>>>  Laatst gewijzigd: 28 december 2017  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Geschiedenis van informatie en media

Voorkant Doppert 'Internet Pioniers' Monique DOPPERT
Internetpioniers - De eerste internetgeneratie
Amsterdam: Otto Cramwinckel, 2002; 154 blzn.
ISBN: 90 7572 7860

[Dit boekje gaat over hoe het Internet tussen 1990 en 1995 voor particulieren toegankelijk werd in Nederland. Het is geschreven door een journaliste, en dat is te merken aan stijl, opbouw en (gebrek aan) diepgang. Het is gebaseerd op interviews met betrokkenen. Je ziet geen bronvermeldingen of voetnoten, er wordt veel heen en weer gesprongen zonder dat de historische lijnen helemaal duidelijk worden, er zitten wat typo's en slordigheden in die vermeden hadden kunnen worden.]

[Het is een beetje de benadering van Katie Hafner, zeg maar, maar dan minder degelijk. De afdeling 'Geraadpleegde literatuur' laat ook typisch het meer journalistieke werk zien, niet de historische studies als die van Abbate. Het is wat Doppert zelf zegt: hopelijk volgt op zo'n eerste verkenning als deze serieuzer historisch onderzoek.]

(7) Inleiding

"Begin jaren negentig hadden niet meer dan een paar honderd mensen in Nederland enig besef van internet. Deze journalistieke opmaat geeft een indruk van de spannende beginjaren, van de tijd toen internet nog woest en ledig was. (...) Wellicht vormt dit een aanzet tot een uitgebreide historische studie van het medium"(9)

[Dat laatste zou geweldig zijn. Ik zie op het eerste gezicht niet heel veel historisch materiaal met een zoekmachine. Surfnet en XS4ALL hebben achtergrondinformatie. Maar bijvoorbeeld zo'n stukje in de Nederlandse wikipedia-pagina is toch wel erg oppervlakkig en schematisch. Ik zal eens uitzoeken wat er op dat terrein gebeurt.]

(13) 1 - Eerste contact

Eerst kort over het ontstaan van internet in het algemeen. Daarna:

"Op 25 juli 1973 kwamen de eerste pakketjes informatie vanaf dit netwerk in Europa aan op een Britse universiteit, het University College of London. (...) In Europa bestond echter nog geen grensoverschrijdend netwerk. De eerste verbinding van het ARPAnet met een Europees netwerk is gelegd in het gebouw van het Centrum voor Wiskunde en Informatica, de opvolger van het Mathematisch Centrum. Dit nationale onderzoeksinstituut heeft sinds begin jaren tachtig een centrale rol vervuld bij het aansluiten van Nederland op internet. In 1982 legden CWI-medewerkers de eerste transatlantische verbinding. Deze connectie stond open voor alle deelnemers aan EUnet, een verzameling Europese computerwetenschappers die allen een verbinding wensten met het ARPAnet."(15)

Initiatiefnemers waren Piet Beertema (1943; van het CWI) en Rob Blokzijl (1943; van het NIKHEF). Beertema slaagde er door directe contacten met Vinton Cerf en Jon Postel in de registratie voor het topleveldomein .nl in eigen hand te krijgen op 25 april 1986 (hij werd daarmee de 'hostmaster' voor Nederland). Dat werd daarmee het eerste officiële landendomein ter wereld. Uiteraard was de eerste domeinnaam van Nederland cwi.nl.

[Volgens Mueller in Ruling the root was .uk het eerste landendomein, ingesteld rond 1984. Dat lijkt me ook waarschijnlijker.]

Na tien jaar werd deze taak in 1996 overgedragen aan de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN), omdat de CWI en Beertema van hun eigenlijk taken werden afgehouden door de groeiende hoeveelheid werk die aan dit beheer vastzat.

(25) 2 - Zonder afspraken geen internet

Om aan de toenemende universitaire behoefte aan elektronische informatie- en communicatiediensten tegemoet te komen werd in 1986 de Stichting Surfnet opgericht. De geschiedenis van Surfnet illustreert de debatten tussen de vaak nationale telecommunicatie-aanbieders en internetaanbieders als Surfnet over welke standaard gevolgd moest worden (X.25, OSI, IP/TCP).

Erik Huizer en Erik-Jan Bos van Surfnet bepleitten IP/TCP en slaagden er in samenwerking met de internationale standaardengroep Internet Engineering Task Force (IETF) in een router op te zetten die met dat protocol kon werken. Het internetprotocol IP won het uiteindelijk, omdat het gemakkelijk schaalbaar is en hogere snelheden aan kon.

Surfnet maakte een internetknooppunt bij het academische rekencentrum SARA in de Watergraafsmeer.

"Eind 1989 kreeg Surfnet via SARA internet operationeel. (...) Jarenlang waren NLnet en Surfnet de enige Nederlandse internetaanbieders. Beide werkten in goede verstandhouding samen, ondanks de verschillende uitgangsposities. Voor bedrijven en partivulieren wilde NLnet een zo goedkoop mogelijk netwerk neerzetten, terwijl Surfnet een degelijk en elegant netwerk wilde bouwen voor de academische gemeenschap."(29)

Andere actieve mensen waren Rob Blokzijl en Daniel Karrenberg (1959) van het NIKHEF (Nationaal Instituut Kernfysica en Hoge-Energiefysica) die vanaf 1992 bijeenkomsten belegden voor geïnteresseerden in internet. Vanuit die bijeenkomsten ontstond een organisatie die de verdeling van IP-nummers kon regelen voor Europa, zodat men niet meer voor elke vraag in de V.S. moest zijn: RIPE (Réseaux IP Européenne) en het Network Coordination Center (NCC).

De in Duitsland studerende Karrenberg had contacten met de European Unix Group, bouwde de Duitse Unix-usergroup op, zorgde daar voor een aansluiting met Usenet, en vond een baan aan het CWI als systeembeheerder. Door contacten met Ben Segal in CERN verwierf hij een CISCO-router voor het CWI.

[Volgt nog het een en ander over Gopher en WWW. Dit hoofdstukje is wel erg slecht opgbouwd, er is weinig inhoudelijke logica.]

(41) 3 - Op internet is iedereen gelijk

Over de ontwikkeling van het Hack-Tic Netwerk (Amsterdam) en KnoWare (Utrecht) en de achterliggende hackercultuur resp. de hackerethiek resp. het netactivisme.

"Deze nieuwe ethische regels [van de hackerethiek dus - GdG] zijn helder omschreven door publicist Steven Levy in zijn boek Hackers: Heroes of the computer revolution (1984). Centraal staan punten zoals vrije toegang tot computers, een vrije stroom van informatie, wantrouwen jegens autoriteiten en het stimuleren van decentralisatie."(42)

[Kritiekloos gewoon, zo'n opmerking. Er is weinig helder aan de omschrijvingen van Levy.]

Daarbij speelden de congressen en kampeermanifestaties een grote rol zoals Galactic Hackerparty (1989), Next5Minutes (1993), Hackers and the end of the universe (HEU, 1994), Hacking in Progress (HIP, 1997), en Hackers at Large (HAL, 2001). Maar ook publicaties als het blad Hack-Tic (sinds 1989) waarin Rop Gongrijp (1968) een belangrijke rol speelde.

Sinds 1992 bestonden er contacten tussen Rop Gongrijp, Paul Jongsma en Felipe Rodriquez (van BBS Utopia) en een systeembeheerder bij de UvA, Matthew Lewis, die hun een account en een e-mailtoegang gaf. Na een incident [wat voor incident?] werd die toegang via UvA verboden. Zo kwamen ze op het plan om zelf als Internet Service Provider te gaan fungeren voor particulieren. Cor Bosman sloot aan en per 1 mei 1993 startte XS4ALL, het 'vlaggeschip van Hack-Tic' zoals ze het zelf noemden. Binnen een dag waren de 500 aanmeldingen binnen die men voor het eind van het jaar nastreefde. Die groei bleef jarenlang doorgaan en XS4ALL werd gewoon een bedrijf met nog steeds wel een idealistisch tintje.

"De zelfredzaamheid doordesemde de internetcultuur begin jaren negentig. Het was een ongeregelde troep van activisten, kunstenaars en computertechnici. Samen en toch ieder voor zich. Een doe-het-zelfcultuur, meent publicist Geert Lovink (1959), sterk geënt op de subcultuur van krakers en andere alternatieve circuits."(50)

Media-activist Geert Lovink was medeoprichter van De Digitale Stad en medeorganisator van Next5Minutes.

"Deze bijeenkomst stond in het teken van 'tactische media', ofwel het inzetten van de media - video, radio, internet - om politieke, maatschappelijke en culturele idealen te verwezenlijken. Volgens Lovink is nooit sprake geweest van een symbiose tussen activisten, kunstenaars en computertechnici. Er werd op incidentele basis - bij bijeenkomsten, festivals en congressen - samengewerkt. Lovink geeft aan dat activisten, kunstenaars en technici ieder hun eigen stokpaardjes hadden, met hier en daar unieke momenten van uitwisseling."(51)

De Digitale Stad was vanaf 15 januari 1994 een experiment van De Balie, Hack-Tic en de gemeente Amsterdam. Het werd een groot succes door zijn vrije toegang en zijn metafoor van een digitale stad. Marleen Stikker (1962) van De Balie was de drijvende kracht er achter. Dat succes duurde een een jaar of zes, DDS werd een normaal hosting- en webdesignbedrijf, in 2001 moest men abonnementsgeld gaan vragen. Reindert Rustema (1972) schreef er in 2001 een scriptie over met de titel The rise and fall of DDS. Rustema is skeptisch over het democratisch belang van de digitale publieke ruimte.

[Hm. In dit hoofdstukje weer regelmatig het geïdealiseer en geromantiseer van dit soort jongens zoals ook bij Hafner en Levy, zo achteloos tegenover geld en autoriteiten, zo anarchistisch, zo idealistisch. Nou, ik vraag het me af. Wat gebeurde er werkelijk? Wat van al die uitspraken is controleerbaar waar? Wat is geïnterpreteer van de geïnterviewde mensen achteraf? Waar stellen de 'netactivisten' zichzelf in een goed daglicht? Was het niet gewoon branie van mensen die zich nergens zorgen over hoefden te maken omdat ze al uit bemiddelde gezinnen kwamen? Was het niet gewoon egocentrisme en puberaal gedrag? Welke mensen hebben nu werkelijk het internet opgebouwd? Mijn gok: eerder mensen als Cor Bosman die continu bezig waren om zaken te laten werken dan mensen als Gongrijp met mooie woorden.]

(61) 4 - Activisme gaat digitaal

Internet werd in Nederland in eerste instantie vooral gebruikt door non-profitorganisaties. Bijvoorbeeld door Greenpeace. Sjoerd Jongens (1950) vertelt over het vroege gebruik van e-mail door de organisatie en over de samenwerking met De Digitale Stad / Hack-Tic resp. met Michael Polman (1956) van Antenna in Nijmegen.

"Greenpeace-medewerkers moesten wereldwijd communiceren, soms onder hoge druk. Snelheid en betrouwbaarheid zijn daarbij van essentieel belang. Jongens zegt dat Greenpeace geen andere keuze had dan snel overgaan op deze technologie."(61)

"De activiteiten van Hack-Tic en DDS sloten naadloos aan op de visie en soms tegendraadse werkwijze van Greenpeace. 'Het klikte gelijk goed, ja. Niet alleen in technisch opzicht, maar ook ideologisch. Wij zijn ook hackers op onze manier, ' grijnst Jongens."(63)

[Oh, hadden ze geen keuze? Er is altijd een keuze. De keuze was om de hobbie van de Amerikaanse techneut Dick Dillman te volgen en om het geld van de donaties in techniek te stoppen in plaats van in bijvoorbeeld mensen. Je ziet hier een voorbeeld van hoe kritiekloos de interviews gehouden zijn. Stelde Doppert ooit lastige vragen of wilde ze gewoon bij de club horen? Welke 'hoge druk'? Waarom was snelheid van belang? Hoezo is e-mail dan het goede middel? Wat bedoel je met dat het 'ideologisch klikte'? En zo voort. Je kunt aan deze weergave werkelijk niets merken van een kritische afstand.]

[Welke argumenten speelden een rol in de discussie over de inzet van computertechniek binnen Greenpeace - zie p.63-65? Het wordt niet echt duidelijk. Welke tegenargumenten van medeactivisten in zijn onderzoeksgroep Basta kwam Michael Polman in 1981 tegen bij zijn pogingen om de PDP11 van zijn faculteit in te zetten voor activistische doelen? Alleen maar dat computers instrumenten van overheersing door overheid en commercie waren? Hoe simpel.]

"De techniek lag klaar. Nu de mensen nog. Basta beschikte over onderzoeksdata en wilde graag samenwerken met andere, buitenlandse clubs. De interesse voor computers in de actiewereld was echter nihil. Tot groot ongenoegen van Polman."(67)

"Langzamerhand druppelde het enthousiasme voor computers en e-mail door in activistenkringen. Vooral het gebruik van e-mail werd bij veel actiegroepen in hoog tempo onmisbaar. Niet alleen Greenpeace besefte dit, ook een vakbondsondersteunende club zoals TIE (Transnationals Information Exchange) behoorde begin jaren tachtig tot de eerste lichting e-mailgebruikers."(69)

"Het gebruik van e-mail door actrieclubs zoals mensenrechtenorganisaties had direct veel effect. Verdwijningen van mensen in Latijns-Amerika werden dankzij e-mail sneller openbaar gemaakt. Het gebruik van internet - en dan vooral de e-mail - heeft ook een grotere slagkracht gegeven aan de mensenrechtenbeweging, meent Polman. 'Faxen en telexen waren nog te onderscheppen, maar e-mail via telefoonlijnen was veel moeilijker te stoppen'"(72)

[Kenmerkend. De techniek was er, nu moesten mensen overtuigd worden die te gebruiken. De evangelisatie-neiging onder techneuten zou eens onderzocht moeten worden. De propaganda 'onderwerp je aan god' werd nu vervangen door de propaganda 'onderwerp je aan de techniek / de computer' - logisch dat mensen met wantrouwen tegenover autoriteiten niet stonden te trappelen om daarin mee te gaan.]

[Ook zou eens onderzocht moeten worden hoe e-mail nu precies gebruikt is / wordt en of het gebruik ervan nu werkelijk zo veel efficiënter en productiever was / is. Wie hadden er nu eigenlijk toegang tot e-mail? Dat moet toch een heel kleine groep geweest zijn. En dat je e-mail minder gemakkelijk kunt onderscheppen dan faxen is natuurlijk onzin. En klopt het argument dat steeds gegeven wordt dat e-mail indertijd goedkoper was dan telefoon en fax? Hoe wordt dat uitgerekend?]

Polman en zijn groep gebruikten eerst de European Space Agency die computercapaciteit verhuurde. Daarna gebruikten ze Geonet, een commerciële e-mailprovider in Duitsland met een server in Londen.

"In 1986 richtte Polman de stichting Antenna op, de derde internetdienstverlener in Nederland na Surfnet en NLnet."(73)

Dit in de lijn van het gedachtengoed van Denis von der Weid uit Genève en zijn organisatie Antenna International die maatschappelijke organisaties ondersteunde met radioprojecten.

(77) 5 - Speels en zakelijk ontwerpen

Over het ontwerpen van grafische interfaces voor computergebruik. Eerst het meer algemene verhaal van Doug Engelbart, Alan Kay en Xerox Parc en de uitwerking ervan in de Apple Macintosh en PC's met Windows. Van Alan Kay komt de bureaublad-metafoor voor het beeldscherm. Met het ontstaan van het World Wide Web en grafische browsers werd het ook interessant om design te maken voor websites.

Een van de eersten in Nederland was Mieke Gerritsen (1962). Zij ontwiep bv. de huisstijl van De Digitale Stad en de startpagina vn XS4ALL. Met Geert Lovink organiseerde ze de eerste Browserdag, een ontwerpevenement. Ze werkte ook voor de VPRO toen die zich in 1994 op internet wierp. Dat laatste in samenwerking met Max Kisman.

In 1993 werd er in Amsterdam een Vormgevingsinstituut opgericht, waarvan de Engelse journalist en uitgever John Thackara (1951) directeur werd. Hij organiseerde voor 30 en 31 oktober 1993 met Willem Velthoven en Kristi van Riet van het tijdschrift Mediamatic de conferentie Doors of Perception over 'interactieve vormgeving' dat 650 belangstellenden trok. Al gauw kwamen er webdesignbedrijven op zoals Razorfish, Sapient, Rare Medium. Maar de designers hadden niet zo veel gevoel voor commercie. Louis Rosetto (1949) ontwikkelde zijn ideeën voor Wired in Amsterdam, maar kon het hier niet commercieel uitvoeren; Wired werd een zeer succesvol tijdschrift dat computertechniek koppelde aan leefstijl.

"Over de onderwerpen van de politieke activisten - de democratiserende kracht van internet, het vermeende recht op publiek domein en vrije informatiestroom - maakten ontwerpers zich niet druk. Ook Thackara zag internet primair als een manier om mensen op een frisse manier naar vormgeving te laten kijken."(89)

"Van Riet noemt zichzelf achteraf 'naïef als een deurklink'. Zij erkent dat zij en haar collega's in die tijd veel hebben gespeeld. (...) Van Riet heeft zich echter geen moment het belang gerealiseerd van het www en zeker niet dat de commercie zich er op zou storten. "(91)

(97) 6 - Netkunst is net kunst

Over het maken van netkunst, kunst dus met digitale middelen en met een mogelijke samenwerking via internet. Voorbeelden: ene Peter [vroeger was alles beter] Luining (1961), Mathilde Mupe (1962), Jodi, Arie Altena (1966). Probleem met zo'n vluchtig medium: de archivering.

[Niet echt interessant. Er ontstaan steeds nieuwe middelen om creatief mee te zijn. Deze keer de digitale mogelijkheden van internet / websites om op een andere manier teksten, beeld, animatie, audio, video te maken en die op een andere manierte distribueren. Iedereen deed dat, dus zelfbenoemde en officieel erkende kunstenaars ook. En ze konden er eindeloos over leuteren. So?]

(111) 7 - De eerste guldens rollen over internet

"Jarenlang was alleen een internetverbinding te krijgen via de stichting NLnet voor bedrijven of Surfnet voor universiteiten en aanverwante instellingen. Stichting NLnet zag officieel het licht in 1989 en was een afsplitsing van het Europese EUnet. De eerste Nederlandse aansluitingen waren universitaire informatica-afdelingen en researchinstellingen van bedrijven zoals Philips, Océ en Ericsson. Vervolgens werden softwarehuizen aangesloten."(111)

NLnet werd in haar groei tegengewerkt door de PTT die indertijd nog een monopoliepositie had en zich vaak bediende van vertragingstactieken. Ze slaagden er in hun backbone in 1994 te regelen met de Nederlandse Spoorwegen (dat hoe dan ook al een netwerk had voor het regelen van signalen en spoorwegovergangen). De VPRO was de eerste klant die van die backbone gebruik maakte.

[Ik snap hier de jaartallen niet. Er staat op p.114 dat het klantenbestand van NLnet tussen 1982 en 1992 met 40% groeide, terwijl eerder gezegd is dat de stichting NLnet het licht zag in 1989.]

In 1992 begon de levering van internetverbindingen aan gewone burgers, met als eerste de Hobby Computer Club (HCC) - een UNIX-gebruikersgroep. XS4ALL werd in 1993 de vierde organisatie die via NLnet op commerciële basis particuliere verbindingen aanbood. In 1994 werd dus die NS-backbone aangelegd.]

Volgen nog de verhalen over Planet Internet, Casa Rosso, Digicash. Het enthousiasme van het bedrijfsleven kende tussen 1996 en 2000 geen grenzen.

"Voorjaar 2000 zette de neergang in, de zogenaamde dotcom-crisis. Internet bleek helemaal geen goedkoop medium, de hoge investeringen in onder andere personeel en technologie leverden niet snel genoeg baten op. Geld steken in internetplannen leek op investeren in een bodemloze put. De beurskoersen van internetondernemers daalden, net zoals het vertrouwen van de investeerders."(125)

(131) 8 - Tot slot

Voornamelijk samenvatting van eerder beschreven onderwerpen. Er volgen nog een korte literatuurlijst, een begrippenlijst en een tijdslijn.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk