>>>  Laatst gewijzigd: 22 mei 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Plato

Voorkant Plato Verzameld Werk PLATO
Euthyphro (Verzameld Werk, deel 1, editie Xaveer de Win)
Antwerpen / Baarn: Nederlandsche Boekhandel / Ambo, 1978;
ISBN 90 2890 3380 (DNB) / 90 2630 4242 (Ambo)

De Euthyphro gaat over de vroomheid. Euthyphro komt Socrates tegen bij de hal van de koning. Socrates is daar omdat hij aangeklaagd is door Meletus vanwege het bederven van de jeugd, de weigering de goden te vereren, en het maken van nieuwe goden / een nieuwe religie [zie ook de Apologie]. Maar het verhaal gaat verder om de reden waarom Euthyphro daar is: namelijk om zijn vader aan te klagen vanwege de moord op een dagloner die zelf tevoren een huisslaaf vermoordde, ook al is het volgens velen in strijd met de vroomheid om je vader aan te klagen.

Natuurlijk wordt de vraag dan wat vroomheid eigenlijk is. 'Vroom' staat tegenover 'zondig'. Zijn die bij verschillende aangelegenheden verschillend? "Of is het vrome op zichzelf niet steeds identiek met zichzelf in elke handeling?"(298), heeft het niet altijd dezelfde verschijningsvorm, net als het zondige? Euthyphro doet een eerste poging om te verduidelijken wat vroomheid is door voorbeelden te geven. Maar dat is niet wat Socrates hem vraagt.

[Een nieuw element komt in het denken van Plato. Het gaat niet om een aantal particuliere voorbeelden, maar om de eigen verschijningsvorm van het vrome zelf, datgene waardoor al het vrome vroom is en waardoor die als norm te gebruiken is voor het beoordelen van het al of niet vrome karakter van handelingen. Zie p.300.]

[Noot 20 op p.318 zegt dat het Griekse woord 'paradigme' is, wat staat voor model, voorbeeld, maatstaf. Vandaar het gebruik van het woord norm in relatie tot de opmerking over de verschijningsvorm. Het is duidelijk dat Plato een goed inzicht heeft in de verschillende aard van verschillende normen. Hij merkt op p.301 op dat maatstaven in meningsverschillen rondom kwantitatieve zaken duidelijk zijn, waardoor het gemakkelijk wordt om het meningsverschil uit de wereld te helpen. Heel anders ligt het bij meningsverschillen rondom recht of onrecht, mooi of lelijk, goed of kwaad.]

Het tweede antwoord van Euthyphro is inderdaad wat meer abstract:

"Wel: vroom is, wat de goden welgevallig is; wat hun niet behaagt, is zondig."(300)

Socrates wijst er echter fijntjes op dat de goden het naar eigen zeggen van Euthyphro geregeld met elkaar aan de stok hebben, en dat kan toch alleen maar zijn als het over belangrijke dingen gaat zoals recht en onrecht, mooi en lelijk, goed en kwaad. Met andere woorden: het is nog helemaal niet eenvoudig om vast te stellen wat de goden welgevallig is en wat niet, omdat de goden het zelfs niet eens zijn met elkaar over of een handeling rechtvaardig is of niet etc. Maar zelfs al zouden ze het allemaal eens zijn over de onrechtvaardigheid van wat Eythyphro's vader deed, dan nog is dat slechts geldig voor die ene handeling. Wat vroomheid en zondigheid eigenlijk - in alle gevallen en alle situaties - zijn, wordt daarmee nog niet duidelijk gemaakt. 'godgevallig' en 'vroomheid' zijn twee heel verschillende dingen. De vraag die er nog steeds ligt is:

"wat is nu eigenlijk de essentie van het vrome, om 't even of het bemind wordt door de goden of welke toevalligheid het ook ondergaat."(307)

[Want wat de een hier voor rechtvaardig houdt, houdt de ander juist voor onrechtvaardig. Het meningsverschil loopt altijd over concrete handelingen, waarvan sommigen beweren dat ze rechtvaardig en anderen beweren dat ze onrechtvaardig zijn (303). Het enige wat er dan op zit, is het zoeken naar de 'essentie', de 'natuur' (307) van het vrome of rechtvaardige of iets dergelijks.]

Socrates vervolgt met een onderzoek naar de verhouding tussen rechtvaardigheid en vroomheid: is alles wat rechtvaardig is ook vroom? of is alles wat vroom is ook rechtvaardig? Het vrome, zo constateert Socrates, is een deel van het rechtvaardige. Welk deel van het rechtvaardige is dus vroom? Euthyphro antwoordt: Dat deel dat 'de zorg voor de goden betreft' en niet het deel dat 'de zorg voor de mensen betreft'. Socrates vraagt dan: ja, maar wat verstaan we dan onder 'zorg'? het bewerken van een zeker welzijn en nut voor degene die verzorgd wordt? Nee, dat is het niet, vindt Euthyphro, het gaat om het dienen van de goden (godsdienst). Maar wat moet dat dienen van de goden tot stand brengen voor degenen die de goden dienen?, vraagt Socrates. Daarop komt geen antwoord, Euthyphro komt met antwoorden die in feite weer terugleiden naar: godsdienst is doen wat de goden welgevallig is. Socrates laat hem flink voelen dat hij toch niet zo erg goed lijkt te weten wat vroomheid eigenlijk is en Euthyphro gaat er als een haas vandoor.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk