>>>  Laatst gewijzigd: 15 mei 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Menselijke mogelijkheden

Voorkant Huxley 'Het menselijk bestaan' Aldous HUXLEY
Het menselijk bestaan (oorspr. titel: The human situation, 1977, lezingen uit 1959)
Amsterdam: Bert Bakker, 1979, 256 blzn.; ISBN: 90 6019 6031

[Dit boek bundelt een aantal lezingen van de befaamde romanschrijver uit 1959, dus nog voor allerlei belangrijke gebeurtenissen en uitvindingen die de loop van de geschiedenis behoorlijk beïnvloed hebben. Huxley wil er een brug slaan tussen feiten en waarden, en inderdaad is hij helemaal niet bang om normatieve standpunten in te nemen. Jammeer genoeg pleit hij ook voor een herleving van 'het religieus gevoel' wat natuurlijk de deur openzet naar allerlei ellende vanuit de grote godsdiensten en kerken. De eerste 100 bladzijden van dit boek zijn het interessantste, daarna ordt het steeds vager en oppervlakkiger.]

(9) Geïntegreerd onderwijs (9 februari 1959)

Dit stuk is een soort van inleiding bij alle lezingen. Het stelt het probleem van de extreme specialisatie in kennis aan de universiteiten aan de orde en geeft een pleidooi voor geïntegreerd onderwijs.

"De functie van de letterkundige in deze context is nu precies dat bruggenbouwen tussen kunst en wetenschap, tussen objectief waargenomen feiten en de onmiddellijke ervaring, tussen morele en wetenschappelijke maatstaven."(11)

Een bepaalde taal of woordenschat is nodig om de wereld van begrippen en abstracties, de wereld van de onmiddellijke ervaring en de wereld van de geestelijke openbaring samen te brengen.

[Aldous Huxley erkent blijkbaar de religie en de theologie als werkelijkheden die van belang zijn.]

Het wetenschappelijk proces hoort een ethisch proces te zijn, eentje van nederigheid, gericht op het helpen van de mensheid zoals Bacon zo nadrukkelijk aangaf.

"Wat Bacon voortdurend duidelijk wilde maken was dat kennis zonder liefde iets zeer verdorvens is en zelfs gevaarlijk kan zijn."(17)

"Wij stellen ons slechts ten doel verschillende aspecten van de menselijke situatie te bekijken om na te gaan hoe we tussen feiten en waarden bruggen kunnen slaan."(18)

(20) De mens en zijn planeet (16 februari 1959)

Mensen hebben de rijkdommen van deze planeet in veel gevallen vernietigd (het voorbeeld vsan de ceders in Libanon). Het besef van de rol die mensen spelen in het veranderen van de natuur begon pas eind 18e eeuw te ontstaan (boek van George Perkins March). Die rol kan positief zijn (de export en import van andere gewassen en dieren), maar zeker ook negatief.

De mens is geen verstandige parasiet, want vernietigt zijn gastheer. Allerlei dieren zijn uitgestorven (bisons en Indische neushoorn als voorbeeld). Ontbossing, bosbranden, overbeweiding (de rol van schapen en geiten) en bodemerosie waren en zijn aan de orde van de dag (om gemakkelijker te kunnen jagen, voor landbouwgrond, voor de verwarming van huizen, als energiebron voor bepaalde industrieën als de metaal- en glasindustrie, voor de bouw van huizen en schepen) en herbebossing is daardoor moeilijk.

"Deze combinatie van menselijke destructiviteit en bevolkingstoename is een angstwekkend feit dat in alles doorwerkt."(30)

"Helaas is het geen opwekkend schouwspel te zien wat de mens met zijn wereld doet. En de mogelijkheden om het opwekkender te maken zijn uiterst beperkt. In een van de volgende lezingen zal ik trachten vanuit deze feiten een brug te slaan naar het ethische vraagstuk, de vraag wat onze filosofische houding tegenover de natuur zou moeten zijn."(34)

(36) Nog wat natuur in de kunst (2 maart 1959)

We hebben tegenwoordig de kennis om de ontstane schade in de natuur voor een deel te herstellen en verdere vernielingen te voorkomen. Maar of dat ook werkelijk gedaan wordt hangt af van de mensen die er noodzakelijkerwijs bij betrokken moeten worden (bv. boeren) en of we in staat zijn hen te overtuigen om anders te werk te gaan, wat gezien de snel toenemende bevolking erg moeilijk zal zijn.

"Hoe kunnen we de mensen er met democratische middelen toe bewegen maatregelen te accepteren die op lange termijn voortreffelijk zijn, maar op korte termijn weinig aantrekkelijk? Hoe breng je mensen ertoe de grond niet uit te putten, terwijl ze een wanhopige behoefte aan voedsel hebben en die behoefte ieder jaar groter wordt? Dat is niet alleen kwestie van organisatie en kapitaal. Het punt is vooral hoe je de mensen ertoe brengt bepaalde ideeën over te nemen. Het probleem is dus dat het ernaar uitziet dat het wel bijzonder moeilijk zal zijn de talloze miljoenen zonder al te veel totalitaire dwang en controle ertoe te bewegen een handelwijze te volgen die wij op grond van onze wetenschappelijke inzichten als de beste beschouwen."(37)

Democratie in combinatie met overreding en opvoeding kost tijd en gezien de stand van zaken is er niet veel tijd meer. Ethisch uitgangspunt: als we goed behandeld willen worden door de natuur moeten we zelf de natuur ook goed behandelen. Aan de natuur worden dus rechten toegekend en mensen hebben tegenover die natuur plichten. Dat is een beandering die in de westerse traditie niet voorkomt.

"Het is bijzonder ongelukkig dat deze gedachte geen ingang heeft gevonden in de joods-christelijke traditie, die ervan uitgaat dat de mens heerser over de schepping is, in een bepaald opzicht los staat van de natuur en vrij is ermee te doen wat hij wil."(39)

De eenheid van mens en natuur zoals ervaren in het totemisme werd alom losgelaten. Met Darwin kwam er wel weer een soort van ommekeer. En inmiddels is wel duidelijk: er is sprake van fysiologische en psychologische afhankelijkheid van mensen van de natuurlijke omgeving en het is daarom belangrijk het ecologische evenwicht niet te verstoren.

"Een ethiek en filosofie zijn erg belangrijk om de geschikte mentale instelling teweeg te brengen die nodig is, willen we op de juiste wijze met onze natuurlijke omgeving omgaan, maar we hebben meer nodig dan een ethiek en een filosofie. We hebben ook een bepaalde schoonheidsbeleving nodig, een gerichte sensibiliteit die onze gevoelens en gedachten op artistieke wijze naar de wereld toe polariseert."(45)

Huxley heeft het in het vervolg over dichters en landschapsschilders van West en Oost, over natuurmystiek, spirituele banden tussen mens en natuur, de religieuze dimensie. Het verontust hem dat die gevoelsmatige kant vandaag de dag grotendeels verdwenen is.

"Natuurlijk had het niet altijd hetzelfde kunnen blijven. We kunnen nooit blijven herhalen wat vroeger gebeurd is. Maar de algemene tendens zou meer in de richting gaan van gezondheid en werkelijk religieus gevoel en daarvan zouden we tegenwoordig best wat meer kunnen gebruiken."(48)

[Ik houd niet zo van dat soort taalgebruik. Huxley wil graag meer 'gevoel' voor de natuur, wat me juist lijkt, maar door het 'religieus' te noemen geef je juist weer de kans aan allerlei mensen die daar bepaalde levensbeschouwingen bij denken die juist desastreus blijken te kunnen zijn voor de natuur. Ik houd het liever bij neutrale termen: respect / eerbied / liefde voor de natuur.]

(49) De bevolkingsexplosie (9 maart 1959)

Cijfers over de exponentiële groei van de wereldbevolking. Relatie daarvan met de manieren om voedsel te genereren (verzamelen, jacht, landbouw, industrialisering) en met gezondheidszorg. Die bevolkingsgroei moet ooit leiden tot reacties zoals die in de natuur gebruikelijk zijn: hongersnood en epidemieën, tenzij we zelf komen met een "intelligente, rationele en humane oplossing"(55). Het opvoeren van de landbouwproductie en geboortenbeperking kunnen daar een deel van vormen, maar dat vraagt ook een mentaliteitsverandering en dat is dus niet eenvoudig gebleken: politiek is een ramp, een basisopleiding voor iedereen is juist door die bevolkingsgroei zelf ook moeilijk te realiseren

[Wel grappig is dat die lezingen gegeven werden toen de negatieve effecten van DDT nog onbekend waren. Huxley heeft het er in een aantal gevallen over als een geweldig middel. De situatie die hij schildert is dus nog nijpender, omdat de ecologie complexer in elkaar steekt dan toen bekend was. Een ander ding: 'de pil' moest nog uitgevonden worden, maar toen hij er was kon die juist weer positief bijdragen aan het controleren van de bevolkingsgroei.]

"Als het menselijk leven tot doel heeft - en ik neem aan dat de meesten van ons het hiermee wel eens zullen zijn - de potentiële mogelijkheden van het individu zoveel mogelijk en op de beste manier te ontplooien en een samenleving op te bouwen die een dergelijke ontplooiing mogelijk maakt, hebben we thans voldoende feitenmateriaal voorhanden om rationeel en filosofisch over het bevolkingsprobleem na te denken."(61)

De kwantitatieve toename is het kernprobleem en moet gestopt worden.

"Wat dit laatste betreft kan men zeggen dat het probleem van de kwaliteit en de kwantiteit in feite een religieus probleem is. Want wat is religie anders dan het bezig zijn met de bestemming en het lot van het individu en de samenleving of het ras in zijn totaliteit?"(63)

[Dit is echt geen goede insteek. Als religie alleen dát was dan hadden we al helemaal geen religie nodig, want dat kan ook als onderwerp gezien worden van een seculiere filosofie. Maar religie is juist veel meer dan dat, religie brengt mensen bij elkaar onder een regime, is georganiseerde religie, en kan als organisatie bijvoorbeeld volstrekt dwars liggen in de aanpak van het probleem van de geboortenbeperking zoals de rooms-katholieke kerk doet, een feit dat Huxley zelf noemt. Dus houdt de religie erbuiten. Het probleem van de menselijke bestemming moet niet beschreven worden als een religieus probleem maar als een filosofisch probleem.]

(65) Hoe erfelijk is de erfzonde? (16 maart 1959)

Is de goedheid of slechtheid van de mens aangeboren? Over Augustinus en Pelagius / Helvétius.

"Uit theologisch oogpunt zouden we de mensen die de behaviouristische gedachtelijn volgen pelagianen kunnen noemen, terwijl degenen die meer de erfelijkheidsfactoren benadrukken tot de volgelingen van Augustinus gerekend zouden kunnen worden. De waarheid zal zoals gewoonlijk ergens tussen deze twee uitersten in liggen. Het lijkt zonneklaar dat erfelijkheidsfactoren - natuur - en omgevingsfactoren - opvoeding - even belangrijk zijn en dat we in feite nooit een van de twee kunnen isoleren."(69)

Volgt meer uitleg over erfelijkheid. De mens is de meest variabele soort. Anatomisch in allerlei onderdelen: hand, hart, darm, alvleesklier, zenuwstelsel en hersnen: er bestaan allerlei soms vergaande anatomische verschillen wanneer we mensen met elkaar vergelijken. Ook fysiologische reacties verschillen enorm (hormonen, enzymen).

"Er is dus wel degelijk een erfelijke basis voor de vele psychische verschillen die we constateren; ze worden dus niet alleen door omgevingsfactoren bepaald."(71)

"De tegenwoordige tendens om de betekenis van de genetische factor te onderschatten hangt in de meeste gevallen samen met een bepaalde politieke of filosofische overtuiging."(75)

Het orthodoxe marxisme wordt genoemd,waarbinnen de erfelijkheid veel minder belangrijk gevonden wordt dan de omgeving.

"Welke consequenties heeft de enorme genetische variabiliteit van de mens voor de wereld van de waarden en de wereld van het denken?"(76)

Het maakt vrijheid en een zekere mate van zelfbeschikking belangrijk (de vrijheid om anders te zijn dan anderen) en daarmee ook tolerantie. Daartoe moet conformisme gerelativeerd worden (dat mensen juist in een uniform keurslijf dwingt) en moeten levensomstandigheden geoptimaliseerd worden (je moet voldoende te eten hebben etc. voordat je je eigen unieke zelf kunt ontplooien).

(80) Oorlog en nationalisme (13 april 1959)

Oorlog is niet iets wat voortkomt uit de biologische natuur van de mens. Het is een sociaal bepaald verschijnsel waarvan we ons dus zouden kunnen bevrijden. Het is gebaseerd over ideeën over de natie en nationalisme.

(96) De toekomst van de wereld (20 april 1959)

Verschillende beelden over de toekomst, vooruitgang, en het leven na de dood worden besproken. Daarna doet Huxley concrete voorspellingen op verschillende terreinen.

[Deels zijn die uitgekomen en deels niet, maar de beschrijvingen zijn in feite nogal vaag. Er zit toch wel een erg groot optimisme over de bijdragen van de techniek in deze tekst van 1959. Dat is merkwaardig, want Huxley is bepaald maatschappijkritisch. Ik denk niet dat de rol van de techniek in dit jaar 2013 nog zo gezien wordt.]

(113) Het leven van de individuele mens (21 september 1959)

Over de relatie tussen individu en samenleving en individu en geschiedenis. Er bestaat een fundamenteel verschil tussen generalisaties over individuen en generalisaties over de samenleving. Anders gezegd: wat in grote lijnen geldt of historisch belangrijk is, geldt nog niet voor het individu of is niet iets waar het individu deel van uitmaakt. Vooruitgang als probleem voor samenleving en individu.

[In dit stukje springt Huxley nogal van de hak op de tak. Ook ontbreekt het af en toe aan nuances in zijn oordelen, zoals over ouderen en hun aftakeling: ook al takel je lichamelijk af, dat betekent niet per se dat je ook geestelijk aftakelt. Hoe dan ook is de situatie erg veranderd door de ontwikkeling van de (nieuwe) media die mensen voortdurend op de hoogte kunnen houden van ontwikkelingen. De verhouding tussen individu / privé-leven en samenleving is daardoor niet meer hetzelfde als in 1959.]

(128) Het probleem van de menselijke natuur (28 september 1959)

Eerst een historische insteek aan de hand van de gedichten van Homerus. Vroeger gingen mensen er van uit dat hun lot gestuurd werd door bovennatuurlijke krachten (bij de Grieken de daimon).

"De gedachte dat bovennatuurlijke wezens macht over ons uitoefenen behield een diepgaande invloed op ons denken en werd zeker tot in de zeventiende eeuw aanvaard als een rationele verklaring voor allerlei vormen van menselijk gedrag."(130)

[Tja, wat noem je hier een 'rationele verklaring'?]

Bezetenheid door externe bovennatuurlijke wezens ging meestal ook samen met allerlei rituelen om die externe krachten die op mensen inwerkten te beïnvloeden. Ideeën over bezetenheid maakten pas eind 19e eeuw plaats voor theorieën over het onbewuste (Charcot, Breuer, Freud). Het vervolg gaat weer over Homerus en over de veranderingen in de opvattingen over de verhouding van lichaam, geest en ziel in de persoonlijkheid van mensen: van meerdere zielen naar één ziel, van het lichaam als een normaal deel van mensen naar 'soma sema' (het lichaam is een graftombe), van eenheid van lichaam en geest naar dualisme met een hoge waardering van de geest en een lage waardering voor het lichaam.

[Ook hier springt Huxley wel erg gemakkelijk van het een naar het ander. In feite wordt er helemaal niet zo veel gezegd over die menselijke natuur.]

(141) Het ego (5 oktober 1959)

Ik is "een zelfbewust wezen dat taalsymbolen gebruikt, in staat is tot redelijk denken en vooruit en terug kan zien."(141) en dat geconfronteerd wordt met een aantal 'niet-ikken' binnen zijn organisme die weerstand bieden. Allereerst is dat het lichaam dat met grote fysiologische intelligentie zijn gang gaat zonder dat we ons bewust zijn van het hoe en dat zich verder kenmerkt door grote variatie in vorm en structuur. Die vorm heeft invloed op iemands temperament en gedrag, iets waarvoor psychologen weinig oog hebben, of het nu om (neo)-freudianen gaat om om behavioristen.

(155) Het onbewuste (12 oktober 1959)

Over de negatieve en met name de postieve kant van het onbewuste. Het eerste ontstaan door lichamelijke invloeden en door de verwachtingen van het milieu (verdringing en zo). Het laatste (de artistieke inspiratie, creativiteit, dromen, visioenen, parapsychologische verschijnselen en zo) aan de hand van werk van F.W.H. Myers.

[Zoals Huxley ook zelf aangeeft komt hij er niet echt uit, uit dat idee van de verhoudingen tussen lichaam en geest, onbewust en bewust. Het stuk is dan ook nogal vaag.]

(171) De taal (26 oktober 1959)

Allerlei auteurs over taal die mensen die continuïteit geeft die dieren niet hebben, die een symbolische orde mogelijk maakt.

[Dit is een slecht en onsamenhangend stuk. Bovendien is het oppervlakkig.]

(185) De kunst (7 november 1959)

Over de relatie tussen kunst en het menselijk leven.

[Onmogelijk algemeen en daarom bijzonder oppervlakkig.]

(201) De mens en zijn religie (23 november 1959)

Er is een religie van de onmiddellijke ervaring en er is een religie van de symbolen en de kennis als een systeem van overtuigingen.

"Het geloof is een zeer belangrijke zaak. Een van de grote bestsellers van de afgelopen jaren is De kracht van het geloof. Dit is een zeer goede titel, omdat het geloof inderdaad een zeer grote bron van kracht is. Het geeft de gelovige zelf kracht en het stelt hem in staat macht over anderen uit te oefenen. Op een of andere manier kan het bergen verzetten. Geloof kan, zoals iedere bron van kracht, zowel ten kwade als ten goede gebruikt worden; het kan zelfs even gemakkelijk ten kwade als ten goede gebruikt worden.(...)
Deze geweldige waarheid van het geloof, die voortdurend geculitiveerd wordt door de met symbolen manipulerende religies, is in wezen ambivalent. Het gevolg is dat de religie als systeem van geloofsovertuigingen altijd een ambivalente kracht is.(...) En zoals we hebben gezien blijkt uit de geschiedenis dat deze systemen als een rechtvaardiging gebruikt zijn voor bijna iedere vorm van agressie en imperialistische expansie. Van de grote misdaden uit het verleden is er waarschijnlijk niet één die niet in de naam van God is bedreven."(207-208)

[Huxley is niet ongenuanceerd over religie, hij is ook daar bepaald kritisch. Maar hij staat er niet boven. Hij bekritiseert religie als systeem niet fundamenteel als iets dat inherent ten koste van mensen gaat en dat we beter kunnen vermijden. Er gaat niets goeds verloren als dat soort religie verdwijnt, maar het zou een hoop ellende voorkomen. Wel ben ik het met hem eens dat religie als directe ervaring een stuk minder gevaarlijk is voor andere mensen. Het is duidelijk dat Huxley's voorkeur daar vooral ligt.]

(219) De natuurlijke historie van het visioen (7 december 1959)

Over de vraag waarom edelstenen edel zijn. Wat leidt tot de vraag naar de wereld van het visioen binnen het kader van een breder psychologisch beeld van de innerlijke mens. Edelstenen zijn edel omdat ze het meest benaderen wat mensen in hun visioenen zien.

(239) De latente vermogens van de mens (14 december 1959)

Kunnen we latente menselijke vermogens realiseren?

"Ik geloof niet dat we onszelf moeten vleien met de gedachte dat we alle vermogens waarmee we geboren zijn al gerealiseerd hebben. In bijna ieder van ons liggen talrijke vermogens verborgen die nog ontplooid en effectief gemaakt kunnen worden."(239)

Huxley wil daarover nadenken vanuit een inventarisatie van menselijke behoeftes, zowel biologische als andere, in lijn met Maslow. Overgang naar het natuur-cultuur-probleem (nature-nurture).

"Als we aan eugenetica willen doen, moeten we dus ook als sociale hervormers optreden, want het heeft geen nut een ras van voortreffelijke mensen te kweken, als de omstandigheden waaronder zij moeten leven zo slecht zijn dat hun voortreffelijkheden zich niet kunnen manifesteren. En omgekeerd heeft het geen nut een voortreffelijke omgeving te creëren, als het erfelijke materiaal waarop die omgeving moet inwerken van slechte kwaliteit is. Wij moeten deze twee factoren altijd zien als volstrekt onafscheidelijk en beide moeten tot de hoogste graad van ontwikkeling worden gebracht."(242)

Onder welke omstandigheden zijn mensen dus het beste in staat hun latente mogelijkheden te realiseren? Crisissituaties die niet al te lang duren zijn heel geschikt. En 'uitbarstingen van vreugde en creativiteit' ook.

[Zijn die laatste 'omstandigheden'? Eerder een psychologische toestand. Vreemde suggestie.]

Maar het beste werkt natuurlijk een samenleving waarin voorzien is in basisbehoeften en er weinig frustrerende omstandigheden bestaan.

[Nou, nogal oppervlakkig allemaal. Onder welke omstandigheden kunnen we onze mogelijkheden ontplooien? Onder goede omstandigheden. Waardoor kenmerken die zich? Basisbehoeften zijn vervuld, er is weinig frustratie. Hoe kunnen we die omstandigheden realiseren? Eh ... En dan ziet Huxley af van het praten over sociale hervormingen maar bespreekt nu verder over chemicaliën, het trainen van de waarneming via Gestalt-therapie, het oefenen van de verbeelding, etc., dus dingen die je individueel kunt doen. Over de omstandigheden niets meer.]

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk