>>>  Laatst gewijzigd: 28 december 2017  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Geschiedenis van informatie en media

Voorkant Berners-Lee 'Weaving the Web' Tim BERNERS-LEE (m.m.v. Mark Fischetti)
De wereld van het World Wide Web (oorspr. titel Weaving the Web)
Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds, 2000; 230 blzn.
ISBN: 90 5712 0909

[Ook weer zo'n boek dat ik bij De Slegte vond. Er blijkt veel meer van dit soort boeken in het Nederlands vertaald te zijn dan ik aangenomen had. Maar blijkbaar verkocht het niet zo goed. Jammer, want de Tim Berners-Lee uit Engeland wordt over het algemeen gezien als de uitvinder van het World Wide Web (WWW). Veel 'inside information' dus.]

(1) 1 - Een vraagbaak voor alles

Berners-Lee is de eerste om te zeggen dat hij het WWW niet uitgevonden heeft op de manier zoals journalisten zo graag zien: hij bedacht het en de dag erna was het er. Het was een proces waarin velen een bijdrage leverden. En dat proces had alles te maken met het hanteren van grote hoeveelheden informatie en de 'strijd' tussen het hiërarchisch classificeren van alles tegenover het idee alles met alles te verbinden.

"Een computer bewaart informatie in starre hiërarchieën en matrices, terwijl het menselijk brein het specifieke vermogen heeft om willekeurige gegevens met elkaar te combineren. Als ik sterke en verschaalde koffie ruik, ben ik soms opeens terug in een kamertje boven een café in Oxford."(3)

Berners-Lee - kind van twee wiskundigen, in 1976 afgestudeerd in de natuurwetenschappen, en in 1980 al werkzaam voor CERN (een onderzoekscentrum voor deeltjesfysica) in Zwitserland - had het beeld dat computers zouden kunnen dienen om allerlei verbanden en samenhangen te ontdekken tussen brokken informatie.

Hij was niet de enige met die droom. Hij noemt zelf Vannebar Bush en zijn 'Memex' (1945), Ted Nelson en zijn 'Literary Machines' (1965) die met de uitdrukking 'hypertext' kwam, en Doug Engelbart met zijn NLS ('oN Line System'). Die drie oplossingen werkten niet omdat de bedenkers hun tijd ver vooruit waren. De computer was nog niet zo ver en Internet was nog niet zo ver.

"Ik kwam toevallig op het goede moment en met de juiste instelling en belangstelling. toen hypertekst en Internet net volwassen waren geworden. Ik hoefde alleen maar het huwelijk tot stand te brengen."(8)

(9) 2 - Knopen, koppelingen en webben

Berners-Lee begon vanaf 1980 te experimenteren met zijn ideeën door het programma Enquire te ontwikkelen. Het maakte interne koppelingen mogelijk binnen een bestand die in beide richtingen konden werken, en stond ook externe koppelingen toe die naar een ander bestand konden verwijzen en slechts in één richting werkten.

Bij een tweede verblijf aan CERN vanaf 1984 - als medewerker bij de afdeling 'Data Acquisition and Control' - werkte hij aan Tangle om het idee 'koppelingen tussen informatie' te verkennen. Het bleek ingewikkelder dan gedacht. Weer wat later begon hij opnieuw aan Enquire.

"Het was voor mij duidelijk dat er bij CERN behoefte was aan zoiets als Enquire. Ik wilde, naast het bijhouden van de relaties tussen alle experimenten, mensen en machines, ook toegang hebben tot verschillende soorten informatie. Bijvoorbeeld, tot de technische rapporten van de onderzoekers, de handboeken voor de diverse softwaremodeules, de notulen van vergaderingen, de inderhaast gekrabbelde notities, enzovoort."(15)

Dat vraagt dus om een documentatiesysteem - software waarmee je documenten toegankelijk kunt maken. Het probleem was de diversiteit aan gebruikte computers, systeemprogramma's en toepassingsprogramma binnen CERN. Onderzoekers verzetten zich wanneer zij hun aanpak aan een opgelegd systeem zouden moeten aanpassen.

"Ik zou een systeem moeten ontwikkelen met algemene regels die voor iedereen acceptabel zouden zijn. Dit betekende dat ik zo dicht mogelijk een situatie van helemaal geen regels zou moeten beanderen.(...) Ik koos hypertekst als het model voor mijn minimalistische systeem. (...) Het systeem zou ook een andere fundamentele eigenschap moeten bezitten: het moest volstrekt gedecentraliseerd zijn (...) Ik wilde dat het toevoegen van een nieuwe koppeling de normaalste zaak van de wereld werd: als dat het geval was zou een web van koppelingen zich gelijkmatig over de hele wereld kunnen verspreiden. (...) Alles zou een adres moeten hebben waarnaar kan worden verwezen. Alles zou naast elkaar moeten bestaan in dezelfde ruimte - de informatieruimte."(16-17)

Het lag voor de hand UNIX en het TCP/IP-protocol van internet te gaan gebruiken voor het leggen van koppelingen tussen al die uiteenlopende computersystemen. Dat werkte immers al zo. In de VS was het al vergaand ontwikkeld. In Europa minder.

"Internet was in Europa praktisch onzichtbaar omdat de mensen daar werkten met een heel andere verzameling netwerkprotocollen, die ontwikkeld en gepropageerd werden door de International Standards Organisation (ISO)."(18)

Daardoor liep het anders zo vooruitstrevende CERN juist op dit punt wat achter. Maar Berners-Lee koos onder invloed van Ben Segal voor TCP/IP als netwerkprotocol. In 1989 diende hij een voorstel in bij zijn baas Mike Sendall. Echte reactie erop kreeg hij niet, het had geen prioriteit voor de onderzoekers. In 1990 kreeg hij de NeXT-computer waarop hij zijn ideeën kon gaan programmeren. Hij noemde zijn hypertekstsysteem 'World Wide Web'.

(25) 3 - info.cern.ch

"Terwijl het een hels karwei leek om iemand bij CERN ervan te overtuigen dat mondiale hypertekst opwindend was, was er één man onmiddellijk bekeerd: Robert Cailliau. (...) Robert was de ceremoniemeester bij het huwelijk van hypertekst en Internet. De echte gave van Robert was zijn enthousiasme ..."(25)

Cailliau - een veteraan bij het CERN - herschreef het voorstel en begon allerlei mensen in zijn netwerk warm te maken voor het idee.

Intussen ontdekten ze op de European Conference on Hypertext Technology (ECHT) van september 1990 dat er wel hypertekstprogramma's waren, maar dat de internet-dimensie ontbrak - m.a.w. dat je koppelingen in en tussen documenten kon maken over een computernetwerk heen - en de benadering gebaseerd was op een database / een gecentraliseerde aanpak. Berners-Lee trok de conclusie dat hij zelf toch aan het programmeren zou moeten slaan. Dat deed hij op zijn NeXT-computer.

"Mijn eerste doel was het schrijven van een Web-client - het programma dat het creëren, doorbladeren en redigeren van hypertekstpagina's mogelijk zou maken. Het zou in principe op een tekstverwerker lijken en de gereedschappen daarvoor op het NeXT-systeem, NeXTStep genaamd, waren voor dit doel ideaal."(28)

Deze browser / editor noemde hij WorldWideWeb. De editor werkte met een hypertekst-opmaaktaal HTML die Berners-Lee had geprogrammeerd en waarmee je bijvoorbeeld de interne en externe koppelingen kon aanmaken. Aan de ontwikkeling van de browser werd later in het proces ook gewerkt door Nicola Pellow, een studente wiskunde die bij het CERN stage liep.

Daarnaast moest er een protocol komen voor de het opvragen en verzenden van webpagina's via internet. Dat werd het HTTP-protocol: het Hypertext Transfer Protocol. Heel belangrijk daarin was de UDI = de Universal Document Identifier - later omgedoopt naar URI = Uniform Resource Identifier - , het adressensysteem dus waarmee alle webdocumenten geïdentifeerd en gevonden konden worden. Wat later kon de URI ook gebruik maken van het FTP en andere protocollen zodat enorm veel documenten en andere media opgenomen werden in de informatieruimte.

Tot slot moest er een Web-server geprogrammeerd worden, software die webdocumenten toegankelijk kon maken voor mensen waar ze ook waren en die verzoeken om webdocumenten kon afhandelen.

Op 25 december 1990 werkte het systeem: de browser kon communiceren met de info.cern.ch-webserver en documenten opvragen. Maar er was nauwelijks belangstelling bij andere medewerkers van het CERN om het systeem uit te proberen. Probleem was o.a. dat de browser / editor voor de NeXT geprogrammeerd was en dus niet zonder meer op allerlei andere typen computers kon draaien. Het werd een minimalistische browser die inderdaad overal kon werken. Met name de editor-functies moesten het bij de omzetting echter ontgelden.

"Maar daardoor bleven de mensen het Web zien als een medium waarin veel mensen bladerden, maar slechts weinigen publiceerden. In mijn visie was het een systeem waarin delen met anderen van wat je weet en wat je denkt, even gemakkelijk moet zijn als leren van wat anderen weten."(33)

(35) 4 - Protocollen

Essentie en alles bepalend is dus de communicatie tussen zeer uiteenlopende computersystemen met heel eigen indelingen en formaten van bestanden en met heel eigen tekensets. Met het HTTP-protocol en HTML werd uitwisseling tussen heel verschillende systemen mogelijk.

"Mensen vonden het vaak moeilijk te begrijpen dat het ontwerp beperkt bleef tot URI's, HTTP en HTML. Er was geen centtrale computer die het Web beheerde en deze protocollen werkten op geen enkel netwerk. En er was zelfs geen organisatie die het Web bestuurde. Het Web was niet 'iets' fysieks dat 'ergens' bestond. Het was een 'ruimte' waarin computers konden functioneren. (...) Dat betekent dat iedereen (die geautoriseerd is) in staat zu moeten zijn om informatie te publiceren en te corrigeren en dat iedereen (die geautoriseerd is) in staat zou moeten zijn om die informatie te lezen. Er zou geen centrale controle mogen bestaan."(36-37)

De URI - het adressensysteem - is het meest fundamentele nieuwe idee van dat HTTP. Er waren al wel inofrmsatiesystemen die van het internet gebruik maakten als WAIS = Wide Area Information Server (van Brewster Kahle werkzaam bij Thinking Machines), Prospero (van Clifford Newman), gopher (van Mark McCahill). Ze hadden allemaal hun eigen protocol. HTTP maakte de tgoegank tot AL die informatieruimtes mogelijk via 'format negotiation', het eerste deel van de3 URI (vbn. https://, ftp://, nntp://, wais://, gopher://).

UIteraard werd HTML zo gemaakt dat het gemakkelijk naar die URI kon verwijzen en zo koppelingen kon leggen tussen documenten en andere media. Er werd in het ontwerpen ervan gebruik gemaakt van de ideeën in SGML.

"Robert, Nicola en ik besteedden acht maanden aan de verfijning van de basisonderdelen van het Web en we probeerden propaganda te maken voor wat we aan het doen waren."(43)

In maart konden mensen binnen CERN met een NeXT-computer de browser / editor gebruiken. In mei 1991 kwam Paul Kunz van SLAC = Stanford Linear Accelerator (Palo Alto) langs en werd enthousiast voor het systeem. Hij nam de browser mee en bouwde met Louise Addis in de VS de eerste webserver buiten Europa. Daarna werd de browser omgezet naar iets voor pc's, Mac's en UNIX. In augustus 1991 kondigde Berners-Lee op de nieussgroep alt.hypertext het bestaan van zijn programma's (browser / editor, webserver) aan en stelde ze vrij ter beschikking. Dat werd het keerpunt.

"Vanaf dat moment kregen we van geïnteresseerde mensen op Internet de feedback, de aanmoediging, ideeën, bijdragen voor de broncode en de morele ondersteuning die we binnen onze eigen organisatie maar moeilijk hadden kunnen vinden."(48)

De stage van Nicola Pellow liep in augustus 1991 af en zij werd opgevolgd door een andere stagiaire: Jean-François Groff. Hij zette met Berners-Lee de software om van objective-C naar C zodat de broncode meer overdraagbaar werd. Een en ander werd opgeborgen in de codebibliotheek libwww.

(53) 5 - De wijde wereld in

Berners-Lee legde contacten met de IETF omdat hij tot officiële standaarden voor zijn software wilde komen, dus voor URI, HTTP en HTML. In maart 1992 ging hij zelf naar een bijeenkomst ervan in San Diego. HIJ leerde er Larry Massinter en Karen Sollins kennen, die hem de mogelijkheid boden eventueel zijn 'sabbatical year' in de VS door te brengen. Intussen hadden Robert en hij het druk met de groeiende belangstelling voor WWW, allemaal werk dat ze naast hun eigenlijke werk moesten doen omdat CERN niet zo veel belangstelling had voor hun WWW dat ze er hun eigenlijke werk van mochten maken.

"We hadden het zo druk met onze pogingen om het Web in stand te houden dat er geen mogelijkheid was om zelf browsers te ontwikkelen."(55)

Daarom stimuleerden ze anderen om dat te doen. Voorbeelden van browsers die door verschillende mensen gemaakt werden: Erwise (studenten in Finland), ViolaWWW (Pei Wei, mei 1992; zeer geavanceerd), Midas, en vast nog andere. Maar de editor-functie ontbrak vrijwel altijd, het werd meestal een bladerprogramma zonder schrijf- en redigeermogelijkheden. Browsers ontwikkelden zich dus meer als een publicatiemedium en minder als een medium voor samenwerking tussen mensen over Internet.

Berners-Lee koos uiteindelijk niet voor een (onbetaald) 'sabattical year' maar voor een (betaalde) periode van drie maanden om een dienstreis te maken. Dat gebeurde in de zomer van 1992. In die tijd bezocht hij de mensen in de VS en zette hij een IETF-werkgroep op voor de URI (door anderen weer omgedoopt naar URL = Uniform Resource Locator). Vanaf het moment dat hij weer bij CERN rondliep bleek dat het WWW exponentieel begon te groeien.

(69) 6 - Browsen

In januari 1993 waren er ongeveer 50 websites. Er kwamen daarnaast ook steeds meer browsers, waaronder de eerste commerciële van Dave Raggett (UK) met de naam Arena, de tekstbrowser Lynx (Universiteit van Kansas; Lou Montulli, maart 1993), en - nog voor UNIX - Mosaic (Marc Andreesen, Eric Bina van het NCSA = National Center for Supercomputing Applications van de University van Illinois; februari 1993), Cello (Tom Bruce).

In maart 1993 bezocht Berners-Lee de Mosaic-groep.

"Al mijn vroegere ontmoetingen met ontwikkelaars van browsers waren bijeenkomsten geweest van gelijkgestemde zielen met een gedeeld enthousiasme. Deze ontmoeting echter werd gekenmerkt door een vreemde spanning. In de dagen voordat ik naar Chicago ging, werd het mij duidelijk dat de mensen bij het NCSA pogingen deden om zichzelf af te schilderen als het centrum van de ontwikkeling van het Web en probeerden het Web om te dopen tot Mosaic. Bij NCSA was iets niet 'op het Web', maar 'op Mosaic'."(73)

Bovendien bestond er bij die groep geen enkele interesse voor het ontwikkelen van de editor-kant van de browser en was met name Marc Andreesen iemand die ging voor de kick van de weergave (plaatjes, kleuren en lettertypes, en andere visuele effecten). En er werd ook PR bedreven - er verschenen artikelen in Amerikaanse kranten - met de NCSA-browser alsof Mosaic het Web was.

"Er werd [in die artikelen] nauwelijks melding gemaakt van andere browsers of zelfs maar van de inspanningen in de rest van de wereld om servers ['websites' zouden we nu zeggen] te ontwikkelen. De media, die niet de tijd namen om verder onderzoek te doen, gingen schrijven over Mosaic alsof dit een equivalent voor het Web was. Ik kwam terug bij CERN met een onplezierig gevoel over de duidelijke ondertoon van zich dingen toe-eigenen, die sprak uit het werk van Andreesen en uit het promoten daarvan door NCSA. NCSA begon snel met andere projecten om Mosaic te laten werken op pc's onder Windows en op Mac's."(74)

In april 1994 werd ook de licentiëring geregeld. Er was daarvoor wat onzekerheid ontstaan over de eigendomsrechten van de websoftware. Het CERN stemde er in toe dat iedereen het Web-protocol en de software gratis mocht gebruiken.

(77) 7 - Veranderingen

De ervaringen met NCSA en de exponentiële groei van het WWW maakten duidelijk dat er een soort van toezicht moest komen. In maart 1994 organiseerde Dale Dougherty van O'Reilly Associates de WWW Wizards Workshop in Cambridge, Mass. Alle mensen van het eerste uur waren er bij. Daar lanceerde Berners-Lee zijn ideeën voor een World Wide Web Consortium. De mensen van het NCSA waren er ook maar "waren opmerkelijk zelfbewust en stil."(79)

Ook Michael Dertouzos (van het MIT) voelde wel wat voor zo'n consortium. Berners-Lee en hij waren het er over eens dat het een organisatie moest worden met zowel een vestiging in Europa als een vestiging in de VS. Over de rol van CERN bestond onduidelijkheid.

In april 1994 gebeurde wat er al een tijdje zat aan te komen: Marc Andreesen verliet NCSA, richtte met investeerder Jim Clark 'Netscape' op, nam allerlei andere ontwikkelaars van NCSA en elders in dienst en ging commercieel.

"NCSA heeft, in tegenstelling tot CERN, nooit een moment getwijfeld aan het feit dat het creëren van commerciële producten een passende activiteit was. (...) Andreesen en Clark begonnen op een agressieve manier de hele markt te veroveren. Daartoe voerden ze een marketingbeleid dat nog nooit eerder vertoond was: ze brachten hun product gratis uit, waardoor het snel en op grote schaal gebruikt ging worden; gebruikers hoefden het alleen van Internet te halen. (...) De komst van software en dienstverlening voor het Web in de vorm van een commercieel product betekende een belangrijke stap voor het Web."(85)

Intussen wilde Berners-Lee gewoon bezig blijven met het oprichten van een neutraal WWW-Consortium, omdat hij op die manier vrij was om na te denken over wat het beste was voor de wereld in plaats van het beperkte wat het beste was vanuit commercieel oogpunt.

Op 25 mei 1994 begon bij CERN de eerste WWW-Conferentie, voornamelijk georganiseerd door Robert Cailliau. Het ontwikkelingspad voor HTML werd bijvoorbeeld besproken. Het was een bijzonder succesvolle conferentie met meer dan 300 deelnemers.

In juli had het MIT in de VS rond dat Berners-Lee er als stafmedewerker zou kunnen gaan werken om de Amerikaanse poot van het WWW-Consortium te gaan leiden. Het MIT en het CERN tekenden in die maand namelijk een overeenkomst voor de oprichting ervan met twee locaties, bij het CERN en bij het MIT.

(93) 8 - Consortium

Werkend bij het Laboratory for Computer Science aan het MIT begon Berners-Lee zijn ideeën uit te werken voor de opbouw van het W3 Consortium. Hij wilde een platte organisatie die voor alle organisaties (commercieel en niet-commercieel) en hij wilde democratische open overlegprocessen. Er zou een klein aantal vaste medewerkers zijn en het doel zou zijn technische specificaties te ontwikkelen die het Web verder zouden brengen. Financiering kwam van lidmaatschappen - $50.000 voor organisaties en $5000 voor personen per jaar - en van de overheid (DARPA inde VS, de Europese Unie in Europa). Er zouden vestigingen moeten zijn in Europa en Azië. De W3-conferenties zouden elk half jaar gehouden worden en werden georganiseerd door het W3 Conference Committee onder voorzitterschap van Robert Cailiau.

Intussen begon het Web te commercialiseren. Microsoft kocht browserbedrijf Spyglass en stapte met veel marketinglawaai in de markt en ontwikkelde Internet Explorer voor Windows 95. Andreesens bedrijf werd door NCSA gedwongen zijn browser anders te gaan noemen dan 'Mosiac': de nieuwe naam werd Netscape Navigator 1.0, de browsere verscheen 15/12/1994 en het werkte onder Windows, Unix/Linux en MacOS. Hij was gratis. De keuze was om aan de dienstverlening geld te gaan verdienen en niet aan de software.

Intussen werd er verder gewerkt aan HTTP (versie 1.1)(Henrik Frystyk Nielsen) en aan de webserveromgeving (Ari Luotonen). Maar CERN liet weten niet meer de thuisbasis te willen zijn van W3C in Europa. Dat werd vanaf 1 januari 1995 het INRIA = Institut National pour la Recherche en Informatique et en Automatique in Versailles, Frankrijk.

(107) 9 - Concurrentie en chaos

Microsoft probeerde Netscape te kopen, maar dat mislukte. Sun zette Java in de markt en java-applets zouden in browsers kunnen werken om allerlei interactieve zaken te regelen. De grote leveranciers van online-diensten als Compuserve, Prodigy, American Online werden gedwongen hun netwerken te open en onderdeel te maken van Internet en WWW. Netscape ging naar de beurs en haalde onverwacht veel geld op. Kortom: het Web viel niet meer te negeren: naast vrije diensten ontstonden er allerlei commerciële diensten. Berner-Lee geeft aan niets te hebben tegen commerciële diensten op het Web, maar hij heeft er wel bezwaar tegen dat geld en commercie als enige belangrijke insteek lijken te gaan gelden.

"Soms vroegen mensen me of ik het erg vond dat ik niet veel geld verdiende met het Web. In feite nam ik sommige heel bewuste beslissingen over mijn toekomst. Die zou ik niet veranderen - hoewel ik niets kan zeggen over wat ik in de toekomst zou kunnen gaan doen. Maar wat mij wel droevig stemt, is dat sommige mensen dit zo'n belangrijke vraag vinden. Deze vraag wordt meestal in de Verenigde Staten gesteld, niet in Europa. Het afschuwelijke idee dat iemands waarde afhankelijk is van hoe belangrijk en financieel succesvol hij of zij is en dat dit in geld gemeten wordt, maakt mij boos. Dat suggereert dat er weinig respect is voor de onderzoekens die wereldwijd ideeën ontwikkelen voor de volgende wetenschappelijke en technologische sprongen vooruit. In mijn opvoeding stond een waardesysteem centraal waarin geldelijk gewin wel een plaats had, maar minder belangrijk was dan bijvoorbeeld doen wat je eigenlijk wilde doen. Nettowaarde als criterium gebruiken om mensen te beoordelen betekent dat we de visie van onze kinderen op geld richten in plaats van op de dingen die hen in feite gelukkig zullen maken."(111)

Het Web groeide vanaf 1995 exponentieel o.a. door de opname van Internet Explorer in Windows 95 dat toen verscheen. In 1996 kwam Netscape Navigator 2.0 uit met ondersteuning voor Java. Porno op het web leidde tot de Communications Decency Act, inperkende wetgeving van de regering van de VS, maar de burgerrechtenbeweging slaagde er in die censuur-aanpak ongedaan te maken en een meere technische aanpak tge bepleiten (PICS). In 1998 gaf Netscape de broncode van de Navigator vrij - het programma werd open source.

(127) 10 - Een web van mensen

Die enorme groei en de commercialisering brachten natuurlijk de vraag naar voren hoe de hele ontwikkeling van het Web in goede banen geleid zou kunnen worden.

"Als de technologie zich snel ontwikkelt, kan de maatschappij tot de ontdekking komen dat ze achterloopt in haar pogingen om bij te blijven met de ethische, juridische en sociale implicaties van die technologie. Dit is zeker het geval geweest bij het World Wide Web.(...) Zoals ik opmerkte aan het slot van de eerste internationale World Wide Web-conferentie bij CERN in mei 1994, kunnen technologen niet volstaan met de sociale en ethische problemen aan anderen over te laten, omdat de technologie een directe invloed op die problemen heeft."(127-128)

Berners-Lee is van mening dat je informatie en commercie / reclame uit elkaar moet leggen, wil je de kwaliteit van het Web hoog houden. Als je naar iets zoekt met een zoekmachine verwacht je niet dat je alleen resultaten te zien krijgt van betalende klanten van de zoekmachine. Wanneer je een browser hebt, verwacht je dat je alle websites kunt bekijken en niet op allerlei manieren gemanipuleerd wordt om bepaalde websites steeds te zien. Een toetsenbord met knoppen die je naar een specifieke zoekmachine brengen manipuleert de gebruiker. En zo verder. Informatie moet neutraal getoond worden. Netneutraliteit is belangrijk.

".. als ik een radio koop en ontdek dat die alleen maar toegang tot bepaalde radiostations biedt en niet tot andere, zou ik daarover erg ontdaan zijn. Ik zou wellicht zes radio's kunnen kopen, allemaal gericht op andere combinaties van stations. Maar dat is evenmin zinvol als zes computers of zes verschillende besturingssystemen of zes browsers nodig hebben om volledige toegang tot het Web te krijgen. Dit is niet alleen onpraktisch, maar het fragmenteert het Web, waardoor dat niet langer een geheel is. Ik zou onverschillig welke computer, software en transmissiedienst moeten kunnen kopen en nog steeds toegang moeten hebben tot de volledige informatie van het Web."(137)

Zo ook met alle schadelijke informatie op het Web. Elke gebruiker moet de middelen hebben om zelf blokkades te maken tegen het zien van bepaalde websites op het Web. Maar wanneer anderen (overheden, bibliotheken, autoriteiten) die informatie voor de gebruiker gaan filteren zonder dat hij of zij daar iets over te zeggen heeft, is er sprake van censuur of manipulatie.

(149) 11 - Privacy

Berners-Lee vindt het wel belangrijk dat informatie gedeeld wordt, maar heeft ook leren zien dat mensen het recht hebben op de bescherming en afgrenzing van hun privé-gegevens. Dat laatste door het misbruik dat er op vele manieren gemaakt kan worden van de gegevens die bezoekers van websites achterlaten. Spam, klikpaden misbruiken voor reclame en marketing, cookies die klikgedrag registreren, andere persoonlijke informatie die doorverkocht wordt naar derden, en zo verder.

"Europa heeft geprobeerd om een deel van dit probleem op te lossen door middel van strikte regulering. Europese bedrijven moeten de informatie over hun klanten geheim houden en zij mogen geen databases combineren op een manier die in de Verenigde Staten op dit ,moment nog vlostrekt legaal is. Consumenten in Europa hebben ook het recht om databases met hun persoonlijke gegevens in te zien en te corrigeren. In de Verenigde Staten stellen de wettgen die consumenten beschermen tegen het verkopen of weggeven van hun persoonlijke gegevens, niet veel voor. De regering hoopte dat er wel enige vorm van zelfregulering zou ontstaan."(152)

Oplossingen zouden gezocht kunnen worden in webtechnologie zelf: privacy-informatie op elke website zodat mensen iets te kiezen hebben. Maar dat is lang niet altijd mogelijk of blijkt te gemakkelijk te omzeilen. De oplossing kan ook gezocht worden in cryptografie - versleutelde verbindingen.

[Wat betreft dit thema is het boek na acht jaar al behoorlijk verouderd. De commercie is nog steeds een groot probleem, zelfregulatie blijkt slecht te werken in het kapitalisme. Maar de tegenbeweging (meestal burgerrechtenbewegingen) is ook sterker geworden en heeft meer invloed op overheden gekregen. Versleutelde verbindingen zijn normaal geworden. Browsers hebben inmiddels mogelijkheden om cookies te blokkeren, om privé te surfen, om opgeslagen informatie te voorkomen of te wissen. Email-filters houden spam tegen. En zo verder. En het is ook nog steeds zo dat Europa consumenten en burgers veel beter beschermd dan de VS met zijn zielige kapitalisme.]

(163) 12 - Van brein tot brein

In dit hoofdstuk en het volgende werkt Berners-Lee twee aspecten uit van zijn visie op het Web van de toekomst.

Het eerste deel van die visie heeft hij al vanaf het begin: dat het Web een krachtig middel zou kunnen zijn voor de samenwerking tussen mensen. Een van de manieren is dat browsers het toestaan om commentaar en notities te leveren bij de webpagina's van anderen. Die edit-functie ging verloren toen browsers zich ontwikkelden, zoals hiervoor te lezen is.

In dat eerste deel van zijn droom is er sprake van 'ubiquitous computing': overal staan computers klaar voor directe communicatie met andere mensen, de toegang tot internet is permanent (je hoeft er niet eerst voor in te bellen), informatie is overal toegankelijk (lokale bestanden met informatie zouden eigenlijk niet moeten bestaan in die visie), het protocol is onzichtbaarder (een email schrijven tegenover in een webpagina schrijven), alle informatie heeft een URL en kan gekoppeld worden aan andere informatie, er komen meer universele formatteringstalen als XML, er moet sprake zijn van universaliteit in alle aspecten.

"Het Web moet gelijkelijk toegang verlenen aan mensen in verschillende economische en politieke situaties; aan mensen met fysieke of geestelijke gebreken; aan mensen in verschillende culturen; en aan mensen met verschillende talen die in verschillende tekens geschreven worden en/of in verschillende richtingen gelezen worden."(171-172)

Veel van dat soort onderwerpen zijn al door het W3C aangepakt met SVG, SMIL, WAI, scheiding van vorm (HTML) en inhoud (CSS), internationalisering, goede hypertexteditors en annotatiesystemen. Met name dat laatste - de hulpmiddelen voor samenwerking en notities bij webpagina's - loopt niet heel erg vlot (Amaya, Jigsaw).

"Ik verwacht dat deze hulpmiddelen zich tot een algemeen nieuw genre op het Web zullen ontwikkelen. Het echt eleven is vol van allerlei soorten sociale beperkingen, en zo hoort dat ook - dit zijn de nieuwe processen waaruit de 'maatschappij' ontstaat. Computers zullen ons daarbij behulpzaam zijn om abstracte sociale machines op het Web te creëren: processen waarin mensen het creatieve werk doen en de machines de administratie daarvan bijhouden. Veel sociale processen kunnen beter door machines uitgevoerd worden, omdat de machine altijd aanwezig is, geen vooroordelen kent en omdat hoe dan ook mensen het niet leuk vinden om dit soort systemen administratief bij te houden."(179)

Stemmen per computer, online beoordelingen van allerlei zaken, babbelboxen, forums.

[Ik moet zeggen dat Berners-Lee heel goed heeft aangevoeld waar de mogelijkheden liggen en een zeer vooruitziende blik heeft gehad. Veel van wat hij noemt in 1999 is nu vrijwel normaal.]

[Computers zijn tegenwoordig vrijwel overal aanwezig. Ze beginnen ook 'onzichtbaarder' te worden omdat ze sneller opstarten, gemakkelijker te bedienen zijn en steeds meer gewoon hun werk doen zonder een obstakel te vormen voor gebruikers. Inbellen neemt af, breedbandverbindingen en mobiele internetverbindingen met een 'always online' - karakter zijn al normaal.]

[De rol van op het Web en browsers gebaseerde software is sinds 2002 steeds belangrijker geworden met sociale software, 'cloud computing', en dergelijke. Informatie is inderdaad steeds meer vanaf elke plaats toegankelijk. Mensen doen alles - berichten sturen, notities schrijven, chatten, foto's delen - via sociale websites als Facebook, Hyves, en zo verder. En ook de universele toegang en de internationalisering groeien hard.]

[Echt samenwerken via het web en zelfs annotaties op een webpagina zijn ook mogelijk. Maar zoals bij elk medium wordt het gebruik grotendeels bepaald door de vraag of mensen wat te vertellen hebben. Op het moment zie je dat mensen eindeloos veel communiceren, maar weinig inhoudelijks uitwisselen. Zoals het in het echte leven ook gaat. In die zin is het Web bij steeds meer mensen gewoonweg de plaats gaan innemen van andere media, een digitaal medium in plaats van een papieren medium of van radio en TV.]

(185) 13 - Machines en het Web

Dit hoofdstuk gaat over het andere aspect van de droom van Berners-Lee over de toekomst van het Web: het Semantische Web waarin informatie steeds gemakkelijker door machines verwerkt kan worden, zonder dat er nog mensen aan te pas komen. Er wordt op dit moment heel veel informatie op het Web gezet die onbegrijpelijk is voor machines.

Volgt uitleg over RDF, databases, XML en andere meer technische zaken die nodig zijn om semantische koppelingen tussen informatie in webpagina's te realiseren. Berners-Lee vraagt zich af of de ontwikkelaars ervan net zo erg gericht zullen zijn op het delen van hun inzichten dan hij en Cailliau en anderen in de beginfase van het Web. Door de commercialisering is het nu zo dat er een risico is dat ontwikkelaars overal patent op gaan aanvragen.

"Ik had het en passant over octrooien, maar in feite zijn die een groot struikelblok voor de ontwikkeling van het Web. Ontwikkelaars zetten hun pogingen in een bepaalde richting op een laag pitje als er geruchten zijn dat een bepaald bedrijf over een octrooi beschikt dat invloed kan hebben op de technologie. Op dit moment is het in de Verenigde Staten (in tegenstelling tot vele andere landen) mogelijk om de manier waarop een programma werkt te octrooieren. Dit lijkt een beetje op een octrooi op een bedrijfsprocedcure: het is moeilijk te definiëren wanneer iets echt 'nieuw' is. "(206)

"Dit is een nieuwe atmosfeer. Octrooien op software zijn nieuw. Het ethos van Internet in de jaren zeventig en tachtig hield in dat er uitwisseling bestond vanwege het algemeen belang en het zou ondenkbaar zijn geweest dat iemand een beloning vroeg voor de invoering van een standaardprotocol als HTTP. Dat is nu aan het veranderen. Grote bedrijven verzamelen octrooien als mogelijk wapen tegen aanklachten door hun collega's. Kleine bedrijven kunnen hierdoor zo angstig worden dat zij zich niet op de markt wagen."(207)

Er zijn zelfs hele bedrijven die alleen maar hun geld verdienen met rechtszaken rondom octrooien. Het oorspronkelijk doel van octrooien is daarmee uit beeld aan het verdwijnen. Het belemmert de innovatie.

(209) 14 - Het Web weven

Nog wat nabeschouwingen.

"Internet en het Web hebben ons uit de tweedimensionale ruimte gehaald. En ze hebben ook ons idee weggenomen dat we niet gestoord kunnen worden door iemand die meer dan een dagmars verder weg woont."(210)

"Wij individuen kiezen stuk voor stuk enkele kanalen uit om ons mee bezig te houden en we kunnen er ook maar een bepaald aantal aan. Het voordeel dat dingen op het Web sneller kunnen, is alleen maar een voordeel voorzover we die informatie ook sneller kunnen opnemen. Daaraan zijn bepaalde grenzen. Door de hoeveelheid dingen die we moeten lezen en schrijven op te voeren, evenals het aantal e-mails dat we moeten verwerken en het aantal Web-sites waarnaar we moeten surfen, schrapen we misschien wat bytes extra kennis bijeen, maar we putten ons zelf uit in dat proces en missen de essentie."(212)

"We hebben zeker behoefte aan een structuur die twee catastrofen zal vermijden: de mondiale uniforme monocultuur van McDonalds en de geïsoleerde religieuze sekten die alleen zichzelf begrijpen."(213)

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk