>>>  Laatst gewijzigd: 15 mei 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Menselijke mogelijkheden

Voorkant De Waal Malefijt 'Beelden van de mens' Annemarie de WAAL MALEFIJT
Beelden van de mens - Geschiedenis van de culturele antropologie (vert. van Images of man - A history of anthropological thought van 1974)
Baarn: Ambo, 1975, 315 blzn.; ISBN: 90 2632 0108

[Samenvatting van een boek dat ik vroeger las, een samenvatting die ik even gedigitaliseerd heb. Het boek geeft een redelijk overzicht van de geschiedenis van de culturele antropologie en onderzoekers en de thema's die daarin een rol speelden. Maar vandaag de dag zijn er natuurlijk veel betere en actuelere boeken over dat onderwerp. Voor wat het waard is.]

(7) Voorwoord

Binnen de antropologie is er inmiddels belangstelling voor de geschiedenis van het vak. Niet zo raar:

"Antropologische vragen zijn universele vragen, gegrond in de existentiële noodzaak om menselijk bestaan en menselijk gedrag te begrijpen. (...) De bestudering van de mensheid - de kern van de antropologie - is een van de oudste onderwerpen van serieuze reflectie."(7)

Alleen gebeurt dat nu op een andere manier dan in de Oudheid.

(11) 1. In den beginne

De reizigers in de klassieke Oudheid beschreven andere culturen. Voorbeelden: Xenophanes van Colophon, Herodotus. Bepaalde opvattingen bestaan dan al, bv. superioriteitsdenken bij sommigen en cultureel relativisme bij anderen (zoals bij de Sofisten: Protagoras van Abdera; soms doorslaand in nihilisme); beelden van maatschappelijke ontwikkelingen van oer tot modern (evolutionistische opvattingen); het zoeken naaar universele waarden (Socrates, Plato, Aristoteles).

(19) 2. De middeleeuwen en het begin van de grote reizen

De crisis in en de ondergang van het Romeinse Rijk, de opkomst van het christendom, pessimistische visies op het leven op aarde en de mensen (Augustinus).

"De mens zelf was, in de beroemde woorden van Augustinus, 'onoprecht, gemeen, verdwaasd en bezoedeld', wezenlijk slecht en gespeend van rede. Aldus sloot Augustinus de deur voor vrijwel elke vorm van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Alles wat God de mens had bestemd te weten over natuur en samenleving was geopenbaard in de Heilige Schrift, en wat daarin niet geopenbaard was, was bestemd om verborgen te blijven."(20)

[Dat is nog eens een positief en open uitgangspunt, ugh.]

Naast de bijbel was de geschiedenis een bron waaruit mensen gods bedoelingen met de wereld konden leren kennen. Christenen mochten dus wel de geschiedenis bestuderen en deden dat met overgave: Orosius, een leerling van Augustinus schreef bv. de Historiae adversus paganos waarin veel etnografische beschrijvingen opgenomen waren. Dat werd een werk van grote invloed, net als een ander werk, de Etymologiae van Isidorus van Sevilla.

In de dertiende eeuw werd dat pessimisme van Augustinus losgelaten, mede door de herontdekking van werken uit de Oudheid, en groeide de behoefte aan onderzoek. Thomas van Aquino, Roger Bacon zijn voorbeelden. Er bestond een unilineaire visie op de geschiedenis met als uitgangspunt dat er sprake was van vooruitgang.

"Antropologen bestuderen mensen en culturen om een besef van sociale verantwoordelijkheid te verwerven, om richting te kunnen geven in situaties van onvermijdelijke veranderingen, om universele waarden te ontdekken of om menselijk lijden te kunnen verzachten."(24)

Al in de middeleeuwen waren er veel ontmoetingen met andere volken door de kruistochten, reizende missionarissen, handelsreizen, etc. (denk aan Marco Polo). Met de ontdekkingsreizen van de vijftiende en zestiende eeuw groeide het contact met allerlei exotische volken en culturen in hoog tempo. En dus ook de reisverslagen. Een stimulans daartoe kwam ook van geleerden als Pietro Martire d'Anghiera, Jerome Turner, William Bourne, Albert Meier, Bernard Varen. Die reisverslagen varieerden van positief en tolerant tot etnocentrisch en negatief.

"Er verschenen honderden beschrijvingen en samenvattingen waarin informatie vastgelegd is over volkeren en toestanden die niet langer bestaan. Zij verschilden geweldig in reikwijdte en accentuering. Hoewel in enkele meer sympathie en begrip voor inheemse volken werd getoond dan in andere gingen de meeste zonder meer uit van de superioriteit van de westerse beschaving. (...) Als de indianen dan geen dieren waren, dan waren het in elk geval minderwaardige mensen en het kwam zelden bij iemand op te menen dat het de moeite waard was de indianen zelf of hun culturen te bestuderen als doel in zichzelf."(30)

Uitzondering onder invloed van het opkomende humanisme (Erasmus, Moore): Michel de Montaigne.

"Tegen het einde van de zestiende eeuw waren de voornaamste ingrediënten van een objectieve benadering bij de studie van maatschappij en cultuur aanwezig: de losmaking van de theologie, een afnemende afhankelijkheid van oudere autoriteiten en een in beschouwing nemen van schriftloze en schrifthebbende culturen voor vergelijkende doeleinden. Nog afwezig waren systematische, objectieve waarnemingen en de bewuste toepassing van wetenschappelijke beginselen. Deze beginselen werden in de volgende eeuw ontdekt."(35)

(36) 3. De opkomst van de wetenschap

Uiteraard over Francis Bacon en zijn voorstellen voor een totaal nieuwe empirische methode binnen de wetenschappen. En over René Descartes en Thomas Hobbes.

"Hij [Hobbes - GdG] aanvaardde de methoden van de nieuwe wetenschap en was daarmee de eerste geleerde van de zeventiende eeuw die een consistente materialistische en wetenschappelijke verklaring van mens en maatschappij bood."(38)

Herbert van Cherbury analyseerde alle religies zonder vooringenomenheid (natuurlijke religie), terwijl Hugo de Groot schreef over het natuurrecht als basis van het samenleven van mensen. Zijn volgeling Samuel Pufendorf (1632-1694) draaide het om: het sociale leven was juist de basis van het natuurrecht.

"Dit standpunt was ook strijdig met de theorie van Hobbes die stelde dat de aard van de mens niet-sociaal was. Pufendorf zette uiteen dat het juist het wezen van de mens was om een sociaal leven te leiden, en dat mens en samenleving wezenlijk hetzelfde waren. Eveneens in tegenstelling tot Hobbes beweerde Pufendorf dat de vroege mens (of de natuurmens) niet in staat van voortdurende oorlog leefde, maar dat de vroege samenleving er een was van samenwerking en vriendschap, omdat zonder dat de menselijke soort zich nooit had kunnen voortplanten. Politieke organisatie ontwikkelde zich omdat de natuurlijke vrede precair was. Maar de ontwikkeling van de staat was geen noodzakelijke ontwikkeling: deze ontwikkeling vond in sommige samenlevingen plaats, niet in alle. Vele kleine samenlevingen die bekend waren deden het zonder staatsinrichting. Samenlevingen werden dus niet beheerst door onveranderlijke natuurwetten die zelf zo geheimzinnig zijn als goddelijke wetten. Hoewel het de aard van de mens was om sociaal te leven, nam dat sociale leven zelf verschillende vormen aan, zoals ruimschoots kon worden aangetoond aan de hand van vele bestaande culturele variaties."(40)

[Waarom zijn Hobbes en Locke zo bekend en niet Pufendorf van wie ik zelfs nog nooit gehoord had? De laatste heeft duidelijk meer voeling met de werkelijkheid dan Hobbes, en Pufendorfs denken had een leidraad moeten vormen voor anderen, niet dat ongelooflijk onwerkelijke denken van Hobbes.]

"Hoewel Hobbes al had gezegd dat de menselijke rede niets dan 'rekenen' is bereikte het idee dat mensen machines waren een hoogtepunt in de geschriftenvan een Franse arts, Julien O. de la Mettrie (1709-1751)"(42)

[Hm, dus Hobbes ligt ook al aan de basis van een puur kwantitatieve en mechanische kijk op het menselijke kennen en denken.]

"Het feit dat de samenleving van menselijke makelij was, was een triomfantelijke ontdekking van Vico [Giambattista Vico - 1668-1744 - GdG], en niemand vóór hem had dat ooit zo uitdrukkelijk gesteld."(43)

"Alles bij elkaar is Vico een zeer belangrijk figuur, met speciale betekenis voor de antropologie. Deze wetenschap zou niet kunnen bestaan zonder het inzicht dat de samenleving van menselijke makelij is, dat sociale veranderingen het best in hun eigen context verklaard kunnen worden, dat een historisch perspectief noodzakelijk is om cultuur te begrijpen en dat schriftloze volken geheel en al deel hebben aan de culturele traditie van de mensheid.
Spoedig na Vico's dood werden zijn geschriften vergeten."(44)

Terwijl Montesquieu juist weer wel door antropologen gekend wordt.

[Weer zo'n voorbeeld dat iemand die zeer origineel nadenkt niet gekend wordt. Het is schokkend hoe groot de rol van het toeval is in de opbouw en ontwikkeling van kennis. Geen wonder dat die ontwikkeling zo langzaam gaat en tot zo veel domme ideeën leidt.]

Bespreking van allerlei Verlichtingsdenkers.

"Turgot vatte cultuur als sociaal geleerd gedrag op en tal van opmerkingen onthullen dat zijn inzichten in de aard van de cultuur heel dicht bij die van moderne antropologen staan."(48)

"De Brosses [Charles de Brosses - 1709-1777 - GdG] benadrukte de redeloosheid van de vroege mens, die in zijn ogen niet alleen barbaars en noodlijdend was, maar ook leefde in 'een staat van woeste domheid', zwakbegaafd, krankzinnig, ziek en bezeten van angst.(...)
De Brosses liep in zekere zin vooruit op alle negatieve aspecten van de negentiende-eeuwse evolutionisten. De theorie van primitieve domheid keerde weer in de geschriften van Lévi-Bruhl, Freud, Frazer, Tylor en Radin. Zijn zienswijze ten aanzien van de unilineaire vooruitgang was nog dogmatischer dan die van de latere unilineaire evolutionisten."(53)

(55) 4. Antropologie een zelfstandige discipline

"Hoewel de achttiende eeuw vaak het tijdperk van de Rede wordt genoemd, waren geleerden uit die tijd helemaal niet zo zeker van het universele karakter van menselijke redelijkheid. Toen zij hun speurtocht naar het ontstaan van de rede ter hand namen konden zij wel wijzen op de voortgang van de technologie maar niet op een steeds toenemende verbetering van sociale levensomstandigheden. De conclusie was dat de mens óf niet zo erg redelijk is, óf zijn rationaliteit niet op de juiste wijze gebruikt - wat op zichzelf niet zo van redelijkheid getuigde.(...)
Hoewel zij niet altijd zo zeker waren van vooruitgang in het verleden, waren zij in het algemeen optimistisch grestemd met betrekking tot de toekomst."(55)

Tot aan de Franse Revolutie:

"De verschrikkingen die daarmee gepaard gingen en het niet in vervulling gaan van de verwachtingen scheen de menselijke rede te logenstraffen evenals het voortzetten van de vooruitgang. De discussie na de revolutie concentreerde zich op deze problemen en de rede werd op den duur verworpen. Vooruitgang was geen duidelijk element in het dagelijks leven. Deze overwegingen leidden tot het denkbeeld dat het verleden misschien wel beter was geweest dan het heden. Dit denkbeeld verscheen in diverse vormen en maakte van sommigen romantici, van anderen reactionairen."(55)

[Het Verlichtingsdenken, samen met het idee van opvoeding en onderwijs van de bevolking, werd dus niet doorgezet. Waarschijnlijk zie je daar de gevolgen van het feit dat de meeste Verlichtingsdenkers uit de bovenlaag van de samenleving kwamen. Ze konden het over het algemeen goed vinden met verlichte despoten, maar niet met het morrende volk dat in grote armoede leefde. Ze begrepen de opstand en de wreedheid tegenover anderen niet van mensen aan wie niemand zich iets gelegen had laten liggen en haakten af uit angst voor hun eigen luxueuze positie. Slechte opvoeders dus, die een opstandig kind niet wisten te bezielen. Met de Romantiek en de Reactie zie je de irrationaliteit weer opkomen, mensen stappen weer in religie, in mythes. En dát is de oorzaak geworden van alle totalitaire ideologieën, met name in de twintigste eeuw, en niet de idealen van de Verlichting zoals postmodernen zo graag roepen.]

De Romantiek stimuleerde vanuit haar nostalgie het bestuderen van schriftloze culturen. De Reactie met mensen als Joseph de Maistre en V.G.A. de Bonald hadden weer andere invloeden, bv. op Comte en Durkheim: het individu is niet belangrijk ('de mens is slechts een instrument Gods' schijnt De Maistre geschreven te hebben), de sociale wetmatigheden kunnen los van individuele personen bestudeerd worden, functionalisme.

"In deze periode voltrok zich de scheiding tussen de antropologie en de sociologie die tot dan toe nauwelijks had bestaan. De antropologen richtten zich op de studie van schriftloze culturen."(67)

"Charles Darwin (1809-1882) kondigde zijn evolutieleer een jaar na de dood van Comte aan, maar tijdens het leven van Marx, Engels, Spencer, Tyler en Morgan. Er is vaak gezegd dat Darwin evolutie niet uitvond maar bewees."(70)

(81) 5. Tylor, Morgan en Frazer

De antropologie begon dus niet met de boeken van Edward Tylor (1832-1917), er was al een hoop aan voorafgegaan. Maar zijn definitie van cultuur was belangrijk: cultuur is verworven. Hij vond dat er in grote lijnen wel sprake was van vooruitgang in beschaving. Daarbij benadrukte hij het verzamelen van gegevens uit de eerste hand via veldwerk, gebruikte hij statistiek, wees hij op het verschijnsel 'survivals' (van oude patronen van doen die nog steeds bestaan hoewel de oorspronkelijke context ervan al lang verdwenen is).

"Hoewel Tyler van vele culturele instituties mogelijke stadia reconstrueerde, deed hij dat het meest uitgebreid op het gebied van de religie."(85)

Een andere grootheid op het gebied van de antropologie was Lewis Morgan (1818-1911), die wat dogmatischer was op het vlak van de evolutie van culturen. Hij hield zich intensief bezig met de ontwikkeling van verwantschapsrelaties

"van primitieve seksuele promiscuïteit via vijftien evolutiefasen naar moderne monogamie."(91)

[Tjonge, over etnocentrische projectie gesproken. Echt zo'n gebied waar stiekeme positieve en negatieve waarderingen een rol spelen. In hoeverre slaagt iemand er in de feiten weer te geven zonder waardeoordelen? Is er echt sprake van een ontwikkeling? En zo verder. Maar van grote invloed op Marx en Engels.]

Een derde grootheid is de Schot James Frazer (1854-1941) die het twaalfdelige The Golden Bough - over magie en religie - publiceerde (1890 en erna) en daarmee wereldwijd bekend werd. Hij concentreerde zich op feiten, theorieën vond hij betrekkelijk. In feite construeert hij een evolutie van menselijk gedrag die boeiend is , maar niet verifieerbaar.

"In de recensies van dit werk wordt zijn invloed op een menigte geleerden vaak vermeld: Marett, Lang, Haddon, Rivers, Crawley, Junod, Seligman, Van Gennep, Westermarck, Durkheim, Mauss, Freud, Wundt, Anatole France, T.S. Eliot, Ezra Pound ... de lijst is eindeloos. In de meeste gevallen wordt de mate van deze invloed niet gespecificeerd en wordt er weinig meer gezegd dan dat de betrokkenenen zich door Frazer bewust werden van antropologie."(96)

(101) 6. Diffusie en migratie

Verschillende ideeën over de verspreiding van culturele elementen, van extreem tot minder extreem. De extreme opvatting vinden we bij Grafton Eliot Smith, W.J. Perry, H.R. Rivers: alles verspreidde zich vanuit één beschaving - bv. de Egyptische - via diffusie of migratie. Degenratie was kenmerkend voor die ontwikkeling.

"Meervoudige oorsprongen, onafhankelijke uitvinding, veelvoudige verspreidingen, psychische eenheid, vooruitgang, evolutie en survivals werden alle in een geweldige klap afgeschaft."(104)

"De enigszins verwant cultuurhistorische beweging, die bekend staat als de school van de Kulturkreis was veel wetenschappelijker. Haar aanhangers onderzochten alle culturele kenmerken tot in detail en met Duitse grondigheid. Ook deze beweging ontwikkelde zich als een reactie op het evolutionisme en betwijfelde de psychische eenheid en de inventieve vermogens van de mens, maar haar belangrijkste verklaringsprincipe was veeleer migratie dan diffusie."(106)

Vertegenwoordigers: Friedrich Ratzel, Leo Frobenius, Fritz Graebner, Wilhelm Schmidt. Stevige kritiek op de evolutionisten daar, inderdaad, op hun gebrek aan nauwkeurigheid, op hun vooringenomen ideeën over ontwikkeling (bv.: alles wordt complexer), op dat ze hun cultuur normatief maakten voor andere culturen, op dat ze uitgingen van een vooruitbedachte ordening waarin alle culturen dan maar moesten passen. Overigens bleek dat het onmogelijk was om cultuurkringen vast te stellen en daarmee had deze school in de antropologie ook zelf haar tekortkomingen. De dynamiek van culturele veranderingen en ontwikkelingen blijkt erg moeilijk te verklaren.

(120) 7. Functionalisme

De methode van het functionalisme werd in het eerste deel van de 20ste eeuw door steeds meer mensen aanvaard. Vertegenwoordiger: Émile Durkheim. Die schreef over de methoden van de sociologie, over individualisme en collectiviteit, homogeen en heterogeen samenleven als functie van de arbeidsdeling, over de oorzaken van zelfmoord, over religie als een sociaal feit met een sociale betekenis. Andere vertegenwoordigers: Henri Hubert, Marcel Mauss, Lucien Lévy-Bruhl, A.R. Radcliffe-Brown, Malinowski. En zo verder.

(150) 8. Amerikaanse antropologie

De indianen als thema voor de bewoners van de nieuwe wereld. Amerikaanse antropologen hebben een schat aan gegevens verzameld over de indianen. Aan de theorie hebben ze in eerste instantie juist minder bijgedragen. vertegenwoordigers uit die vroege periode: Thomas Jefferson, Albert Gallatin, H.R. Schoolcraft, A.F. Bandelier, J.W. Powell, Joseph Henry. Later ook Franz Boas die de invloedrijkste figuur van de 20ste eeuwse antropologie werd. Hij leidde enorm veel bekende antropologen op, zoals Sapir, Herskovitz, Mead, Benedict, etc.

(175) 9. Antropologie en het begrip ras

'Ras' is als indelingscategorie bijzonder omstreden, omdat iets biologisch gekoppeld werd aan karakter, geestelijke mogelijkheden, en zo verder zonder dat dat aantoonbaar was en tegelijkertijd ook nog eens gekoppeld werd aan ideeën over de superioriteit van het blanke ras. Vertegenwoordigers: J.F. Blumenbach, F.J. Gall (frenologie), A. Retzius, S.G. Morton, J.C. Nott, J.C. Prichard. Ook Darwin en Spencer werden deelnemers aan de discussie. Later ook Francis Galton (eugenetica).

"De moeilijkheden die alle eugenetische schema's, inclusief dat van Muller, met zich meebrengen, zijn niet alleen ethisch van aard, maar hebben ook betrekking op de onbesliste positie van de relatie tussen genetische factoren en geestelijke vermogens. Hoewel genen en bekwaamheid op bepaalde wijze samenhangen, geven genen alleen potenties aan en zijn ze niet bepalend voor de uiteindelijke resultaten. De stimulans van de omgeving zal inwerken op het genetisch potentieel en omgeving is alles wat invloed uitoefent op het individu, hierbij inbegrepen gelegenheid tot onderwijs, economische omstandigheden, huiselijke omgeving en cultuur in het algemeen."(196-197)

Bespreking van het sociaal darwinisme van W.G. Sumner - die vond dat sociale ongelijkheid vanzelfsprekend was, alle sociale vangnetten veroordeelde, en vond dat geld hebben een aanwijzing was voor sociale geschiktheid.

Boas was degene die het racisme bestreed door simpelweg empirisch aan te tonen dat stellingen over de vorm van de schedel in relatie tot intelligentie en zo verder, en andere stellingen simpelweg niet klopten. Ook de IQ-testen die door racisten werden aangegrepen om de witte suprematie te verdedigen, werden bekritiseerd en aangetoond werd dat ze cultureel bepaald waren (Otto Klineberg).

(207) 10. Psychologische antropologie

Gaat over de relatie tussen cultuur en persoonlijkheid. De - zwaar bekritiseerde - rol van Freud's werk daarin. De tegenstelling tussen psychoanalytici als Ernest Jones, Géza Róheim (vaak dogmatisch) en antropologen als Malinowski, Kardiner, Eggan, Mead. De antropoloog Sapir probeerde met Whorf een brug te slaan via de psycholinguïstiek. Ook aan de psychanalyse-kant werd een andere insteek gekozen enwerd veel aandacht besteed aan de ontwikkeling en opvoeding van kinderen, bijvoorbeeld door Erik Erikson. Ook Bruno Bettelheim begaf zich op cultureel-antropologisch terrein. Ideeën over 'psychische eenheid' floreerden weer, terwijl cultureel relativisme werd bekritiseerd.

(226) 11. Sociale antropologie in Engeland

Grondleggers zijn Malinowski en Radliffe-Brown, een practicus en een theoreticus. Beiden worden uitvoerig besproken. Engelse antropologen concentreerden zich in hun veldwerk voornamelijk op Afrika.

(241) 12. De nieuwe antropologie

Na WO II werd er intensief nagedacht over methoden en ontstonden nieuwe specialismen. De belangstelling voor transculturele analyse groeide en ook de evolutiegedachte keerde weer terug..

"De belangstelling voor trnasculturele analyse zorgde ervoor dat onderzoekers hun aandacht gingen richten op pogingen universalia in cultuur te ontdekken, in het besef dat menselijk gedrag flexibel is, maar slechts tot op zekere hoogte en dat culturen variëren maar ook gemeenschappelijke bestaansgronden bezitten."(241)

Bespreking van allerlei andere grottheden in de antropologie zoals Lévi-Strauss, Noam Chomsky, en anderen en hun zoeken naar structuren.

(269) 13. Culturele antropologie in Nederland

Heeft in het begin meestal een relatie met 'Nederlands-Indië', met het koloniale verleden dus. Vertegenwoordigers (met name aan de universiteiten van Leiden, Amsterdam en Utrecht): G.A. Wilken, S.R. Steinmetz, J.P.B de Josseling de Jong, J.J. Fahrenfort, A.J.F. Köbben, H.Th. Fischer. Typisch voor Nederland is ook de discipline 'sociologie der niet-westerse volkeren'. Na de dekolonisering verschoof de aandacht naar andere gebieden, waaronder Afrika.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk