>>>  Laatst gewijzigd: 9 maart 2020  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Geschiedenis van de Artificiële Intelligentie

Voorkant Boden 'Mind as Machine' Margaret A. BODEN
Mind as machine - A history of cognitive science
Oxford: Clarendon Press, 2006; two volumes 1631 blz.
ISBN 978-0-19-954564-3 en 978-0-954565-0 paperback

[Boden is een grootheid op het terrein van AI en cognitieve wetenschappen. Ze werkt op het interdisciplinaire Centre for Research in Cognitive Science van de University of Sussex, Engeland en heeft al een hele reeks bekende boeken op haar naam staan. Dat zij de moeite genomen heeft een overzichtswerk te schrijven over de geschiedenis van de cognitieve wetenschap is fantastisch - zij kent de hele ontwikkeling uit eigen ervaring. Dat het boek na een tijdje ook als paperback is verschenen is bijzonder prettig (de oorspronkelijke uitgave kostte 200 euro, de paperback 75 euro).]

(xxxiii) Preface

Elke geschiedenis wordt geschreven vanuit bepaalde ervaringen en uitgangspunten. Boden wil die in dit voorwoord toelichten.

Ze geeft aan dat sociaal-politieke invloeden beperkt aan de orde komen. Het gaat haar vooral om de vraag hoe de centrale ideeën van de cognitieve wetenschap opkwamen en samenhangen. Een complexe vraag, gezien de vele wetenschappelijke disciplines die zich met kennis en cognitie bezig houden:

"The key approaches are psychology, neuroscience, linguistics, philosophy, anthropology, AI (artificial intelligence), and A-Life (artificial life)—to each of which I’ve devoted at least one chapter.
Control engineering is relevant too, for it provides one of the two theoretical ‘footpaths’ across the many disciplinary meadows of cognitive science."(xxxv)

De overeenkomst is dat al die disciplines het hebben over 'mind / brain', mentale processen, computationele processen, informatieverwerking. Boden vat het zo samen als dat ze het hebben over de geest als machine. Vandaar de titel van het boek.

[Ik begrijp toch niet helemaal hoe ze op die gedachte komt.]

Omdat elke geschiedenis geschreven wordt vanuit een eigen perspectief, geeft Boden vervolgens haar eigen achtergrond. Ze is van 1936. Ze studeerde medische wetenschappen en twee jaar filosofie aan de University of Cambridge en behaalde haar medische graad in 1958 en haar filosofische graad in 1959.

Die filosofie deed ze bij Margaret Masterman, die de baas was over de bijzonder onorthodoxe Cambridge Language Research Unit (CLRU), een instituut buiten de universiteit dat haar geld kreeg van militaire instellingen van de VS (xxxix).

De CLRU kende een groep filosofen die zich bezig hield met wetenschap en religie ('Epiphany Philosophers') en daarnaast allerlei andere originele en onorthodoxe intellectuelen zoals Karen Sparck Jones (informatie- en taalverwerking), Richard Richens (machinevertalingen) , Robin Mackinnon Wood, Frederick Parker-Rhodes, Ted Bastin (kwantum theorie), Roger Needham (die aan het Computer Laboratory van UvCambridge een computer bouwde met Maurice Wilkes), Pask (cybernetica; 'adaptive teaching machines'), Richard Braithwaite (wetenschapsfilosofie; filosofie van de religie; een goede kennis van Turing), Dorothy Emmet (filosofie van de religie; had Turing ook meegemaakt, nog in Manchester), en later Yorick Wilks en Martin Kay (AI).

"I shared their interest in the philosophy of religion (a subject I later taught for many years) and, above all, in a scientifically grounded philosophy of mind."(xl)

Aan de UvCambridge had Turing grote invloed gehad. Van Dorothy Emmet - die dus aan de University of Manchester werkte voordat ze naar de CLRU vertrok - schrijft ze:

"Nor did Emmet and her Manchester colleagues agree with Turing that there was no good reason to deny that some conceivable digital computer could think. In the departmental seminar he attended, she’d objected that a machine could not be conscious.
Michael Polanyi had added that whereas a machine is fully specifiable, a mind is not. And Mays had argued trenchantly that computers are, as John Searle (1980) would later put it, all syntax and no semantics (Manchester Philosophy Seminar 1949)."(xl)

In ieder geval waren alle mensen van de Unit op een of andere manier bezig met het formaliseren van de structuur van leren en taal, met Natural Language Processing (NLP) zoals dat nu heet, en met machinevertalen in het bijzonder. En ook Masterman zelf - een van de weinige vrouwen die bij Wittgenstein colleges volgde - was een stimulerende intellectueel, al kon Boden niet helemaal de vertaalslag maken naar haar eigen interesses:

"These were the nature and evolution of mind, the mind–body problem in general, and free will and psychopathology in particular. I was intrigued by paranoia, multiple personality, automatisms, and hypnosis. And I was especially puzzled by psychosomatic phenomena, such as hysterical paralyses and anaesthesias."(xliii)

In 1959 besloot ze - op het moment dat ze werd gevraagd voor een filosofisch lectoraat aan de University of Birmingham - desondanks niet de psychiatrie te kiezen. Ze vond het in Birmingham echter al gauw te weinig interdisciplinair.

"So I applied for a Harkness Fellowship, which enabled me, in the autumn of 1962, to cross the pond to study cognitive and social psychology with Bruner."(xliv)

Ze studeerde, schreef en werkte aan het Center for Cognitive Studies van Harvard (het 'andere Cambridge'). Een belangrijke inspiratiebron vormde daar het boek Plans and the Structure of Behavior, van Miller, Eugene Galanter, en Karl Pribram (1960).

In 1965 begon ze aan de University of Sussex, toen een nieuwe universiteit waar het interdisciplinaire juist centraal stond. En daar is ze tot nu toe aan verbonden. Ze schreef er haar PhD-thesis Purposive Explanation in Psychology (1972), terwijl ze in die periode ook kinderen kreeg.

"In that book, I developed a fundamentally physicalist but non-reductionist account of purpose, and other intentional concepts. That is, I offered an essentially functionalist philosophy of mind—though using my own terminology, not Hilary Putnam’s (I came across his work later).
I compared my account of mind, and of the mind–body relation,with a wide range of theories in psychology and philosophy. And I focused most closely on McDougall—not as an unquestioned guru, but as an intellectual sparring partner.
What had drawn me to McDougall was his deep insight into the complex structure of the human mind, and his many explicit arguments against psychological reductionism. Most of these, but not all, I thought to be valid."(xlv)

Centraal standpunt in dit boek was:

"that purposive behaviour is intelligible in computational terms, and could in principle be simulated in computers."(xlvii)

Maar dat moest nog verder uitgewerkt worden. Dat gebeurde in een 'uitgebreide voetnoot' bij de dissertatie.

"The resulting footnote, Artificial Intelligence and Natural Man (Boden 1977), ran to 537 pages. (By this time, the term ‘artificial intelligence’ had largely replaced ‘computer simulation’.)"(xlvii)

(1) 1. Setting the scene

(1) 1.i. Mind and its Place in Nature

Dat gebeurt allereerst door heel veel vragen op een rij te zetten over brein / geest / machines / taal, etc. etc.

Om die vragen te beantwoorden wordt in de cognitieve wetenschap gebruik gemaakt van machines, specifiek: van computers.

"These concepts (of computation and control) sharpen psychological questions because they can express ideas about mental processes more clearly than verbal concepts can."(4)

Ze geeft vele voorbeelden. Maar uiteraard kun je sceptisch zijn over die benadering en over alle verwachtingen in die cognitieve wetenschap. Donna Haraway is daar een voorbeeld van (7). Allerlei standpunten en keuzes zijn denkbaar en ze komen in dit boek allemaal aan de orde.

(9) 1.ii. The Scope of Cognitive Science

"In a neat and tidy world, where every label fitted what’s inside the can, cognitive science would be the science of cognition (knowledge). Indeed, it’s often defined that way. However, things aren’t so simple.
In fact, cognitive science deals with all mental processes. Cognition (language, memory, perception, problem solving . . .) is included of course. But so are motivation, emotion, and social interaction — and the control of motor action, which is largely what cognition has evolved for.
You may feel that these types of psychological process aren’t clearly distinguishable. If so, you’re in good company."(10)

Maar:

"That didn’t last. Because motivation, emotion, and social interaction (whether in small groups or in societies) are even more difficult to study — and to simulate — than cognition is, they were soon put onto the back burner. They were left there for thirty years, while cognition got almost all the attention. Vast amounts of research were done on perception, language, problem solving, concepts, belief, memory, and learning. The name of the field reflects this."(11)

De naam van het totale terrein is een paar keer veranderd. Zo zie je meervoud en enkelvoud. Boden gebruikt enkelvoud omdat ze de samenhang wil benadrukken. Over een definitie van cognitieve wetenschap zegt ze:

"The field would be better defined as the study of '‘mind as machine'. For the core assumption is that the same type of scientific theory applies to minds and mindlike artefacts. More precisely, cognitive science is the interdisciplinary study of mind, informed by theoretical concepts drawn from computer science and control theory.
These concepts change, as time passes. (Many examples of such change are described in later chapters.) So cognitive scientists don’t believe that today’s computer-related concepts suffice to explain the mind. Rather, they believe that they’re a good beginning, and that later explanations will use concepts drawn from what then happens to be the best theory of what computers do."(12)

Zij wil zich dus niet beperken tot een puur formeel-symbolische benadering, maar ook de bredere benaderingen vanuit de cybernetica en connectionistische AI serieus nemen. 'Computational concepts' spelen een grote rol. Die maken computers niet in alle gevallen noodzakelijk, maar computers zijn natuurlijk wel gemakkelijk om die concepten te simuleren en te testen. Het gaat hier om het begrijpen van de geest en dus is de puur technische AI niet van belang.

(18) 1.iii. Caveat Narrator

Alvorens het echte verhaal te beginnen waarschuwt Boden voor een aantal gevaren.

1/ Ze wil niet de illusie wekken dat alles op dit terrein steeds beter wordt of zich geheel harmonisch ontwikkelt. Integendeel. Er was en is meningsverschil, conflict, jaloezie, en alles wat menselijk is. Daarnaast moet voorkomen worden dat we onze ideeën van nu projecteren op ideeën van het verleden.

"Nevertheless, there are many areas where one can point to definite progress. And the value I have in mind here—given that ‘‘progress’’ can’t be defined in a value-neutral way—is closeness to the truth in describing and explaining aspects of the world. This includes both how real people actually manage to think about real and imaginary worlds, and how it’s possible for any creature—man, mouse, or Martian—to do so."(20)

2/ Er zijn mensen - ze baseren zich op Kuhn, neo-kantianisme, postmodernisme - die stellen dat 'wetenschappelijke vooruitgang' principieel onmogelijk is. Daartegenover staat de 'Cartesian–empiricist Anglo-Saxon approach'. Dit is de fundamentele discussie tussen relativisten van de ene kant en realisten / objectivisten van de andere kant.

"The one prioritizes sophisticated interpretation, or hermeneutics; the other relies on scientific objectivity, as understood in the experimental tradition."(21)

".. postmodernism was explicitly opposed to the growing role of science and computers in the late twentieth century."(25)

Boden verwerpt het hedendaagse constructivisme en postmoderne relativisme. Er is vooruitgang mogelijk, zo lang we maar niet geloven in de legende dat wetenschap zich puur rationeel en objectief ontwikkelt.

"So I’ll merely say that I see relativist and anti-realist philosophies of science as both self-defeating and fundamentally implausible. The relativism undermines every philosophical claim; and the rejection of realism, despite science’s practical successes, ignores what philosophers of science call IBE, or inference to the best explanation."(22)

Er zijn altijd ook politieke factoren (bv. militaire) en persoonlijke belangen (bv. ambitie) die meespelen in die ontwikkeling. Wetenschap is in die betekenis zeker niet waardenvrij en de ontwikkeling ervan verloopt ook niet via een logische prachtig rechte lijn.

3/ De tegencultuur (Roszak) van de 60-er en 70-er jaren (uitlopend in het postmodernisme van de 80-er en 90-er jaren) verzette zich tegen een wetenschap en technologie in handen van het militair-industrieel-complex.

"On the whole, counter-culturalism favoured non-scientific, and even explicitly anti-scientific, ways of thinking.(...)
Computers were even less favoured than chemicals. Then available only to very large organizations, they were seen by most 1960s–1970s counter-culturalists not as a useful tool but as a threat. And the image of mind as machine was the deepest threat of all ..(...)
This movement had philosophical roots in the nineteenth and early twentieth centuries (Romanticism, Marxism, and Continental phenomenology). In that guise, the culture it was countering was Cartesian modernism, and especially Enlightenment optimism about the reach of science."(26)

"Science and technology were seen as enemy forces. Both were crucial to Cold War rhetoric, and to Cold War military preparations, whether offensive or defensive—and generous funding was provided by the US (and UK) governments accordingly. (Some of it reached AI and other areas of cognitive science)"(27)

"In the counter-culture’s opinion, then, the sciences were deeply compromised (and technology, even more so). The arts, and religion, were seen as the saviours of civilization."(28)

Wat in die beweging vergeten werd is dat ook de kunst betaald werd door dat militair-industrieel-complex.

[Ik zie hier even niet de waarschuwing. Waarschuwt ze ervoor dat die invloeden er nog steeds zijn?]

[Ik vind dit trouwens niet zo'n goede paragraaf. Ze geeft helemaal geen antwoord op de verwijten van de tegencultuur tegenover de wetenschap, maar laat wel uitgebreid zien dat de door de tegencultuur zo geliefde kunst ook onder politieke invloed stond, hoewel men dat - zoals ze zelf zegt - niet kon weten. Een beetje flauw is dat. Er is heel veel terechte kritiek geweest op wetenschap en het wetenschappelijke bedrijf en de verstrengeling ervan met het bedrijfsleven en defensie. Het is alleen bijzonder jammer dat sommigen van die critici doorgeslagen zijn naar de irrationele kant. Maar dat maakt de kritiek niet per se slecht.]

De tegencultuur werkte uiteindelijk ook positief uit. De angst voor techniek, computers sloeg later om in een fascinatie voor de mogelijkheden ervan, vooral toen Internet opkwam.

"AI/cybernetics, by contrast, did stir fears — and was a prime target for criticism accordingly. From the late 1970s on, it suffered high-profile counter-cultural attacks by Dreyfus and Joseph Weizenbaum. And cognitive science as a whole, which has AI at its intellectual core, was targeted too.()

In short, cognitive science in its early years faced hostility from counter-cultural critics. In its later years, however, they welcomed certain intellectual changes that took place within the field.
The change of heart was initiated by the public availability of the personal computers that had been dreamt of by Brand and Engelbart, and by the development of the Internet, which allowed for what Haraway called 'network identities'. But this intellectual somersault was soon reinforced by specific theoretical aspects of late-century cognitive science."(32)

"As for the counter-culture’s attitude to computer technology, that somersaulted too. Roszak’s complaints about 'distortive assumptions' had been explicitly aimed at Norbert Wiener, despite the cyberneticist’s attempts to humanize his approach (Wiener 1950). And with the advance of computing — and digital computers — in the late 1960s and 1970s, which depended crucially on military funding, counter-culturalists had become even more disaffected. By the early 1980s, however, these cultural doomsayers were being explicitly countered by people whose views vied with them for popularity."(35)

4/ Het is een mythe te denken dat belangrijke inzichten door individuele mensen verkregen worden, los van andere mensen, de context, etc., vooral ook omdat wetenschap steeds meer bedreven wordt via intensieve onderlinge communicatie tussen deskundigen.

5/ Het is ook niet eenvoudig uit te leggen waarom sommige zaken gezien moeten worden als originele ontdekkingen. Vaak komt men daar nogal laat achter, of om persoonlijke redenen - men mag de ontdekker als persoon niet; statuskwesties en pikorde; chauvinisme en valse loyaliteit - of vanwege gebrek aan inzicht in het belang ervan of omdat de samenleving even op een heel ander spoor zit of gewoonweg door toevalligheden.

6/ Hetzelfde geldt voor het vaststellen van of iets nieuw is. Tenslotte weten we een heleboel niet omdat we nooit alles hebben kunnen horen of lezen. Daarnaast is iets nooit geheel nieuw, het is een kwestie van gradatie. Mensen 'stelen' ook al of niet bewust van elkaar en plagiaat komt voor. De vraag 'wie de eerste was' is daarom in veel gevallen niet te beantwoorden en komt voort uit al te menselijke factoren.

7/ Het voorgaande is te meer waar omdat sommige auteurs met originele ideeën veel moelijker toegankelijk zijn dan andere, omdat ze te uitgebreid, of te obscuur, of te wiskundig zijn of in een vreemde taal publiceren. Je zelf presenteren is dus ook een kunst. Vandaar het belang gepubliceerd te worden in gerenommeerde tijdschriften.

(51) 2. Man as machine: origins of the idea

Het is bekend dat al 2500 jaar geleden machines gemaakt werden die mensen 'nadeden' ('machine as man'). Er is wat discussie over het ontstaan van het omgekeerde idee ('man as machine').

Er was al materialistisch en mechanistisch denken over mensen bij de presocratici en er was ook al formeel denken bij Plato. Maar pas veel later (18e/19e eeuw) wordt dat gekoppeld aan empirisch onderzoek. Wanneer we het idee 'mind' er ook nog eens bij betrekken, is het idee eigenlijk heel nieuw:

"Today, by contrast, ‘man as machine’ is usually interpreted more strongly (see Chapter 1.ii). It’s now taken to mean that there are scientifically intelligible principles capable of controlling not only human (and animal) bodies and minds, but also significantly lifelike or mindlike artefacts that we might actually try to build."(52)

En dat soort benadering is er pas sinds de Tweede Wereldoorlog. Dit hoofdstuk neemt heel de geschiedenis door van beide ideeën.

(52) 2.i. Machine as Man: Early days

Het bouwen van automata gebeurde al in Egypte, en bij de Grieken en Romeinen. Omdat technisch handwerk minderwaardig werd bevonden, is er niet zo veel over op geschreven.

We weten niets van wat er in de donkere Middeleeuwen op dit terrein gebeurde, maar op het eind van de Middeleeuwen kwam de belangstelling voor het bouwen van automata weer op onder invloed van de contacten met de Arabische cultuur (Al-Jazari).

Ramón Lull (c.1234–1316) was een van de eersten die een machine maakte om het logische redeneren van mensen te mechaniseren en gebruikte daarvoor al concentrische schijven met symbolen er op. Lull inspireerde Leibniz.

Maar de meesten maakten toch automata die het lichaam en de lichamelijke verrichtingen van mensen en dieren imiteerden en 'uit zichzelf' konden bewegen. Naudé noemde de imitaties van mensen in de 17e eeuw al androïden. Automata vielen in die eeuw voor veel mensen nog onder zwarte magie. Tegelijkertijd waren ze (bijvoorbeeld die van Jacques de Vaucanson) fascinerend genoeg voor opname in de tentoonstellingen van de 18e eeuw.

"But, but . . . These wonders were focused on finding ingenious tricks to produce observable movements—or, sometimes, sounds: the hissing of snakes, the banging of drums, the blowing of trumpets. There was no attempt to model the mind as well as the body. (Strictly, this remark applies only to the later examples, for the mind–body distinction as we know it didn’t exist before the mid-seventeenth century: see Sections ii–iii.)
Indeed, it’s not clear that the automata builders were trying to model the body with a view to understanding it. With the interesting exception of the gifted engineer Vaucanson (1709–82), discussed in Section iv, even the post-Cartesians were challenging their practical ingenuity rather than their biological curiosity. In terms of the distinction drawn in Chapter 1.ii.b, these were technological, not scientific, enterprises.
The reason was that, prior to the seventeenth century, there was no philosophical tradition encouraging people to think about bodily function or behaviour in detailed mechanistic terms."(58)

(58) 2.ii. Descartes’s Mechanism

Descartes leefde in een periode waarin het menselijk lichaam niet meer door iedereen gezien werd als (volledig) aangestuurd door een ziel.

Het Aristotelische denken begon te wijken onder invloed van de kennis over het menselijk lichaam (anatomie en fysiologie) die door onderzoekers als Galilei, Vesalius, Fernel en Harvey was verzameld door het doen van empirisch onderzoek.

Harvey zag het menselijk hart en de bloedsomloop mechanisch als een pompsysteem. Hij onderzocht ook 'lagere diersoorten' om de mens beter te begrijpen, waarmee hij de mens al een heel andere waardering gaf als in die tijd gebruikelijk. Desondanks zag hij het menselijk lichaam niet als machine.

Descartes gaat daar juist verder in. Hij wil het op dit terrein helemaal niet over de ziel hebben. Voor hem geldt dat het menselijk lichaam en de levende natuur deel uitmaken van de materiële wereld waarvoor de wetten van de fysica gelden.

Boden vat het als volgt samen:

"The emergence of ‘man as machine’ as a motivating theme for experimental science was due primarily to Descartes (1596–1650). As we’ll see, his approach was mechanistic in two different, though closely related, senses:
* On the one hand, he believed that the principles of physics can explain all the properties of material things, including living bodies.
* On the other hand, he often drew explicit analogies between living creatures and man-made machines, seeing these as different in their complexity rather than their fundamental nature."(58)

Net als Francis Bacon (1561–1626) ziet hij het belang van empirisch onderzoek. Zij het dat Descartes meer gelooft in deductie vanuit eerste principes, en inductie vanuit empirisch onderzoek meer ziet als noodzakelijk kwaad.

Descartes was net als Bacon ook een groot voorstander van de samenwerking en onderlinge communicatie tussen onderzoekers. Die samenwerking kwam er na zijn dood ook. Vanaf 1660 in de vorm van de Royal Society of London en de Académie Royale des Sciences in Parijs. Uiteraard werden die gevormd door de bovenlaag van de samenleving, de 'gentlemen'.

"In short, the gentleman’s culture (and language) of credibility eased the acceptance of other scientists’ observational reports. Everyone didn’t have to repeat everyone else’s experiments, even if they disagreed—politely—on the theory.
Initially, this was true provided that the observers were leisured amateurs, with no pecuniary interest in ‘observing’ one thing rather than another. So the observations of the Royal Society’s Robert Hooke, who was officially a waged technician, were often subjected to doubt, or to verification by others, because of his lowly social status. His lack of social standing overshadowed his intellectual brilliance."(63)

Allerlei conventies voor de onderlinge communicatie van onderzoek werden uitgewerkt.

En de communicatie zelf kon zich door de technische vooruitgang ontwikkelen van individuele correspondentie naar boeken, kranten en tijdschriften in de volkstaal die door velen verkregen en gelezen konden worden (bijv. in de koffiehuizen van de 18e/19e eeuw). Weer later ontstonden wetenschappelijke tijdschriften en vandaag de dag communiceren onderzoekers via de middelen van Internet. Bovendien maken de moderne transportmiddelen het gemakkelijker elkaar werkelijk te spreken.

Descartes zag dieren als machines, waarbij hij vaak verwees naar de automata die in zijn tijd populair werden.

"In animals, Descartes wrote, there’s nothing more than this. In other words, their behaviour is based in what we now call reflexes (see Section viii, below). Specifically, they have no soul of any kind. There is therefore no reasoning faculty, and no judgement or self-conscious thought behind any animal behaviour."(69)

Een van de gevolgen was dat vivisectie normaler gevonden werd, omdat dieren geen bewustzijn en geen pijngevoel zouden kennen.

Ook het menselijk lichaam was voor Descartes een - wonderlijke en complexe - machine, vergelijkbaar met een automaton, en onderworpen aan de wetten van de fysica.

(74) 2.iii. Cartesian Complications

Zoals bekend stelde Descartes dat een mens geest en lichaam heeft, waarbij de geest juist niet gezien werd als materieel en onderworpen aan de natuurwetten. De geest was voor hem een subject met bewustzijn, intelligentie, wil. De geest zag hij dus als radicaal anders dan het lichaam.

Dat standpunt - dat sterk afweek van de opvattingen van Aristoteles tot en met Malebranche - heeft volgens velen een desastreuze uitwerking gehad op het denken.

Voor iedereen is de feitelijke wisselwerking tussen lichaam en geest duidelijk, ook Descartes kon dat niet ontkennen. Hij moest dus zijn dualisme - de scheiding van lichaam en geest - in overeenstemming brengen met die feiten, maar slaagde daar niet in. God en de pijnappelklier moesten er aan te pas komen om dat gegeven te redden.

Merleau-Ponty zou later zeggen dat die hele manier van praten in termen van 'geest' en 'brein' misleidend en onacceptabel is. Descartes' dualisme heeft inderdaad een enorme invloed gehad. Tegenover de Angelsaksische nadruk op empirie van Boyle, Huijgens, Newton, Locke kwam een benadering te staan waarbij het accent vooral lag op het subjectieve bewustzijn, wat terug te zien is in kantianisme, idealisme, neo-kantianisme en fenomenologie.

Op een of andere manier is Boden vanaf het begin positief over die empirische traditie en skeptisch zo niet cynisch over de fenomenologische traditie. Ze doet die laatste opvattingen weinig recht in haar weergaves: alsof er geen verschil is tussen Descartes' dualisme en de fenomenologie van Husserl e.a., alsof er door dualisme etc. geen zinvol probleem op tafel wordt gelegd, alsof Dreyfus de beste woordvoerder is voor de fenomenologie. Je kunt je afvragen waarom Descartes denken zo'n invloed heeft gehad, als het werkelijk zo'n pure nonsense was.

Voor Descartes was een menselijke robot pricipieel onmogelijk.

"It would follow that psychological AI is doomed to failure. The mind is nothing like a machine, and even brain events have no intelligible relation to consciousness. The notion that a man-made automaton could help us understand human psychology (thinking and consciousness) is therefore absurd.
By contrast, some — but not all — sorts of technological AI are, on this view, achievable. Computer vision, for example, is possible. So is verbal data processing, including so-called expert systems, wherein the word strings are composed beforehand by the programmer. Robots simulating animal behaviour, no matter how complex, are feasible. And brain-inspired modelling, such as connectionist pattern recognition, could be successful.
However, natural language processing in general—good machine translation, for instance—is impossible, as is the automation of common sense. Even with the help of non-human strategies or tricks, the Turing Test (16.ii.c) couldn’t even seem to be passed (Gunderson 1964a). As we’ll see (in Chapters 9.x and 16), these anti-AI claims still have committed supporters today—some of whom cite Descartes as an intellectual ancestor."(81)

(81) 2.iv. Vaucanson's Scientific Automata

In de 17e eeuw leidden Descartes opvattingen tot een toename in fysiologisch onderzoek van het menselijk lichaam, omdat het menselijk lichaam nu als een machine gezien werd die onderworpen was aan de natuurwetten.

Daarnaast inspireerde het makers van automata om machines te maken die mensen imiteerden. Het doel was hier dus niet het (wetenschappelijk) begrijpen van mensen, maar het ontwikkelen van mechanische vaardigheden. Hoewel Vaucanson toch wel heel dicht in de buurt kwam van wetenschappelijke verklaringen van het menselijk lichaam en niet puur gezien kan worden als iemand die vermakelijke dingen maakte.

(87) 2.v. Mechanism and Vitalism

Vanaf de zestiende eeuw worden biologische verschijnselen (bv. ademhaling) steeds meer mechanisch en chemisch verklaard. Wel was men terughoudend met dierexperimenten.

Deels vanuit holistische bezwaren (wat kunnen onderzoeken naar onderdelen van dieren zeggen over onderdelen van mensen die in een heel andere context functioneren).

Ik vind Boden hier weer wat te cynisch over holistische bezwaren tegenover experimenten met dieren.

Anderen - waaronder vitalisten - waren niet zo overtuigd van Descartes' idee dat dieren geen bewustzijn en pijngevoelens zouden kennen en hadden morele bezwaren tegen experimenten met dieren. Daarvoor ontstonden eind 19e eeuw dan ook wetten.

Ook hier weer is Boden erg bezig met het binnensmokkelen van haar eigen standpunten. Experimenten met dieren zijn echt wel goed geregeld, de tegenstanders slaan door in hun bezwaren, zo ongeveer is haar standpunt.

(90) 2.vi. The Neo-Kantian Alternative

Kant reageerde op Descartes en met name op het skepticisme van Hume. Boden geeft in het kort Kant's opvattingen over kennis en wetenschap weer met zijn a priori categorieën en schema's.

Een ander facet was het poneren van een wereld-op-zichzelf, waarover veel gediscussieerd werd in zijn tijd. Boden's conclusies:

"Kant had intended his philosophy to save Newtonian science from Humean scepticism, and from arbitrary relativism. But in extending Descartes’s stress on the epistemological primacy of consciousness, he offered hostages to absolute idealism.
If the thing-in-itself is unknowable, why posit it at all? And if our concepts of reality are inescapably mind-based, why not focus on the constructive activities of the mind—instead of on the ‘real’ world? This epistemological/metaphysical volte-face was the seed of the counter-cultural anti-realism that beleaguers science today (see Chapter 1.iii.b–c). But before it could flower in the form of today’s social constructivism, it had nearly 200 years to develop.
Inevitably, the late eighteenth and early nineteenth centuries saw the rise of a variety of neo-Kantian idealist philosophies. These all stressed the creative power of mind (and life) and the epistemologically secondary nature of materialist science.
Most neo-Kantian philosophers reacted also against the atheistic rationalism of the Enlightenment. They were drawn more to religion and spirituality than to science, and more to (their interpretation of) biology than to physics (see below). They favoured intuition, imagination, and the specific individual—whether person or culture—over logic, experiment, and universal law. And many viewed the whole of Nature as a sort of organism, imbued with something akin to intelligence. Many, too, saw Nature as a system akin to a developing embryo, expressing the self-creative power of the divine."(93)

Kant maakte een onderscheid tussen de materiële wereld waarvoor de wetten van Newton golden, en de levende wereld. Levende wezens zijn doelgericht en daarmee moet rekening worden gehouden. Een puur mechanistische biologie zou dat niet doen.

"Kant himself, as we’ve seen, had argued that there could never be a mechanistic biology, because living things — being both causes and effects of themselves—are holistic teleological systems that can’t be understood in purely physical terms. As he put it, they are self-organizing systems that propagate their own organization, and generate their own purposes, or ends."(95)

Schelling en Goethe en hun natuurfilosofie vertaalden dat naar de werking van een wereldziel etc. De benadering van de Romantiek.

"His [Goethes] own approach was relentlessly holistic. He was deeply suspicious of the Galilean–Cartesian programme of mathematizing science, and favoured careful — respectful — observation of the phenomena of Nature over analytic experimentation on them."(96)

Vandaar ook zijn uitgewerkte morfologie van planten.

"Most cognitive scientists have read not one word of Goethe’s science — and if they did, they’d probably recoil with horror. Nevertheless, his emphasis on painstaking observation, as applied to his own subjective experiences, made him an important forerunner of Gestalt psychology and of the phenomenological movement in Continental philosophy (see Chapters 5.ii.b and 16.vi–viii). He also anticipated a type of biological explanation (i.e. morphological explanation) that’s gaining influence today (15.ix.c). And he’s sometimes quoted by cognitive scientists and philosophers committed to the dynamical systems approach (15.viii.b–c and ix, and 16.x.a)."(97)

Met Darwin's evolutietheorie werd de natuurfilosofie een stuk minder belangrijk.

"The mix of physiology, evolution, and genetics was a heady brew. It quickly became the biological orthodoxy, eclipsing Naturphilosophie in all its forms — Goethe included."(101)

(102) 2.vii. The Self-Regulation of the Body

De arts en fysioloog Claude Bernard (1813-1878) droeg bij aan de oplossing van raadsels op het vlak van biologische zelforganisatie.

Hij deed dat in Cartesiaanse, mechanistische, termen, maar met meer gevoel voor de eigenheid van levende organismen en hun balans van binnen- en buitenwereld via allerlei compenserende mechanismen (vergelijk bv. de lichaamstemperatuur, het je warm houden, etc.; die metabolische processen werden later homeostatis genoemd). Hij was dus geen vitalist zoals veel mensen uit zijn tijd, die geloofden in een vitale kracht die niet onderworpen was aan fysische condities. Toch lijkt dat een beetje zo omdat hij een doelgerichtheid aanneemt ('creatief idee') van elke biologische ontwikkeling en zelforganisatie die we niet kunnen begrijpen.

Een dergelijk standpunt had ook Hans Driesch (1867-1941) die echter wel nadrukkelijk koos voor het vitalisme. En het meest invloedrijk was op dit punt Henri Bergson (1859-1941) met zijn 'élan vital', een creatief principe dat volgens hem richting gaf aan elke evolutie. Van het lichaam-geest-dualisme van Descartes maakt hij een leven-materie-dualisme: die levenskracht drukt zich uit in de materie en wordt ook genetisch doorgegeven. De hoogste vorm ervan is volgens hem het menselijk bewustzijn. Bergson's neo-romantische opvattingen bleven echter vaag en vol tegenspraken en maakten weinig indruk op meer materialistisch ingestelde biologen.

(107) 2.viii. The Neurophysiological Machine

Al bij Descartes staat neurofysiologie centraal, waarbij het centrale zenuwstelstel als bemiddelaar tussen zintuiglijke indrukken en gedragsuitingen de aandacht krijgt.

In de 18e/19e eeuw groeit de overtuiging dat het zenuwstelsel elektrische eigenschappen heeft en op die manier bv. spierbewegingen stuurt. Verder wordt het onderscheid duidelijk tussen afferente (sensorische) en efferente (motorische) zenuwen. Studies naar reflexen leiden tot nieuwe discussies over het bestaan en de aard van bewustzijn bij mensen en bij dieren.

Met het toenemen van de mogelijkheden van microscopie en andere technieken ontstaat de theorie van (verschillende) neuronen, axons en dendrieten (Ramón y Cajal; later Sherrington met zijn idee van synapsen en van de remmende en stimulerende werking ervan) en wordt het steeds meer mogelijk te meten wat er gebeurt.

Wat betekende een en ander nu voor mens-machine-opvattingen?

"After Darwin, the notions of natural machines and God’s design were divorced in many—though not all—biologists’ minds. And after Bernard (with his not-so-futile French opinions), and especially Sherrington, some of the most mysterious workings of the body were being compared to inanimate machines. But instead of clocks and fountains, people now cited the steam-engine, the telegraph, and the telephone."(118)

"These ideas didn’t spring merely from turn-of-the-century technophilia. For they all exemplified what Gerd Gigerenzer (1991b) has called the ‘‘tools-to-theories’’ heuristic. This is a widespread creative strategy in science, of which man-as-machine, mind-as-computer, and heart-as-pump are all special cases. Thinkers guided by it use a pre-existing physical artefact—or perhaps a mathematical calculus, such as statistics—as the inspiration for a new scientific theory."(118)

"By the early to mid-twentieth century, then, the biological version of ‘man as machine’ had blossomed luxuriantly. Interpreted in the scientific sense, there was a powerful consensus that the body, including the nervous system, is scientifically intelligible. Interpreted in the technological sense, man-made machines were commonly used as analogies in theorizing about the body, including the brain."(118)

(119) 2.ix. Strictly Logical Automata

Alle analogieën betroffen de mens als machine, maar wat betreft het idee 'geest als machine' was er rond 1900 nog weinig veranderd ('man-as-machine' tegenover 'mind-as-machine').

Rekenmachines - die er al sinds de 17e eeuw waren - werden niet gezien als modellen van de geest / stonden niet voor mechanisatie van het denken. En al waren er toen al heel wat machines om te rekenen, rond 1850 was er nog steeds geen mechaniek dat logica kon doen. Dat kwam pas na de publicatie van George Boole's (1815-1864) ideeën over logica, met Smee en vooral met Stanley Jevons (1835-1882).

"None of those nineteenth-century inventions, however, was thought of as a machine for thinking, or even for simulating thought."(122)

De verhouding tussen logica en psychologie was bijvoorbeeld een probleem. Gottlob Frege (1848-1925) - die wiskunde terugvoerde op logica - bestreed psychologisme.

"The logical should always be distinguished from the psychological, since the (normative) laws of logic are not the (empirical) laws of thought. In modern philosophical jargon, Frege’s position was that logic, or rationality, can’t be ‘‘naturalized’’. (Kant had said much the same thing, and neo-Kantians today criticize cognitive science accordingly.)"(122)

"As a result of Frege’s work, which became widely influential with the publication of Bertrand Russell and Alfred North Whitehead’s Principia Mathematica in 1910, logic and psychology were pushed even further apart. Not until the mid-twentieth century would people see logic machines as having psychological relevance. Ironically, they’d do so largely because of Frege—via Russell (1872–1970) and Russell’s student Rudolf Carnap (1891–1970)."(123)

(123) 2.x. Psychology as Mechanism—But Not as Machine

Sinds de 17e eeuw was er al het bestuderen van de geest / de ziel. Uiteraard had het mechanistische denken ook hier steeds meer invloed.

Maar Descartes zag hier meer problemen dan mensen die zich op hem beriepen. Mensen als De La Mettrie verklaarden de geest niet, maar zetten hem dogmatisch aan de kant. Anderen geloofden wel dat de geest, ook los van het lichaam, aan mechanische wetten gehoorzaamde.

"The nineteenth century saw the rise of associationist psychologies aimed at detailing those laws. It also provided novel research programmes (such as psychophysics) aimed at discovering systematic mind–body correlations.
The most influential theories of the association of ideas included those of the philosophers James Mill (1773–1836) and his son John Stuart Mill (1806–73), and the pioneering psychologist Wilhelm Wundt (1832–1920). Wundt’s influence was enormous because he founded professional psychology. He established one of the first two laboratories in 1879 (William James started the other), founded the first journal, and wrote extensive textbooks defining the field. In effect, it was defined there as the study of consciousness—so the prime experimental method wasn’t the observation of behaviour, but introspection."(128)

Maar er waren ook andere opvattingen die Wundt's atomisme bekritizeerden zoals die van de Würzburgse school, de Gestaltpsychologie, William James, Sigmund Freud, etc.

"These turn-of-the-century psychologists were less aggressively mechanistic than those in the empiricist tradition. To be sure, bodily mechanisms weren’t ignored. But interpretative (hermeneutic, intentionalist) theorizing was also prominent.
The philosophical relation between these two forms of theorizing was controversial—and it still is. The two extremes were represented by Freud (1856–1939) and William McDougall (1871–1938)."(129)

Het idee 'Mind as Machine' werd pas serieus genomen in de jaren 40 van de 20ste eeuw.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk