd zijn door de stichters van de Staat. 'Een oogje in het zeil houden' heet dat eufemistisch op p.156.]

De Staat - Derde Boek

De lijn van het betoog wordt gewoon vervolgd. Zo moet ook het hiernamaals niet als gruwelijk maar juist als bijzonder aantrekkelijk voorgesteld worden, omdat anders de toekomstige wachter niet dapper de dood tegemoet durft te treden. Over de dood mag geen man klagerig doen: hij moet die gelaten tegenmoet treden of die nu van hemzelf, of van een eigen kind, of van een goede vriend is. Wachters mogen ook niet lachziek zijn. Ze moeten de waarheid hoog aanslaan, want de leugen is voorbehouden aan de leiders van de Staat.

"Indien het dus iemand toekomt te liegen, dan zeker aan de leiders van de staat tegenover vijanden of medeburgers, met het oog op het welzijn van de staat: alle anderen moeten er zich echter van onthouden."(160)

[Overigens wordt dan verderop (194 ev.) wel gezegd dat die leiders uit de beste der wachters gekozen moeten worden! Met die waarheidsliefde loopt het dan toch niet zo goed af, lijkt mij ... Die liefde voor de waarheid staat trouwens ook op bijzonder gespannen voet met de beschreven censuur: we mogen allerlei zaken niet weten van goden en halfgoden, maar wat als die beschreven dingen nu eens waar waren? Dan censureer je dus de waarheid. Maar nee, vindt Socrates: goden en halfgoden kunnen alleen goed zijn en dus moeten al die verhalen over hun 'slechte eigenschappen en slecht gedrag' wel leugens zijn. Waaruit weer eens blijkt hoe gemakkelijk je vanuit een religieus dogma altijd weer gelijk kunt krijgen, want over het dogna zelf - de goden zijn goed en doen dus alleen wat goed is - valt verder niet te praten.]

Verder is voor de wachters zelfbeheersing een vereiste (in de zin van - naar buiten toe - gehoorzaamheid aan oversten en - naar binnen toe - matigheid in de geneugten van drank, minne en spijs). Ze mogen ook niet omkoopbaar of geldzuchtig zijn.

[Zelfbeheersing was er al in de betekenis van 'je niet laten gaan', je emoties niet de vrije loop laten. Nu komt daar zelfbeheersing bij in de betekenis van 'matigheid' zowel als in de betekenis van 'gehoorzaamheid en onderdanigheid'. In feite is dit ook de beschrijving van 'mannelijkheid'. Daar hebben we al die saaie mannen van vandaag de dag aan te danken :-) .]

Met andere woorden: alles in de literatuur wat de opgroeiende wachters niet de beschreven waarden aanleert en een verkeerd beeld verschaft van goden, het bovennatuurlijke, halfgoden en de onderwereld, moet vermeden worden. Wanneer het over mensen gaat, mogen de schrijvers niet suggereren dat onrechtvaardigen gelukkig kunnen zijn, dat onrecht plegen voordelig is, en dergelijke.

Qua stijlvormen worden alleen eenvoud en zo min mogelijk variatie, toegestaan

Ook de vorm van alle verhalen moet goed zijn en aan een aantal normen voldoen. De vraag is met name: mogen de dichters zuiver nabootsende verhalen opstellen of een mengvorm van niet-nabootsend en nabootsend of mogen ze alleen niet-nabootsende vormen kiezen (zodat tragedie en komedie moeten vervallen). Conclusie is dat alleen de eenvoudige stijl van de fatsoenlijke man (170-71) met zeer weinig nabootsing in een lang verhaal toegestaan is wanneer die ook nog die dingen uitdrukt die inhoudelijk passen bij de zonet beschreven modellen.

"Als ik dus goed begrijp wat ge bedoelt, ging ik voort, is er een manier van spreken en verhalen waarin de echte gentleman zich uitdrukt wanneer hij iets te zeggen heeft, maar ook een andere manier, helemaal verschillend van die eerste, en die steevast altijd weer voorkomt in de verhalen van hem, die een gans andere aard en opvoeding bezit."(170)

[Er zijn dus 'fatsoenlijke (170) en vulgaire (171) mensen' en wat Socrates graag ziet is een manier van spreken en verhalen vertellen zoals 'fatsoenlijke mensen' hebben: weinig nabootsing, weinig variatie qua toonaard of ritme, de eerdere modellen voor de inhoud volgend.]

Alleen bepaalde toonaarden (de Dorische en de Phrygische) zijn toegestaan in de muzikale opvoeding van de wachters: niet die die klagerig of klinken of klinken als drinkliederen. En daarom zijn ook instrumenten die veelsnarig zijn en naar vele toonaarden kunnen moduleren overbodig: alleen de lier en de citer mogen. Ingewikkelde ritmes en metra mogen ook niet in de opvoeding van de wachters. Dit beeld wordt nog naar alle kunsten toe overgedragen:

"En, bij de Hond, zei ik, zo hebben we meteen, zonder het te merken, de staat opnieuw - en grond - gezuiverd van de ontsteking, die we er zojuist in ontdekten."(176)

[Het is akelig om hier al die termen te zien die door zoveel latere dictaturen gebruikt werden: het beeld van een zuivering, een metafoor die alles wat van de gestelde waarden en normen afwijkt karakteriseert als onzuiver, smerig, en wie zou daar niet van af willen?; en de metafoor waarbij alles wat die waarden en normen afwijkt gekarakteriseerd wordt als iets zieks (ontsteking, rotting) dat we natuurlijk willen 'genezen'. ]

"Moeten we nu alleen op de dichters toezicht houden en zijn zij de enigen die we voor de dwingende keuze moeten stellen, ófwel in hun gedichten het beeld van het goede karakter te leggen, ófwel bij ons van alle dichtersactiviteit af te zien? Of moeten we ook op de andere artiesten toezicht houden en hen beletten gemeenheid en teugelloosheid en slaafsheid en lelijkheid weer te geven, zowel in hun afbeeldingen van levende wezens als in hun gebouwen, of in gelijk welk van hun kunstproducten?"(178)

Het antwoord is bevestigend. Alleen die artiesten zijn gewenst die de natuur van het schone en het mooie kunnen opsporen en dus de eerder bescheven modellen willen volgen.

[Het is een zeer absolute weergave van wat wel en niet goed is. Maar let wel: goed is in de opvoeding van de wachters. Er is tot nu toe niet beweerd dat al die waarden en normen, die modellen in de opvoeding van álle mensen of in álle kunstuitingen bij alle gelegenheden moeten voorkomen. Ook wordt steeds opengelaten dat het in andere staten best anders kan gaan (maar in onze staat ....). Van de andere kant wordt het wewl gesuggereerd, want het gaat tenslotte om absoluutheden.]

Volgen de eisen aan de gymnastische / lichamelijke opvoeding. Uiteraard is het goede leven hier ook weer de leidraad.

"Volgens mij is het niet zo dat het lichaam, hoe flink ook, door eigen voortreffelijkheid de ziel goed maakt. Het is precies andersom: de ziel maakt, door háár deugdelijkheid, het lichaam zo volmaakt mogelijk."(181)

Bonte variatie wordt afgewezen (net als bij de muziek) in het voordeel van de eenvoud en zelfbeheersing, dit om losbandigheid en ziekte te voorkomen. Overdreven zorg voor het lichaam (trouwens ook een overdreven rol van dokters) wordt afgewezen: het is beter gezond en matig te leven waardoor je ziekte enz dus vermijdt.

"Ik zou haast durven te beweren dat niets zozeer de beoefening van de deugd in de weg staat als die overdreven zorg voor het lichaam, die zich niet houdt binnen de grenzen van de gymnastiek."(186)

En de geneeskunde is er voor mensen die genezen kunnen worden, dat was ook de benadering van Asclepius.

"Inwendig dóór en dóór zieke lichamen heeft hij echter niet trachten te helpen om, dank zij leefregels, door kleine ontlastingen en voorzichtige infusies, een ellendig bestaan te rekken en hen dan kinderen te laten voortbrengen die, naar alle schijn, met dezelfde kwalen behept zullen zijn. Neen, zijn mening was dat wie niet sterk genoeg was om zijn normale termijn te leven, ook niet hoefde verzorgd te worden, daar zulks niet voor hemzelf noch voor de staat enig nut heeft."(187)

[M.a.w.: hier wordt van de geneeskunde / gezondheidszorg gezegd dat ze niet alom aanwezig moet zijn, dat ze alleen gebruikt moet worden wanneer dat resultaat oplevert. Wel een heel andere benadering dan in de huidige tijd. Plato zegt hier nadrukkelijk dat het niet de taak van artsen is het leven te rekken en het lichaam in stand te houden tegen elke prijs. De zeer absolute conclusie staat verderop.]

Hoe moet dus op het punt van geneeskunde en rechtspraak de goede staat ingericht worden?

"Zo zult ge dan ook een geneeskunde, zoals we die beschreven hebben, tegelijk met de zo even besproken rechtersstand in onze staat wettelijk instellen. Beide zullen hun zorgen besteden aan diegenen onder de burgers die, naar ziel en naar lichaam, van goede aanleg zijn. De anderen echter zullen ze, voor zover het mensen betreft die lichamelijk ongeschikt zijn, laten sterven; of als het mensen geldt die van nature slecht en ongeneeslijk zijn naar de ziel, zullen de rechters zelf hen ter dood brengen."(190)

Een mens moet goed opgevoed worden naar geest én lichaam. Dat geldt ook voor de wachters die noch te week noch te hard mogen worden: vurigheid en wijsgerigheid moeten beide aanwezig zijn.

Wie moet bevelen en wie gehoorzamen?

Wordt de vraag wie moeten bevelen en wie gehoorzamen. Twee criteria: de ouderen dienen de leiding te nemen en de jongeren dienen te gehoorzamen; en die ouderen moeten horen tot de besten onder de wachters zoals door de jaren heen gebleken is bij allerlei proeven op hun integriteit en onwankelbaarheid die zij moesten ondergaan. De oudere volmaakte wachters zijn dus de leiders, de jongere wachters zijn helpers en handhavers van de overheidsbesluiten / soldaten. Daarnaast zijn er boeren, handwerkslieden, en dergelijke.

Ieder heeft op grond van een godsbesluit zijn plaats: de gouden mensen met leiderskwaliteiten zijn de waardigsten, de zilveren mensen zijn de helpers, ijzeren en bronzen mensen zijn de boeren en de overige handwerkslieden. Toch hebben allen dezelfde oorsprong en zijn allen broeders.

[Let wel: dit is geen kastenstelsel! Steeds moet blijken welke rang bij iemands natuur past, of die natuur dus goud, zilver, ijzer of brons bevat.]

"Daar ge nu allen van dezelfde oorsprong zijt, zult ge ook meestal kinderen hebben, die u gelijken, hoewel het toch gebeuren kan dat uit een gouden vader een zilveren zoon, uit een zilveren vader een gouden zoon stamt, en zo zijn eveneens alle andere combinaties mogelijk."(198)

Bovendien moet dat broederidee goed uit de praktijk blijken. Leiders en helpers mogen geen particulier eigendom hebben, geen luxe woonplaats, ze moeten hun zaken delen, veel gemeenschappelijk leven, en een sobere leefwijze hebben, betaald door hun medeburgers "zonder overschot noch tekort" (200).

"Gaan zij echter eigen grond en huizen en geld verwerven, dan worden ze huisbaas of boer in plaats van wachter, dan worden ze tirannen en vijanden van hun medeburgers in plaats van bondgenoten." (201)

[Prachtig! Je zou dit zo kunnen voorhouden aan de machthebbers van vandaag de dag. Plato heeft goed rondgekeken in zijn dagen: hij zag natuurlijk de eeuwige corruptie en verdorvenheid van de leiders in de regering en veroordeelde dat vanuit het morele standpunt, een standpunt dat hij Socrates de hele tijd naar voren laat brengen.]

De Staat - Vierde Boek

Adamantus stelt dan de vraag (202) of die wachters wel gelukkig kunnen zijn in dat soort sobere leefomstandigheden, vooral ook wanneer ze de welvaart bij de gewone burgers zien. En natuurlijk is Socrates' reactie er een van: juist dan zijn ze in de hoogste mate gelukkig, het gaat er niet om een deel van de staat gelukkig te maken, het totaal, de hele staat moet gelukkig zijn doordat ieder het zijne doet en niets anders. De wachters hebben hier zelfs een speciale verantwoordelijkheid:

"Dat een schoenlapper gaat knoeien en te gronde gaat en voorwendt te zijn wat hij niet is, dat is geen ramp voor de staat. Maar als wachters van de wetten en van de staat het niet werkelijk zijn, doch enkel in schijn, dan betekent zulks de ondergang van de hele staat. Dat springt toch in 't oog, zoals het anderzijds ook duidelijk is dat zij, en zij alleen, het in hun macht hebben rust en orde en welvaart te verzekeren."(204)

[Merkwaardig eigenlijk: als elk deel belangrijk is voor het geheel, als ieder het zijne moet doen, dan zou het voor de staat even schadelijk moeten zijn dat boeren niet goed boer zijn. Geen enkele groep in de samenleving zou minder of meer belangrijk zijn dan een andere groep. Toch klinkt hier de hele tijd de suggestie dat de leiders en wachters voor de staat het allerbelangrijkste zijn.]

De staat moet er dus een zijn van interne eenheid. Geen geprivilegieerde positie voor de leiders / wachters, maar ook zorg voor een redelijke welvaart tussen rijkdom en armoede in voor allen, want:

"Beide oorzaken dus, zowel armoe als rijkdom, halen het peil van de voortgebrachte goederen en tevens dat van de voortbrengers zelf omlaag."(205)

Een goede staat besteedt ook veel aandacht aan opvoeding en onderwijs voor allen zodanig dat die goede naturen vormt, vernieuwingsdrang en modernisme vermijdt, de kinderen tot tuchtvolle mannen maakt die zwijgen in aanwezigheid van oudere mensen, en zich ook verder houden aan de (deel ongeschreven) voorschriften en wetten voor goed gedrag..

[Dat laatste is interessant: op p.210-211 wordt dus de insteek beschreven dat goed gedrag uit de mensen zelf moet komen en niet vastgelegd hoeft te worden in wetten. Het maken van steeds meer weten garandeert namelijk niet dat mensen ook werkelijk goed gedrag gaan vertonen. Er wordt bijvoorbeeld vergeleken met mensen die zelf niets doen aan hun gezondheid maar wel de hele tijd naar dokters hollen in de hoop dat die hen kunnen genezen. Als goed gedrag niet uit de mensen zelf komt, heeft het weinig zin het van buiten af op te leggen, zo vindt Socrates blijkbaar. Maar daarom zijn opvoeding en onderwijs als vorming van beïnvloedbare jonge mensen zo belangrijk. Wat trouwens toch ook van buiten af komt, denk ik dan.]

"En ... ging ik voort, is dit ook geen leuke trek in hun [dat van de zieken die hun slechte leefwijze niet willen veranderen maar wel veel dokteren - GdG] karakter: dat ze de grootste hekel hebben aan iemand die hun de waarheid zegt, nl. dat alle drankjes, cauterisaties, operaties, ook bezweringen, amuletten en dergelijke dingen meer, niets zullen baten, zolang ze niet ophouden met hun drank- en vraatzucht, met hun sexuele uitspattingen of hun luiheid?"(211)

De goede staat kenmerkt zich door wijsheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid

Nu duidelijk is wat een goede staat is, moet in het onderzoek duidelijk worden wat rechtvaardigheid is, zoals in het begin is afgesproken. Een goede staat kenmerkt zich door vier eigenschappen: wijsheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid. Die eigenschappen worden nu besproken, en uiteraard vooral de laatste.

Eerst de eerste eigenschap. De goede staat kenmerkt zich door wijsheid / welberadenheid omdat de kleinste groep, nl. die der volmaakte wachters en leiders, de juiste kennis bezit voor het besturen van een staat:

"Door zijn minst talrijke klasse en door zijn kleinste onderdeel, nl. de vooraanstaanden en leidenden, en door de kennis die dààr wordt aangetroffen, zal dus de gehele staat wijs zijn, als hij volgens de beginselen van de natuur is opgericht. En blijkbaar heeft de natuur er voor gezorgd, dat de minst talrijke groep aanspraak mag maken op deelachtigheid aan die kennis die onder alle andere alléén de naam wijsheid verdient." (215)

De tweede eigenschap. Verder kenmerkt de goede staat zich door dapperheid / moed bij haar verdedigers, dus bij de eigenlijke wachters, wat inhoudt: het onder alle - ook bijzonder moeilijke - omstandigheden bewaren van de juiste en wettige mening over wat te vrezen is en wat niet.

De derde eigenschap. Ten derde kenmerkt de goede staat zich door matigheid bij allen, gezien als zelfbeheersing bij bepaalde genoegens en begeerten, als meestere zijn over zichzelf en niet slaaf zijn van zichzelf. Oorspronkelijk is er verschil tussen de massa en een kleine minderheid. Gebrek aan matigheid treft men allereerst aan bij kinderen, vrouwen, en slaven, en bij de vulgaire massa van vrije mannen.

"Maar de eenvoudige en matige begeerten, die onder de leiding van de rede staan en die het verstand en de juiste mening volgen, die zult ge slechts aantreffen bij weinigen, en wel bij hen die de beste aard aan de beste opvoeding paren."(219).

Uiteraard zijn dat de - mannelijke - leiders en wachters die dan ook de vulgaire massa in toom houden en haar matig maken. Waarmee de matigheid gelijkelijk in heel de staat aanwezig is.

Tot slot kenmerkt de goede staat zich door de rechtvaardigheid. Hiervan zegt Socrates dat ze er in bestaat 'zijn eigen taak te volbrengen en zich niet te bemoeien met andermans zaken' (222), 'het zijne te doen' (222), het 'bezitten en doen van het eigene, het zijn' (223), waarbij ieder van de drie natuurlijke klassen (helpers zoals boeren en ambachtslieden; zakenlui; wachters en raadgevers) alleen zijn eigen belangen behartigt en haar eigen taak verricht (224).

Rechtvaardigheid bij het individu

Zoals afgesproken in het begin wordt nu de lijn doorgetrokken van rechtvaardigheid in een staat naar de rechtvaardigheid van een individu (224 ev).

[Socrates heeft heel wat woordspelletjes - vaak weer rondom iets-op-zichzelf-genomen en de werkelijke dingen - nodig om zo ver te komen dat hij de ziel kan karakteriseren:]

"Dan zullen we niet zonder grond aannemen dat we met een dubbel, onderling verschillend, beginsel te maken hebben: één, waardoor de ziel redeneert, en dat we haar 'redelijk' deel noemen; het ander, waardoor zij bemint, honger en dorst lijdt, en ten prooi is aan de andere begeerten, en dat we het redeloze en 'begerende' beginsel noemen, de gezel van bepaalde verzadigingen en genoegens."(232-233)

Maar naast de rede en de begeerte is er ook nog de drift, zodat er net als bij de staat in een individuele ziel sprake is van drie 'klassen' en 'dus' is er ook sprake van wijsheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid (235). En 'dus' komt in de ziel de leiding toe aan het redelijke omdat het wijs is, terwijl de driften onderhorig zijn aan dat redelijke. En beide beginselen nemen de leiding over het begerende (235) zodat in de ziel ieder van de drie beginselen zijn eigen taak vervult / het zijne doet, en dat is dus rechtvaardigheid: innerlijke harmonie. Onrechtvaardigheid is dan de verstoring van die harmonie en dus is het nooit in je voordeel wanneer je onrechtvaardig bent. Het is dus van belang de deugd te beoefenen en de ondeugd te vermijden.

[De opgezette redenering over de parallel tussen de goede staat en de goede ziel is totaal niet overtuigend. ]

De Staat - Vijfde Boek

Op het eind van boek vier komt Socrates met de stelling dat er vijf staatsvormen en parallel daaraan vijf vormen van de ziel bestaan. Hij wil dat hier uitwerken. Er is maar één goede staatsvorm en één goede ziel - de staat en de ziel zoals hierboven beschreven. Alle vier de andere zijn slecht. Maar dan onderbreekt Polemarchus hem met de opmerking dat Socrates eerder voorbijgegaan is aan de vraag hoe een goede staat omgaat met de gemeenschap van vrouwen en kinderen: het verwekken van kinderen, het grootbrengen ervan in hun prille jaren. De aanwezigen willen daar allemaal meer over horen. Dus dat wordt eerst behandeld.

De positie van de vrouw, de positie van kinderen

Het gaat eerst over de positie van de vrouw in de goede staat. Het idee wordt even overwogen dat vrouwen en mannen hetzelfde werk zouden verrichten en dus ook dezelfde opleiding zouden krijgen in gymnastiek en muziek en de krijgskunde. Dat wordt in eerste instantie niet uitgesloten, al wordt er wat lacherig over gedaan. Socrates komt dan met de bekende stelling dat mannen en vrouwen verschillende naturen hebben en dus naar hun natuur verschillende dingen moeten doen. Hij stelt echter zelf vraagtekens bij die stelling.

"Zo staat het dan ook met het mannelijk en vrouwelijk geslacht. Blijkt het dat een van beide ten opzichte van een of andere kunst of bezigheid een bijzondere geschiktheid bezit, dan willen we voorhouden dat we die kunst slechts aan één van beide moeten toewijzen; blijkt echter het hele verschil slechts hierin te bestaan, dat de vrouw baart en dat de man teelt, dan bewijst zulks helemaal niet, volgens ons, dat de vrouw van de man verschilt ten opzichte van de vraag die we stelden, en wij zullen blijven geloven dat onze wachters en hun vrouwen dezelfde bezigheden moeten verrichten."(251)

[Dat man en vrouw een verschillende natuur hebben zou dus alleen kunnen slaan op hun verschillende rol in de voorplanting, maar dat op zich zegt niets over hun geschiktheid voor allerlei andere taken. Even denk je dan: hè, wat progressief van die Socrates. Totdat blijkt hoe hij 'de natuur van man en vrouw' wel invult. Die geschiktheid voor taken moeten we namelijk zoeken in de talenten, geschiktheid, en zo verder die man of vrouw van nature hebben. En dan komen de harde conclusies van deze mannen:]

"Kent gij nu één enkel domein van menselijke bedrijvigheid waar het mannelijk geslacht niet in al deze opzichten het vrouwelijke overtreft? Of moeten we gaan zeuren over de kunst van weven en koekbakken en potstoven? Daarin, ja, mag men zeggen dat het vrouwelijke geslacht wel wat kan. (...) Dan is er ook, mijn beste, in het bestuur van de staat geen enkele taak weggelegd voor de vrouw als vrouw of voor de man als man. In beide heeft de natuur haar gaven op gelijke wijze uitgestrooid, en zowel de vrouw als de man is door de natuur tot alle taken geroepen, al dient erkend te worden dat de vrouw in alle moet onderdoen voor de man."(253)

[Van nature zijn vrouwen volgens Socrates dus in vrijwel alle taken de mindere van mannen - met dat idee 'gelijkheid' valt het dus nogal mee. Toch is met het bovenstaande op zich niet uitgesloten dat ook vrouwen taken hebben in het bestuur van de staat, omdat de sekse op zich niet het leidende beginsel is maar de geschiktheid. Vrouwen zullen alleen weinig kans maken wanneer de meest geschikten gekozen worden om het land te leiden, want ze zijn dus nooit 'het meest geschikt' wanneer er vergeleken wordt met mannen. Het gekke is desondanks dat dat niet de weg is die Socrates inslaat. Misschien is dat omdat Glauco opmerkt dat vrouwen soms ook wel beter zijn in 'mannentaken'.]

"Zo mogen we dan besluiten dat, ten opzichte van het bewaken van de staat, man en vrouw dezelfde natuur bezitten. Alleen is ze bij de ene sterker, bij de andere zwakker. ... We zullen vrouwen met zulke begaafdheden moeten uitkiezen om met mannen van dezelfde hoedanigheden samen te wonen en samen te waken, daar ze er de bekwaamheid toe bezitten en van nature een met hen verwante aanleg hebben. ... Wij erkennen dat het niet tegen de natuur indruist de vrouwen van de wachters aan muziek en gymnastiek deelachtig te maken. ... De huidge gebruiken, die daarmee in strijd zijn, lijken veeleer tegennatuurlijk."(253)

"Kleren uit dan! dat zal ook gelden voor de vrouwen van de wachters. [Gymnastiek werd bij de oude Grieken naakt beoefend, dat geldt nu dus ook voor de deelnemende vrouwen - GdG] Hun deugd zal immers hun kleren vervangen. Ook zullen ze deel moeten nemen aan oorlog en aan alle wachtersactiviteiten in de staat, zonder zich met iets anders in te laten. Hierbij dient evenwel aan de vrouwen, en niet aan de mannen het lichtste werk te worden opgedragen: zij zijn immers het zwakke geslacht."(254-255)

Een tweede punt is echter nog veel radicaler: er is sprake van een verdoorgevoerde gemeenschappelijkheid bij die mannen en vrouwen, omdat de volgende bepaling geldt:

"Dat al die vrouwen gemeenschappelijk aan al die mannen zullen toebehoren en dat geen enkele apart zal mogen samenwonen, met niemand; en dat ook de kinderen gemeenschappelijk bezit zullen zijn, en dat geen vader zijn kind of geen kind zijn vader zal kennen."(255)

Socrates meent dat die leefwijze van het grootste nut is voor de staat én voor de wachters (256). Dat zal hij nu proberen aan te tonen. Voor die laatste is die leefwijze een afleider van erotische spanning, omdat mannen en vrouwen nu voortdurend met elkaar optrekken, bijvoorbeeld ook naakt in het gymnasium. Voor de leiders heeft het een ander voordeel: zij kunnen het wachtersras versterken en zuiver houden door te laten 'telen-in-staatsdienst' en 'baren-in-staatsdienst' (259-260). Die leiders bepalen immers op basis van komaf en leeftijd wie met wie een huwelijk sluit en zich voortplant en kunnen er op die manier voor zorgen dat steeds sterker nakomelingen geboren worden. De sterke nakomelingen krijgen een speciale opvang, kinderen van minder-goede ouders worden op een geheime en verborgen plaats ondergebracht.

"Hebben echter de vrouwen en de mannen eenmaal de leeftijd van het telen overschreden [vrouwen: 20-40 jaar; mannen 25-55 jaar - GdG], dan zullen we, zou ik zeggen, de mannen de vrijheid schenken betrekkingen te hebben met wie ze willen, behalve met hun dochter of moeder, met de dochters van hun dochter en met de moeder van hun moeder; dezelfde vrijheid zullen ook de vrouwen genieten, behalve ten aanzien van hun zoon en vader en dezer bloedverwanten in opgaande en afdalende lijn. Dit alles echter onder de uitdrukkelijke en voorafgaande vermaning, dat ervoor gezorgd wordt liefst geen enkele vrucht, als er een zou ontvangen zijn, het licht te laten zien; zou er hier of daar toch een in slagen door geweld ter wereld te komen, laten de ouders zich dan overtuigd houden dat er voor zulk kind geen eten is ."(261)

[Socrates blijft dus gelijke rechten toekennen aan mannen en vrouwen. Hij vergeet bij het bovenstaande trouwens niet dat mannen en vrouwen niet weten wie hun zoon of dochter is, terwijl zonen en dochters niet weten wie hun vader en moeder zijn. Hij maakt er iets heel ingewikkelds van (261). In het algemeen is steeds het idee dat het aantal geboortes gereguleerd moet worden om als staat niet eindeloos te groeien. De leiders regelen dat voor hun wachters die zich in staatsdienst voortplanten, maar dus ook voor de mensen die geen kinderen meer verwekken in staatsdienst.]

Dat deze staatsregeling wenselijk is is één ding, maar nu wordt de vraag (277): is zij wel mogelijk? Socrates antwoordt dat het om een 'theoretisch model van de goede staat' (278) gaat.

"Eis dan ook niet van mij dat ik u aantoon, dat heel die staatsregeling zoals we die in woorden theoretisch hebben uiteengezet, ook in feite en punt voor punt moet kunnen worden verwezenlijkt. Neen, mochten we er al maar in geslaagd zijn, uit te vinden hoe een staat ten naaste bij kan worden ingericht volgens wat we zeiden, dan zullen we moeten toegeven dat we de mogelijkheid hebben ontdekt om het programma te verwezenlijken waar gij op aandringt. Zoudt gij met zulk resultaat geen vrede nemen? Ik wel. hoor!"(279)

[Dat is ongebruikelijk pragmatisch van de over het algemeen absolutistische Socrates, moet ik zeggen.]

"Als volgend punt dan, naar het schijnt, moeten we trachten op te sporen en aan te tonen, welke verkeerde praktijken er in onze huidige staten de oorzaak van zijn dat ze niet zo ingericht zijn als wij voorstellen, en welke - zo gering mogelijke - verandering een staat tot onze vorm van inrichting kan doen overgaan: het liefst slechts één wijziging, of anders twee, of in elk geval zo weinig talrijke en zo weinig belangrijk mogelijke."(279)

[Dat klinkt dan weer weinig revolutionair en behoorlijk voorzichtig.]

Maar één wijziging zou wel zeer aan te bevelen zijn:

"Zolang ofwel wijsgeren geen koningen zijn in hun land, ofwel zij, die nu de titel van koningen of machthebbers dragen, geen echte en volwaardige wijsgeren zijn; zolang de politieke macht niet in éénzelfde persoon samenvalt met de filosofie; en zolang aan de menigvuldige naturen die nu één van beide zonder de andere nastreven, niet met geweld de weg wordt versperd - zolang ook, mijn waarde Glauco, komt er geen eind aan de kwalen die de staten, ja, naar ik meen, de gehele mensheid, teisteren."(280)

Maar, ja: wat is een wijsgeer en wie zijn van nature geschikt om wijsgeer te worden en een leidende rol te spelen in de staat met uitsluiting van anderen die niet geschikt zijn en de wijsgeer zullen moeten volgen (281)? Het moet iemand zijn die totaal verliefd is op kennis en wijsheid op het vlak van de waarheid, iemand die het schone-in-zichzelf liefheeft, of - zoals op p.289 staat - het éne schone, éne rechtvaardige en zo meer. Het gaat dus niet om mensen die zomaar interesse hebben voor alles wat er te zien en te leren is en van de Veelheid houden, het gaat om mensen die de dingen in zichzelf, die het Ene willen kennen. In het eerste geval is er slechts sprake van meningen, in het laatste geval is er pas sprake van kennis.

De 'mening' wordt gepositioneerd tussen 'kennis' en 'onwetendheid' in. 'Kennis' wordt als 'onfeilbaar' gekarakteriseerd en heeft als voorwerp het zijnde zoals het is, terwijl 'mening' het kenmerk 'niet-onfeilbaar' heeft (287) en betrekking heeft op iets wat ergens tussen het zijn en het niet-zijn in ligt (290).

"Doch wat nu gezegd van hen die elk ding-in-zichzelf en al die dingen als eeuwig-onveranderlijk aanschouwen? Moeten wij niet zeggen dat zij de kennis bezitten, en niet de mening?"(290)

[Socrates' woordenspel hier is niet erg overtuigend. Het onderscheid tussen kennis, mening en onwetendheid heeft als basis het onderscheid tussen de dingen en de dingen-op-zichzelf. Kennis is dan absolute kennis van eeuwige en overanderlijke dingen buiten de normaal waarneembare alledaagse werkelijkheid. En filosofen hebben die kennis. Maar als er geen eeuwige onveranderlijke dingen zijn, is er dus ook geen kennis en zijn filosofen pretentieuze kletskousen.]

Klik hier door naar het zesde boek van De Staat .....

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk