>>>  Laatst gewijzigd: 26 maart 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Filosofie van de techniek

Inleidingen

Mondiaal

Nederland

Voorkant Feenberg 'Questioning technology' Andrew FEENBERG
Questioning technology
London-New York: Routledge, 1999, 243 blzn.
ISBN-13: 978 04 1519 7540

[Feenberg studeerde filosofie aan de Univerity of California San Diego onder Marcuse. Hij is hoogleraar in techniekfilosofie aan de School of Communication van de Simon Fraser Unversity in Vancouver / Canada. Wat me aan dit boek bevalt is dat hij zich niet apathisch neerlegt bij een technologisch determinisme. Hij zoekt als het ware voortdurend naar de scheuren in het asfalt, naar die aspecten van de technologie waar de gebruikers in staat zijn aanpassingen te maken en het systeem open te breken. Wat me niet bevalt is dat dit boek een voorbeeld is van academische techniekfilosofie: Feenberg blijft erg hangen in filosofische theorievorming die wel erg abstract is. Waarom nog al dat commentaar bij allerlei andere filosofen die zo weinig concreet en maatschappijkritisch zijn als Heidegger? Tijdverlies. Ik vraag me werkelijk af wat de zin is van een boek als dit wanneer je de technocratie wilt bestrijden zoals Feenberg in feite wil.]

(vii) Preface

"As a new century begins, democracy appears poised for a further advance. With the environmental movement in the lead, technology is now about to enter the expanding democratic circle."(vii)

[Dit klinkt meteen opvallend positief, zo heel anders dan het fatalisme dat je bij veel andere techniekfilosofen aantreft die technologie als autonoom ervaren.]

Technologie is niet autonoom, je kunt het sociale en het technische domein niet scheiden, een democratische samenleving moet greep krijgen op technologie. Hier in dit boek wordt de samenhang tussen beide gethematiseerd. De ontwikkelingen op technologisch terrein zijn evenmin 'natuurlijk' en 'onontkoombaar' als de ontwikkelingen op economisch terrein. Een essentialistische techniekfilosofie moet bestreden worden.

"We have had enough of generalizations about technological imperatives, instrumental rationality, efficiency, enframing, and similar abstract categories. I offer here a concrete alternative to the approach of such influential representatives of essentialism as Ellul, Borgmann, Heidegger, and, for reasons I wil explain in chapter one, Habermas as well."(viii)

[We hebben er inderdaad genoeg van. Maar Feenberg ontsnapt - zo blijkt verderop - ook niet aan abstractie. Dat 'concrete alternatief' dat hij zegt te willen bieden is toch bepaald niet erg concreet.]

"This, I think, points to the basic weakness of essentialism. It has produced a powerful critique of the obsession with efficiency that is indeed prevalent in our society and reflected in the design of many devices and systems, but it has not shown that that attitude reveals the essence of real technology as it has existed historically, as it exists today, and as it may exist in the future. If essentialism is unaware of its own limitations, this is because it confounds attitude with object, the modern obsession with efficiency with technology as such. (...) Its many roles in our lives cannot be captured so simply. This is the burden of constructivist sociology of technology, which affirms the social and historical specificity of technological systems, the relativity of technical design and use to the culture and strategies of a variety of technical actors. Constructivism, in short, has introduced difference into the question of technology."(ix-x)

Je hebt namelijk dominante en ondergeschikte actoren op het terrein van de technologie. Voorbeeld: een huis, tegenwoordig het centrum van allerlei netwerken voor elektriciteit, warmte, communicatie en zo verder.

"To its builder, it is essentially these things. The fact that we who occupy the house romanticize it, hide many of its devices or shroud them in traditional facades, and dwell inside it rather than handling it like a tool obscures its basically technical character. (...) But the house also undeniably belongs to our lifeworld and is not merely an efficient device for achieving goals. Of course it does achieve goals, for example sheltering us from the weather, but it obviously does far more than this and belongs to the realm of meaning as much as anything we can name. We have 'domesticated' the technicized house and made it ours in all sorts of ways that have little or nothing to do with efficiency. The essence of technology, whatever that is, ought to encompass this complexity in principle. It ought to have categories under which we can recognize aspects of the house that are not reducible to a means-ends relationship."(xi)

Beide sferen hangen samen. Maar wanneer je je alleen baseert op de opvattingen van de dominante technologische actoren - de bouwers in dit geval - dat lijkt de betekenis die het huis heeft niets te maken te hebben met het technische aspect er van.

"Lifeworld meanings experienced by subordinate actors are eventually embodied in technological designs; at any given stage in its development, a device will express a range of these meanings gathered not from 'technical rationality' but from past practices of its users. Technology as a total phenomenon thus must include an experiental dimension since experience with devices influences the evolution of their design. This is a conclusion generously documented in constructivist sociology and social history of technology."(xii)

Een en ander heeft de politieke betekenis dat de verschillende groepen actoren zich voortdurend in een soort van strijd bevinden: de dominante groep van managers en technici neigt er bij het maken van een nieuwe machine bijvoorbeeld toe haar ideeën over efficiëntie door te zetten terwijl de groep gebruikers zal wijzen op wat er niet goed aan is qua gebruik in de praktijk of zal wijzen op de gevolgen voor allerlei groepen mensen.

"Here is the paradox of essentialism: critical though it is, it ends up agreeing implicitly with technocrats that the actual struggle in which people attempt to influence technology can accomplish nothing of fundamental importance."(xiv)

[Dat vind ik ook. Fatalisme betekent dat je alles laat bestaan zoals het is. Dat is per definitie in het belang van de mensen die profiteren van die status quo.]

Feenberg denkt dat een nieuw denken over technologie meer eenheid kan aanbrengen in allerlei sociale bewegingen aan de linkerkant van het politieke spectrum zoals de vrouwenbeweging, de milieubeweging, en zo verder.

"In all such democratic interventions, experts end up collaborating with a lay public in transforming technology. The proces is intermittent and conflictual today, but it is reasonable to suppose that social control of technology will eventually spread and be institutionalized in more durable and effective forms. (...) In this form it may someday provide a theme around which the left can articulate a utopian vision of a redeemed modernity."(xv)

(1) 1 - Technology, philosophy, politics

[Dit hoofdstuk geeft in feite een overzicht over waar het in de rest van dit boek over zal gaan, is dus een nogal gecomprimeerde weergave van verschillende benaderingen, waardoor de verschillen hier nog niet goed uit de verf komen.]

Het heeft lang geduurd voordat het nadenken over technische middelen serieus werd genomen. In de Oudheid werd er door de aristocratie op neergekeken, pas met Diderot ontstond er enige aandacht voor, maar dan weer als onderdeel van de economie en niet op zichzelf genomen.

"Common sense instrumentalism treated technology as a neutral means, requiring no particular philosophical explanation or justification."(1)

Het vooruitgangsdenken van de 18e/19e eeuw had weer een ander gevolg.

"By the end of the 19th century, under the influence of Marx and Darwin, progressivism had become technological determinism. Following the then common interpretation of these materialist masters, technical progress was believed to ground humanity's advance toward freedom and happiness.
Note the link between humanism and determinism."(1-2)

"They [progressive thinkers - GdG] assumed that the ends which technology serves are permanent features of our biological constitution. Technology was thought to be neutral since it did not alter these natural ends but merely shortened the path to them. This neutralization of technology removed it still further from political controversy. If technology merely fulfills nature's mandate, then the value it realizes must be generic in scope. In fact this is the story that is so often told: technology's advance is the advance of the human species. The editorial 'we' intervenes often in this story: 'we' as human beings went to the moon."(2)

In de 20ste eeuw blijkt dan de sociale en politieke impact van technologie, wat er toe kan leiden dat politiek gelijkgeschakeld wordt met technologie (technocratie) of er toe kan leiden dat technologie gezien wordt als een uitdrukking van specifieke waarden en juist niet als neutraal (substantivisme). Voorbeelden van die laatste: Heidegger, Weber (over de rationalisering), Ellul.

"Substantive critique has affinities with determinism. For both, technological advance has an automatic and unilinear character. What makes substantivism so very gloomy, where determinism started out as a cheerful doctrine of progress, is the additional assumption that technology is inherently biased toward domination. Far from correcting its flaws, further advance can only make things worse. I call this view essentialist. Essentialism holds that there is one and only one 'essence' of technology and it is responsible for the chief problems of modern civilization. I will offer both a critique of essentialism, which continues to set the terms of most philosophy of technology, and an alternative to it, in the concluding chapters of this book."(3)

Het dystopische gezichtspunt van het substantivisme werd in de 1960-er en 1970-er jaren ineens populair als reactie op de technocratie tijdens bijvoorbeeld de Vietnamoorlog (New Left-beweging, de Mei-opstand, de milieubeweging). Langzaamaan ontstond daarbij ook kritiek op deterministische opvattingen en een pleidooi voor meer controle op technologische ontwikkelingen (Marcuse, Foucault - 'left dystopians'; Frankfurter Schule met Habermas).

"In left dystopianism, politics and technology finally meet in the demand for democratic intervention into technical affairs. This is a significant turning point that promises to enlarge the range of the democratic public sphere to encompass issues formerly conceived as 'purely' technical."(8)

Tijdens de 1980-er jaren werd het aan de universiteiten respectabel om de geschiedenis en de sociologie van wetenschap en technologie te onderzoeken. Technologie werd niet meer als een speciale kracht gezien die van buitenaf op de samenleving inwerkte, maar simpelweg als een onderdeel van die samenleving dat net zo goed bestudeerd kon worden als elk ander onderdeel. Het constructivisme ontstond met aandacht voor de samenhang tussen doelen en middelen en voor toevallige ontwikkelingen. Het constructivisme concentreert zich op de sociale achtergronden en krachten die maken dat een bepaald technisch middel op een specifieke manier ontworpen wordt en populair wordt. Wanneer het middel er eenmaal is, wordt die sociale dimensie niet meer gezien en ontstaat de illusie dat een middel zich autonoom en puur technisch ontwikkeld heeft. Feenberg is kritisch ten aanzien van het constructivisme. Het zou politiek gezien een grote rol kunnen spelen door op macroniveau allerlei maatschappelijke invloeden duidelijk te maken die in de ontwikkeling van technische middelen een rol spelen.:

"But so far most constructivist research has confined itself to the study of the strategic problems of building and winning acceptance for particular devices and systems. Studies tend to be narrowly focused on the specific local groups involved in particular cases and lack any sense of the political context. Social resistance is rarely discussed, with the result that research is often skewed toward a few official actors whose interventions are easy to document. The frequent rejection of macro-sociological concepts such as class and culture further armors the research against politics by making it almost impossible to introduce the broad society-wide factors that shape technology behond the backs of the actors. (...) Where the old determinism overestimated the independent impact of the artifactual on the social world, the new approach has so disaggregated the question of technology as to deprive it of philosophical significance. It has become matter of specialized research. And for this reason most scholars in the humanities and in philosophy in particular now feel safe in ignoring technology altogether, except of course when they turn the key in the ignition."(11-12)

Sociale filosofie houdt zich dus niet meer zo bezig met technologie: mensen als Rawls, Nozick en zelfs Habermas zijn met andere dingen bezig. Postmodernisten benadrukken de culturele diversiteit en gaan uit van een epistemologisch relativisme waarbij de Westerse wetenschappelijke rationaliteit ter discussie wordt gesteld. Maar alleen aan de oppervlakte, vindt Feenberg.

"Must we choose between universal rationality and culturally or politically particularized values?"(14)

Beiden worden door Feenberg essentialistisch genoemd.

"The basic problem is essentialism. Heidegger and Habermas claim that there is a level at which instrumental action in modern societies can be considered as a pure expression of a certain type of rationality. However, as such, it is merely an abstraction. Real action always has a socially and historically specific context and content. (...) I argue, as Habermas himself once did, that the design and configuration of technology does more than merely accomplish our ends; it also organizes society and subordinates its members to a technocratic order."(17)

[Feenbergs overzicht is in hoge mate abstract. Ik hoop maar dat hij niet in een of ander academisch verhaal blijft hangen en werkelijk laat zien wat de praktische betekenis is van wat hij tot nu toe heeft aangekondigd.]

(18) Part I - The politicizing of technology

De hoofdstukken in dit deel gaan over twee grote sociale bewegingen: de studentenbeweging en de milieubeweging.

(21) 2 - Technocracy and rebellion: the May events of 1968

Het verzet tegen de technocratie speelde een centrale rol tijdens de Mei-beweging. De universiteiten - waaronder nadrukkelijk ook de sociale wetenschappen - leidden steeds meer op voor het establishment van politieke en economische elites. Studenten hadden geen zin meer om smeerolie te worden in de machine van het onrechtvaardige en aggressieve politiek-economische systeem van hun ouders en kwamen er tegen in opstand. Solidariteit met de werkers was groot.

"But as we will see the French students of 1968 had nothing in common with classical intellectuals [in de communistische partij bijvoorbeeld - GdG] motivated by philantropic concern for the welfare of their social inferiors."(25)

Het was geen anti-intellectualisme, maar een duidelijk verzet tegen de technocratie.

"In sum, the students found themselves at the leading edge of a contradiction that cuts across all modern societies, the contradiction between the enormous knowledge and wealth of these societies and the creativity they demand of their members, and the mediocre use to which this knowledge, wealth, and creativity is put. And they believed they had a solution to the problem in a transformation of the place of knowledge - and their own future role - in the social structure."(26)

"The struggles of May briefly dislocated one of the structural bases of capitalist democracy: the allegiance of the middle strata to the established parties and institutions."(31)

Leraren, journalisten, media-werkers, allemaal kwamen ze in opstand.

"In practice, the middle strata in revolt did not see themselves as members of either the ruling or the workling classes and, in contrast with the latter, their demands were primarily social and political. Their protest focused on the absurdity of 'consumer society'; they denounced the bureaucratic organization of their work and demanded the right to participate in the determination of its goals."(32)

"Their intermediary position reflects the ambiguous role of 'knowledge workers' in a technocratic society, caught between traditional elites and the mass of the population."(32)

De universiteit moest toegankelijk worden voor iedereen, de media-industrie moest onafhankelijk worden van de staat of partijen en het hele volk dienen, de dienstverlening door de staat (bijvoorbeeld ministeries als dat van Huisvesting) moest meer gericht worden op de gewone mensen, economische beslissingen in bedrijven moesten transparanter en democratischer worden, technische experts wilden hun onderzoek niet meer doen in het belang van het establishment maar in het belang van het volk.

"These examples illustrate a common pattern. In May 1968 the French middle strata did not so much feel useless or guilty about their priviliges as misused by those in command of the society. Their radical stand is best understood as an appeal to the population to redirect their work into more humane and productive channels."(35-36)

"The history of revolutions is a record of anticipated futures that never came to pass. These are branches off the main line of history that punctuate it with repeated images of freedom. The collective imagination of those in revolt recalls and reworks these images in accordance with the varying conditions of time and place. In opposition to the accepted wisdom - that society is fate, that the individual must adapt to survive - revolutions demand that society be adapted to the individuals. This demand opens a vertiginous abyss beneath the feet of whole peoples who the day before trod the solid ground of everyday life."(36)

Zelfbestuur in de vorm van allerlei raden en commissies is daarom moeilijk gebleken in alle revoluties.

"As a result, industrialism has continued to develop on the track originally set by its capitalist origins. Its central problem is still control of the labor force which, lacking ownership or identification with the firm, has no very clear reason to favor its success. The instruments of that control, management and technological design, have rooted the system so deeply in consciousness and practice that it seems the outcome of progress as such. The fact that the system has been shaped not only by technical necessities but also by the tensions of the class struggle has been forgotten."(40)

"While the May Events did not succeed in overthrowing the state, they accomplished something else of importance, an anti-technocratic redefinition of the idea of progress that continues to live in a variety of forms to this day. (...) In the domain that interests us here, these movements were precursors that announced the limits of technocratic power."(43)

(45) 3 - Environmentalism and the politics of technology

Binnen de milieubeweging ontstonden langzamerhand grote meningsverschillen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het debat - over het relatieve belang van de controle op bevolkingsgroei resp. vervuiling - van 1971 tussen Paul Ehrlich en Barry Commoner. Voor Ehrlich was de groei van het aantal mensen de oorzaak van de aantasting van het milieu, voor Commoner waren het de fouten in de productieverhoudingen.

"At the core of the disagreement are very different views on the nature of technology. Fundamentalist environmentalism emphasizes control of growth because it can conceive of no change in the industrial order that would render it ecologically compatible (Ulrich, 1979). Technological determinism thus leads straight to a Malthusian position for which environmental and economic values must be traded off against each other. This is Ehrlich's position. Commoner's contrary view depends on a non-determinist philosophy of technology which admits the possibility of radical technical tranformation. Only on this condition can growth and the environment be reconsiled. In this chapter, I review their early debate and some of their more recent positions with a view to gaining historical perspective on these environmental controversies."(47)

De controverse was er na WO II ook al in de discussies over de atoombom en ontwapening ('the scientists movement for nuclear disarmament' - zie Smith, 1965). Wetenschappers meenden dat het mogelijk was om nationale en klassetegenstellingen te overstijgen om het gevaar van een nucleaire ramp te voorkomen. In de praktijk ontstond de Koude Oorlog. Iets vergelijkbaars geldt voor de controverses binnen de milieubeweging. Ehrlichs boek uit 1968 heette niet voor niets The Population Bomb.

"Like a natural disaster of planetary scope, the environmental crisis could unify humankind beyond historic rivalries in a more fundamental confrontation with nature itself."(48)

"Like the postwar scientists' movement, his [Ehrlichs - GdG] strategy rested on augmenting the authority of the scientific community to the measure of the crisis it identified. He was therefore anxious to preserve a united front of scientific opinion ..."(49)

Maar Commoner was er al langer van overtuigd geraakt dat consensus over milieukwesties onmogelijk zou zijn en dat klassetegenstellingen een rol zouden blijven spelen.

"As far as he was concerned, there could be no true environmental consensus. The millennial conflict of rich and poor invaded this new common ground as it has every similar locale on which humanity has attempted to set up camp."(49)

Ehrlichs Zero Population Growth-beweging werd door allerlei bevolkingsgroepen gewantrouwd als een initiatief van de rijke witte bovenlaag. En wanneer je naar allerlei uitspraken en teksten kijkt - Ehrlich was het aanvankelijk bijvoorbeeld eens met Paul en William Paddock die arme landen niet wilden helpen met voedsel omdat de bevolking daar zich dan weer zou voortplanten - was dat terecht.

"It is no wonder that blacks were frightened by a propaganda the ultimate implication of which was their forcible sterilization (a practice, which, if rare, was by no means unknown in the US). The attitude of some zero population growth advocates toward the Third World indicates, furthermore, that these fears may indeed have been justified. For, when the crowded slum was in a foreign country there was no hesitation at all about invoking force in the name of population control."(50-51)

En die dwang zou dan ook nog eens uitgeoefend moeten worden door de V.S. Later liet Ehrlich dat los en bepleitte sturing door een wereldregering (zoals Oppenheimer voor hem had gedaan rondom atoomwapens). Maar het blijven universalistische ideeën van een rijke witte bovenlaag die bijzonder gevaarlijk zijn:

"This is because mutual coercion is the prerogative of approximately equal powers. But only the developed countries have the capacity to enforce their will. Furthermore, it is primarily in these countries that there is significant popular support for coercing poor nations into population control programs. The kind of world government which would use force to impose demographic controls would be a government of the developing countries by the developed ones."(53)

[Alleen al die uitdrukking 'ontwikkelde landen' tegenover 'landen die zich nog moeten ontwikkelen' ... Op welk punt? Kapitalistische productieverhoudingen? Egoïsme? Consumentisme? Welvaartsziekten? En wanneer je dan bedenkt dat de rijke westerse landen als de V.S. zelf het milieu het meest kapot maken en de aarde het meeste uitputten, dan worden dit soort ideeën helemaal wrang.]

"As a Malthusian, Ehrlich emphasized the objective, natural limits of the biosphere, the absolute scarcities which confront the human race. His work popularized this approach, which quickly found echoes in a multitude of proclamations and essays announcing a new age of limits."(53)

Zoals het rapport van de Club van Rome van 1972, het boek An inquiry into the human prospect van Robert Heilbroner, en op een mildere manier Ehrlichs latere werk.

"All these Malthusian positions treat society as a natural object ruled by deterministic laws. (...) Technology too is naturalized by the assumption that economic growth implies more technology of the sort we use now. Short shrift is made of proposals for using less harmful technologies ... "(54)

"As we will see, Commoner argues that both our technological means and our economic goals can evolve to include health and environmental considerations currently ignored or undervalued. Change may occur in both the problems to which modern indusrtrial technology is addressed and the solutions it offers, reconciling growth with the environment. (...) For Commoner, environmental problems of all sorts, including overpopulation, are effects of social causes inherent in capitalism and colonialism. (...) If social factors influence reproductive behavior [zoals inderdaad gebleken is - GdG] we need to create conditions in which those factors slower population growth in the poorer countries. This will require, not 'coercion in a good cause' but massive economic aid. Since the population problem is primarily social rather than biological, a social solution is appropriate."(55)

[Toch een heel andere opvatting dan de deterministische van Ehrlich, inderdaad. En ook over de samenhang tussen overbevolking en vervuiling denken ze heel anders. Ik ben het zo ver ik kan beoordelen het meest eens met de benadering van Commoner.]

"Thus not biological and technological determinism, but economics lies at the root of the environmental crisis."(56)

[Dat vindt Commoner en ik zelf zeg dat ook al de hele tijd. En dat standpunt geldt niet alleen voor de milieucrisis.]

"Technological design must be freed form the profit system."(57)

[Nog zo een ... Uiteindelijk draait het - zoals Feenberg terecht opmerkt - weer om de discussie tussen kapitalisme (Ehrlich) en socialisme (Commoner).]

"On balance, Commoner seems to get the better of this argument. (...) Commoner achieves a more realistic assessment of the problems with a more socially conscious method."(58-59)

Een voorbeeld van hoe beide benaderingen in een concreet geval zouden uitwerken:

"From a pure technical point of view, rapid, drastic and necessarily coercive reduction in the number of people is environmentally equivalent to changing the technology used by a much larger population. For example, Los Angeles smog could be halved by halving the population - hence also automobile use - in the city. But the same result could also be achieved at present population levels by halving emissions from the cars in use, or by substituting mass trnasit for half the cars. Even though the environmental result is similar in these cases, there is no moral equivalence between such very different policies as requiring smog control devices on cars and legally limiting families to a single child."(60)

Commoner had gelijk om milieukwesties politiek te zien en om ze onderdeel te maken van een kritiek op het kapitalisme. De positie van de kapitalist daarin is duidelijk:

"The capitalist's relation to the environment is shaped by his short-term focus on profits and his ability to shift costs away from himself on to others. Environmental constrains often conflict with popular marketing strategies, such as increasing automotive horsepower, or threaten potentially profitable investment opportunities. Pollution appears as an externality in all his calculations, an externality largely suffered by others because he has the means to escape its worst effects privately, by buying air-conditioning for his house and his car, living in the suburbs or the country, vacationing in unspoiled regions, and so on.
Conclusion: capitalism wil resist environmental controls until they become unavoidable and then attempt to get others to bear the burden. This theoretical prediction has been a fairly good description of business attitudes in the United States."(63)

De positie van de werkers daarentegen is minder duidelijk. Zij hebben direct last van die vervuiling, dus je zou zeggen dat ze zich gemakkelijk achter de milieubeweging zouden scharen. Maar werkers maken vaak heel andere keuzes, zo is gebleken. Hun positie is dubbelzinnig.

[Ik vind dat logisch. Arbeiders zijn afhankelijk van hun werk, wanneer het bedrijf waar ze werken bijvoorbeeld minder concurrerend wordt door allerlei milieumaatregelen zouden ze - zeker in de V.S., waar het hier in de discussie nogal veel over gaat - hun werk kwijt kunnen raken of minder inkomen kunnen krijgen. Natuurlijk zijn velen niet blij met een vervuild milieu, maar dat is nog wat anders dan je eigen bedrijf aansprakelijk stellen. De kapitalist kan zich permitteren om opvattingen te hebben, de arbeider in veel situaties helemaal niet: er moet brood op de plank komen. Bovendien moeten we arbeiders niet idealiseren waar het gaat om hun besef van maatschappelijke en politieke problemen of om hun inzichten daarin. Veel arbeiders denken even korte-termijn als hun bazen. Veel arbeiders willen gewoon blijven doen wat ze al zo lang doen en verzetten zich tegen verandering, ook net als hun bazen. En dan hebben we het w.b. de V.S. nog maar niet over de invloed van religie, sport, media, en zo verder op de opvattingen van de werkers.]

"When he wrote The Closing Circle Commoner was convinced that the intensified class conflict generated by the ecological crisis would be a great school in environmental policy. He believed that in this school American workers would learn to understand the economic mechanisms which cause the crisis and to reject equally the arguments of those who dismiss environmentalism and those who attempt to turn it in to an issue of individual morality [Feenberg gaf al eerder een voorbeeld van hoe een kapitalist een campagne lanceerde rondom individuele verantwoordelijkheid voor vervuiling - GdG]. In fact, labor environmentalism never played the central role he predicted. The failure of his strategy raises serious questions about his whole approach."(64)

Commoner vertrouwt nog klassiek marxistisch op het klassebewustzijn van de arbeiders en vergeet daarbij alle politieke en culturele invloeden die kunnen meespelen, zegt ook Feenberg.

"What is needed then is a theory not of individual lifestyle, nor only of social control over production, but also of cultural change. But Commoner was trapped in an overly rationalistic communication model that relied exclusively on scientific persuasion. His adveraries meanwhile seized on all the symbolic machinery of environmental consciousness-raising and turned it to account in the pursuit of policies he deplored.
Of course Commoner was right to reject the exaggerated environmental role they attributed to lifestyle politics. But personal involvement in environmentalism through gestures such as consumer boycotts, recycling, or conserving water are among the most effective means of cultural change available to the movement. Even if they have a limited impact on the environment, they change people and must not be rejected because they are no ultimate solution and have on occasion been accommodated to reactionary policies. Significantly, as Commoner has become involved with movements against toxics and for recycling, he too has come to recognize the importance of voluntarism in the environmental movement, not for the sake of self-imposed poverty, but as a source of cultural change."(67)

(72) Part II - Democratic rationalization

"The three chapters of this section develop a theory of democratic technical change based on a revised constructivist approach."(73)

(75) 4 - The limits of technical rationality

"A great deal of 20th century social thought has been based on a pessimistic view of modernity that achieved its classic expression in Max Weber's theory of rationalization. According to Weber, modernity is characterized by the increasing role of calculation and control in social life, a trend leading to what he called the 'iron cage' of bureaucracy. This notion of enslavement by a rational order inspires pessimistic philosophies of technology according to which human beings have become mere cogs in the social machinery, objects of technical control in much the same way as raw materials and the natural environment. While this view is overdrawn, it is true that as more and more of social life is structured by technically mediated organizations such as corporations, state agencies, prisons, and medical institutions, the technical hierarchy merges with the social and political hierarchy.
The idea and (for some) ideal of technocracy grows out of this new situation. Technocracy represents a generalization to society as a whole of the type of 'neutral' instrumental rationality supposed to characterize the technical sphere. It assumes the existence of technological imperatives that need only be recognized to guide management of society as a system. Whether technocracy is welcomed or abhorred, these deterministic premises leave no room for democracy."(75)

Feenberg wil dit soort gedachten omdraaien via de paradox 'democratische rationalisatie'. Hij wil laten zien dat de enige reactie op een technocratie niet is om te vervallen in een irrationeel romantisch anti-dystopisch programma. Technologie is ambivalent. Nieuwe technologie kan ook gebruikt worden om bestaande machtsverhoudingen te ondermijnen en daarmee een samenleving te democratiseren.

"We need not go underground or native to escape the iron cage. In this chapter and the next I will show that this is in fact the meaning of the emerging social movements to change technology in a variety of areas such as computers, medicine, and the environment."(76)

"Faith in progress has been supported for generations by two widely held deterministic beliefs: that technical necessity dictates the path of development, and that that path is discovered through the pursuit of efficiency. So persuasive are these beliefs that even critics of progress such as Heidegger and Ellul share them. I will argue here that both beliefs are false, and that, furthermore, they have anti-democratic implications."(77)

Van technologie wordt gezegd dat ze een unilineaire koers volgt - de richting van de 'vooruitgang' loopt van eenvoudig naar complex via een aantal noodzakelijke stappen - en dat ze eisen stelt waaraan de sociale wereld zich moet aanpassen (bijvoorbeeld: spoorwegen leiden tot een bepaalde manier van omgaan met de tijd: klokken, precisie, etc.).

"These two theses of technological determinism present decontextualized, self-generating technology as the foundatiion of modern life. And since we in the advanced countries stand at the peak of technological development, the rest of the world can only follow our example. Determinism thus implies that our technology and its corresponding institutional structures are universal, indeed, planetary in scope."(78)

Maar beide uitgangspunten over het determinisme kloppen niet. Het constructivisme als sociologie van de technologie laat zien dat er geen puur rationele criteria (zoals techische effectiviteit) bestaan die voldoende kunnen verklaren dat sommige innovaties succes hebben en andere niet. Er zijn vaak geen logisch dwingende redenen om het ene technische middel te verkiezen boven het andere (onderdeterminatie). Ook economische efficiëntie is niet zo'n criterium.

"Constructivism argues, I think correctly, that the choice between alternatives ultimately depends neither on technical nor economic efficiency, but on the 'fit' between devices and the interests and beliefs of the various social groups that influence the design process. What singles out an artifact is its relationship to the social environment, not some intrinsic property."(79)

"The bicycle example is reassuringly innocent as are, no doubt, the majority of technical decisions. But what if the various technical solutions to a problem have different effects on the distribution of power and wealth? Then the choice between them is political and the political implications of that choice will be embodied in some sense in the technology."(80)

"Determinism ignores these complications and works with decontextualized temporal cross-sections in the life of its objects. It claims implausibly to be able to get from one such momentary configuration of the object to the next on purely technical terms. But in the real world all sorts of attitudes and desires crystallize around technical objects and influence their development. (...) If this is true, then technological development is a social proces and can only be understood as such.
Determinism is a species of Whig history which makes it seem as though the end of the story were inevitable from the very beginning. It projects the abstract technical logic of the finished object back into its origins as a cause of development, confounding our understanding of the past and stifling the imagination of a different future. Constructivism can open up that future, although its practitioners have hesitated so far to engage the larger social issues implied in their method."(80-81)

Er is dus geen unilineaire technische vooruitgang en technologie determineert evenmin de sociale wereld in één bepaalde richting: technologie kan zich ook aanpassen aan heel verschillende sociale wensen en eisen en is dus niet meer dan één van de vele sociale variabelen, al is het wel een steeds belangrijkere. Die visie heeft meteen ook politieke gevolgen:

"If technology has many unexplored potentialities, no technological imperatives dictate the current social hierarchy. Rather, technology is a site of social struggle, in Latour's phrase, a 'parliament of things' on which political alternatives contend."(83)

Technologie is dus méér dan een verzameling van technische of rationele middelen die functioneel zijn voor gegeven doelen. Technologie / technische middelen hebben een hermeneutisch interpreteerbare betekenis en kunnen door de menswetenschappen dus net zo goed bestudeerd worden als sociale instituties, gewoonten, kunstvormen, en zo verder.

"With such a hermeneutic approach, the definition of technology expands to embrace its social meaning and its cultural horizon. (...) From that standpoint, I would like to introduce Bruno Latour's and Jean Baudrillard's quite different but complementary proposals for what I will call a hermeneutic of technology."(84)

Technische middelen omvatten voor Latour allerlei sociale waarden en normen die mensen verplichten op een bepaalde manier te handelen. Baudrillard heeft het meer over de esthetische en psychologische dimensies van technische middelen.

"Baudrillard's approach opens technology to quasi-literary analysis. Indeed, technologies are subject to interpretation in much the same way as texts, works of art, and actions. However, his model still remains caught in the functionalist paradigm insofar as it takes the distinction between denotation and connotation for granted. In reality, that distinction is a product not a premise of technical change. There is often no consensus on the precise function of new technologies."(85)

"Technical design responds not only to the social meaning of individual technical objects, but also incorporates broader assumptions about social values. The cultural horizon of technology therefore constitutes a second hermeneutic dimension. It is one of the foundations of modern forms of social hegemony. As I will use the term, hegemony is domination so deeply rooted in social life that it seems natural to those it dominates. (...)
Technological development is constrained by cultural norms originating in economics, ideology, religion, and tradition. (...) Design specifications simply incorporated the sociological fact of child labor into the structure of devices. The impress of social relations can be traced in technology. (...) Thus, what Marcuse called 'technological rationality' and Foucault the 'regime of truth' is not merely a belief, an ideology, but is effectively incorporated into the machines themselves."(86-87)

In het ontwerp van technische middelen wordt op een gegeven moment de voorkeur gegeven aan een bepaalde configuratie (vanuit een technisch kader of regime of paradigma) op basis waarvan het middel verder ontwikkeld wordt. Dat vaststellen van die voorkeur wordt 'closure' (sluiting van het debat) genoemd.

"Such regimes incorporate many social factors expressed by technologists in purely technical language and practices. I call those aspects of technological regimes which can best be interpreted as direct reflections of significant social values the 'technical code' of the technology. Technical codes define the object in strictly technical terms in accordance with the social meaning it has acquired."(88)

De vraag die opduikt wanneer je de dingen zo presenteert is: waarom zijn we ons zo weinig bewust van de publieke interventies die technische middelen in het verleden vormden? waarom lijkt hun ontwikkeling volstrekt apolitiek? Omdat al die keuzes als het ware onzichtbaar worden en zich gaan verschuilen achter het technische middel (geïncorporeerd worden). Daardoor worden oude discussies vergeten en gaan de technici zich weer autonoom voelen - alsof ze het allemaal zelf zo beslist hebben. Je vraagt je af waarom ingenieurs enz. zelf niet meer de nadruk leggen op de waardengebonden keuzes die gemaakt moeten worden bij het ontwikkelen van een technisch product (hier 'reflexive design' genoemd). Dat zou immers kunnen voorkomen dat er flinke discussies (bijvoorbeeld door consumenten) ontstaan wanneer het product al op de markt is gebracht. Het is een trend die Feenberg wel ziet op het terrein van ICT: daar zie je regelmatig dat de technische middelen worden aangepast aan de behoeften en werkwijzen van de gebruikers.

"Examples like this give a hint of the deeper significance of the new theories of technology. The issue is not simply 'society's responsibility' for controlling technology, but extends to a reflexive transformation of technical disciplines themselves as the design process becomes socially conscious."(91)

Dat dat vaak niet gebeurt en technici nog steeds hameren op autonomie heeft veel te maken met het idee dat je technische producten economisch gezien het meest efficiënt kunt ontwikkelen wanneer allerlei mensen je er niet bij lastigvallen met hun ideeën en ervaringen.

"Is a democratic alternative to technocracy conceivable? Can a technological society pursue environmental goals without sacrificing prosperity? Many would answer these questions in the negative, claiming that public involvement in technology risks slowing progress to a halt, that democratization and environmental reform are tantamount to Luddite reaction. In this section I will address this objection through an analysis of the limits of technical rationality in social policy."(92)

"Technology is thus not merely a means to an end; technical design standards define major portions of the social environment, such as urban and built spaces, workplaces, medical activities and expectations, life patterns, and so on. The economic significance of technical change often pales beside its wider human implications in framing a way of life. In such cases, regulation defines the cultural framework of the economy; it is not an act in the economy."(97)

[Ik vind de laatste acht bladzijden van dit hoofdstuk tamelijk onhelder of abstract. Het is heel verdedigbaar om vanuit bepaalde maatschappelijke waarden limieten te stellen aan de ontwikkeling en invoering van nieuwe producten en aan alle economische activiteiten er om heen. Dat betekent dus inderdaad dat er regulatie zal zijn van de kant van overheden en zo verder. Misschien heeft mijn verbazing over zo veel woorden van Feenberg hier te maken met dat regulatie voor Europeanen wat acceptabeler is dan voor Amerikanen.]

(101) 5 - The problem of agency

Ondanks alle argumenten die tegen technocratische opvattingen zijn in te brengen, wil de technocratie maar niet verdwijnen.

"Expertise legitimates power in society at large, and 'citizenship' consists in the recognition of its claims and conscientious performance in mindless subordinate roles. The public sphere withers; a literal reign of silence is instituted as one-way communication replaces dialogue and debate throughout society.
The resulting weakness of democratic interventions into technology is symptomatic. The fundamental problem of democracy today is quite simply the survival of agency in this increasingly technocratic universe."(101)

Hoe kan het dat de technocratie de oppositie het zwijgen oplegt? De media spelen er een rol in. Maar er moet ook iets aan de hand zijn in de sociale leefwereld dat verklaart waarom de technocratische ideologie zo effectief is. Zo bevatten technische middelen en systemen geïncorporeerde normen (Latour) waarmee ze dus prescriptief zijn voor het gedrag van mensen.

"Technocracy thus succeeds in masking its valuative bias behind the facade of pure technical rationality."(103)

Het is een illusie gebleken dat dat hele systeem in een keer omgegooid kan worden. Maar wat wel kan is een bescheiden inspelen op lokale problemen en het verbeteren van locale situaties (micropolitiek; democratische rationalisatie noemt Feenberg het).

"Micropolitics has no general strategy and offers no global challenge to the society. It involves many diverse but converging activities with long-term subversive impacts. This approach is particularly relevant in the technical sphere where it is difficult to conceive totalizing strategies of change."(104)

"It is this sort of agency that holds the promise of a democratization of technology. Technical politics foreshadows a world in which technology, as a kind of social 'legislation' affecting every aspect of our lives, will emerge from these new types of public consultation."(105)

Cultuurstudies kunnen daarbij helpen (waaronder met name die vanuit de hoek van de Frankfurter Schule, Silverstone, Lie-Sorensen).

"I have proposed the term 'democratic rationalization' to signify user interventions that challenge undemocratic power structures rooted in modern technology. With this concept I intend to emphasize the public implications of user agency. I would like to reserve it for cases that have such implications so as not to confuse it with other types of adaptation of and to technology."(108)

Een en ander sluit aan op het denken van de Frankfurter Schule, maar een revisie van de Kritische Theorie is wel nodig. Michel Foucault, Michel de Certeau en Bruno Latour helpen om daar een start mee te maken. Ook Michel Callon's Actor Network Theory is daarvoor interessant.

"Together, they provide the basis for a theory of democratic interventions in the technical sphere. (...)
Technical objects are not 'things' in the usual sense, but nodes in a network that contains both people and devices in interlocking roles."(114)

"Callon notes that networks are constructed by 'simplifying' their members, that is, by enrolling them under a definite aspect that serves the program while ignoring other aspects that do not."(115)

Maar dat kan wel mislukken - door allerlei onverwachte gevolgen, door alle betrokken actoren, door onbekende factoren - waardoor een netwerk instabiel wordt. Dat biedt de ruimte voor allerlei vormen van democratische rationalisaties.

"To be a citizen is to be a potential victim. This is why information plays such a critical role in environmental politics: the key struggles are often decided in the communicative realm by making private information public, revealing secrets, introducing controversy into supposedly neutral scientific fields, and so on. Once corporations and government agencies are forced to operate under public scrutiny, it becomes much more difficult to support dangerous technologies such as nuclear power."(120)

[En dat werkt niet alleen zo op het terein van milieukwesties, wil ik er aan toevoegen.]

Maar professionals kunnen ook zelf de dialoog aangaan met betrokkenen.

"In still other cases users appropriate technologies creatively, reinventing existing devices through innovative applications. The computer field offers striking illustrations of this new politics of technology."(121)

"Technical controversies, innovative dialogues, and creative appropriations such as these have become inescapable features of contemporary political life. They open technical issues to general democratic debate and lay out the parameters for official 'technology assessment'. I develop these examples in more detail in the remainder of this section."(121)

"But are such movements truly emancipatory? Do they not simply deepen our involvement with technology in accord with the dystopian logic of modernity? The protest against dystopia draws its justification from the necessity of protecting certain dimensions of human life from technization. And it is true that advanced societies enroll their members in ever wider technical networks which, as dystopian pessimists claim, do indeed constrain behavior significantly. But absolute opposition to technology leaves no room for practical criticism and reform. Even as technology expands its reach, the networks are themselves exposed to transformation by the individuals they enroll. Human beings still represent the unrealized potential of their technologies. Their tactical resistances to established designs can impose new values on technical institutions and create a new type of modern society. Instead of a technocracy in which technology everywhere trumps human communication, we may yet build a democratic society in which technical advance serves communicative advance."(128)

[Ik weet nog niet wat ik van dit hoofdstuk moet vinden. Het blijft deels heel abstract waarbij het steunt op allerlei theorieën van anderen - zodat ik denk: wat hebben we daar nu aan in het bestrijden van een technocratische samenleving? Maar er is ook een duidelijk geloof in de mogelijkheden van mensen om technologie uit zelfbescherming naar hun eigen hand te zetten - en dat vind ik wel mooi. Ik zie alleen nog steeds niet hoeveel ruimte mensen daarvoor hebben. Er is wel enige ruimte, maar zet dat zoden aan de dijk? Op zo'n moment vind ik het wel jammer dat Feenberg zo veel tijd besteed aan abstracte theorie.]

(131) 6 - Democratizing technology

Technologie is zo langzamerhand machtiger dan de politieke instituten en wordt daarmee zelf een soort van 'wetgevende macht'.

"The legislative authority of technology increases constantly as it becomes more and more pervasive. But if technology is so powerful, why don't we apply the same democratic standards to it we apply to other political institutions? By those standards the design process as it now exists is clearly illegitimate."(131)

Omdat er sprake is van een technocratie die niet geïnteresseerd is in de mening van het grote publiek.

"The very right of the public to involve itself in technical matters is constantly called into question. In the technical sphere, it is commonly said, legitimacy is a function of efficiency rather than the will of the people, or rather, efficiency is the will of the people in modern societies dedicated above all to material prosperity."(131)

Maar een en ander wordt in de politieke wetenschappen nauwelijk gethematiseerd.

"Admittedly, the reluctance of democratic theorists to discuss technology, much less to incorporate it into political theory, is not much abated by the anti-modern rhetoric of a few highly visible critics of technology. Nor do the wild projections of uncritical enthusiasts alter the scholarly inclination to ignore the whole technology business as a mare's nest. A much more nuanced approach is needed to bring the democratic theorists out of hiding and to involve them in the discussion."(132)

Over directe en representatieve democratie. De eerste vorm is alleen mogelijk in kleinschalige settings. De tweede vorm is een schaduw geworden van het idee 'publieke sfeer' omdat de media zich al lang de 'openbare' discussies hebben toegeëigend en de gewone mensen niet méér kunnen doen dan een stem uitbrengen in de hoop dat die niet verkwanseld wordt door degenen die ze kiezen. Er wordt daarom gezocht naar een betere vorm van representatie. Feenberg bespreekt Benjamin Barber's ideeën over 'sterke democratie'.

"He [Barber] is concerned with agency because of its importance in shaping the citizenry. Democratic interventions into technology, which frequently take a populist form, would seem to fit right in. However, Barber scarcely mentions technology, and his motion of leadership in a strong democratic society sidesteps the specifically technical problems of management and expertise.(...)
Richard Sclove has tried to rectify that oversight with a well developed defense of strong democracy in the technical sphere."(134)

Ook al is het van belang om te erkennen dat een moderne samenleving niet kan bestaan zonder experts op allerlei - vaak technische - terreinen, je kunt dat laten samengaan met een aanpak die Barber en Sclove graag willen: het versterken van allerlei vormen van directe participatie in lokale gemeenschappen. Sclove wil bijvoorbeeld graag dat (criteria voor) ontwerpen voor producten etc. openstaan voor publieke discussie / besissing.

"It is not just that user participation in design responds to the democratic ideal of widening opportunities to intervene in public life. Still more important for Sclove is the expected impact of lay participation on the elitist culture and design criteria of the technical professions. Here Sclove's argument converges with my own. We agree that where the public is involved in technological design, it will likely favor advances that enlarge opportunities to participate in the future over alternatives that enhance the operational autonomy of technical personnel."(135)

Het hele idee 'locale gemeenschap' is vanwege de extreme mobiliteit van mensen wel een enigszins achterhaald idee. Sclove bepleit een versterking ervan door als criterium te stellen dat lokale gemeenschappen technisch zelf-voorzienend moeten worden en hun afhankelijkheid van centrale voorzieningen moeten afbouwen. Maar is dat wel mogelijk? Rein de Wilde gelooft niet zo in populisme.

"The accumulation of specialized knowledge and expertise implies a necessary specialization of personnel and function. The direct creation and appropriation of technology by users, characteristic of premodern societies, is no longer possible."(138)

"Technical representation is not primarily about the selection of a trusted personnel, but involves the embodiment of social and political demands in technical codes. These codes crystallize a certain belance of social power."(142)

[Ik weet niet, hoor. In dit hele verhaal wordt wel heel gemakkelijk vergeten dat de technische ontwikkeling gedragen wordt door grote commerciële bedrijven die - afgezien van marketing-overwegingen - niet de neiging hebben zich ook maar iets gelegen te laten liggen aan de inspraak van de consument. Zij hebben mogelijkheden om macht uit te oefenen die ongekend zijn. Als zelfs de overheid ze niet of nauwelijks onder controle kan krijgen, hoe kan een lokale gemeenschap van gebruikers van techniek dat dan wél? Ik vind de vergelijking tussen politieke wetgevende macht en de wetgevende macht van technologie dan ook volkomen mank gaan. Politici representeren in ieder geval nog het volk dat stemt, al kunnen ze het behoorlijk bont maken door met de wensen van het volk geen rekening meer te houden. Een commercieel bedrijf dat technische middelen produceert om winst te maken heeft een heel andere relatie met het volk en is feitelijk een dictatuur. Dat het volk gerepresenteerd wordt in de totale kennis van het gebruik van technische middelen waarmee het bedrijf werkt, zoals Feenberg op p.139 en 142 aanduidt - is wel een heel schrale troost. Wat mensen kunnen doen is hun kritiek op of verzet tegen techniek kenbaar maken aan de politiek in de hoop wetgeving te bereiken die de bedrijven dwingt met bepaalde andere belangen rekening te houden - zoals gehandicapten op een aantal terreinen met succes hebben gedaan.]

Hoe het ook zij, politieke theorie doet weinig met een nieuwe samenleving waarin technische middelen een steeds belangrijker rol spelen.

"Habermas is as plagued by this allergy to technology as other political theorists, as I will show in the next chapter, but his approach in his most recent work has implications for the problem of technical representation."(143)

"Because technical leadership has a distinct place in the division of labor, it will always remain separate from the mass, and cannot be replaced by popular action. Nevertheless, the operational autonomy of experts and managers could be significantly reduced. Its maximization in the present system serves elite control. That control would be threatened if technical authority was accomodated to the gradual enlargement of subordinates' tactical initiative. As we saw, this was precisely what many members of the middle strata demanded in the course of the May Events. As distinct from 'strong' democracy, I will call a movement for democratization 'deep' where it includes a strategy combining the democratic rationalization of technical codes with electoral controls on technical institutions. Such a deep democratization would alter the structure and knowledge base of management and expertise. The exercise of authority would come to favor agency in technically mediated social domains. Deep democratization promises an alternative to technocracy. Instead of popular agency appearing as an anomaly and an interference, it would be normalized and incorporated into the standard procedures of technical design."(146-147)

[Zouden dit soort abstracte gedachten in de praktijk ook maar iets betekenen? Ik betwijfel of deze theorievorming ook maar iets oplevert van een tegenwicht tegen de technocratie.]

(148) Part III - Technology and modernity

(151) 7 - Critical theories of technology

Hier wordt het bekende debat over technologie tussen Marcuse en Habermas besproken.

"After the 1960s Habermas' influence [in de Frankfurter Schule - GdG] grew as Marcuse's declined and Critical Theory adopted a far less utopian stance. Recently there has been a revival of radical technology criticism in the environmental movement and under the influence of Foucault and constructivism. This chapter takes a new look at the earlier debate from the standpoint of these recent developments."(151)

Bepaalde onderdelen van Habermas argumentatie blijven overeind, maar zijn verdediging van de moderniteit geeft te veel toe aan haar aanspraak op rationaliteit en zijn beeld van technologie is essentialistisch. Marcuse zag de sociale determinanten van technologie beter, ook al werkte hij dat inzicht niet goed uit. Een synthese van beide standpunten is mogelijk.

In zijn substantivistische kritiek op de technologie is de Frankfurter Schule (met name Adorno en Horkheimer) niet anders dan Heidegger of Ellul: het instrumentele denken is de boosdoener en onderwerpt mensen. Er is sprake van technofobie en meestal trekt men zich uiteindelijk terug in de wereld van de kunst, religie of de natuur.

"Their strategy consists not in reforming technology but in bounding it. Nevertheless, they provide a useful antidote to positivist faith in inevitable progress."(152)

Habermas' uitwerking is minder zweverig en loopt uit op een algemene kritiek op de bureaucratie. Hij ziet technologie in zijn eigen sfeer als neutraal, maar buiten die eigen sfeer heeft ze desatreuze gevolgen voor de maatschappij.

"Although his position is powerfully argued, the idea that technology is neutral, even with Habermas's qualifications, is reminiscent of the naive instrumentalism so effectively laid to rest in recent years by social scientific technology studies."(152)

Ontwerpkritiek is beter:

"Design critique holds that social interests or cultural values influence the realization of technical principles. (...) On this account technology is social in much the same way as law, education or medicine, insofar as it is similarly influenced by interests and public processes."(152-153)

Het kan gaan om christelijke waarden, masculiene waarden, kapitalistische waarden die maken dat er technische middelen en systemen worden ontworpen die bijvoorbeeld in het voordeel zijn van bepaalde groepen en in het nadeel van andere. Ook Marcuse was al van mening dat het menselijk handelen de technologische rationaliteit kan veranderen - hij was niet de technofoob waarvoor veel mensen hem versleten.

"A new type of reason would generate new and more benign scientific discoveries and technologies. Marcuse is an eloquent advocate of this ambitious position, but today the notion of a political transformation of science has a vanishingly small audience and discredits his whole approach.
The question I address here is: what can we learn from Marcuse and Habermas assuming that we are neither metaphysicians nor instrumentalists, that we reject both a romantic critique of science and the neutrality of technology?"(153)

Marcuse bepleit een nieuwe wetenschap en technologie die ons in harmonie brengt met de natuur in plaats van er de baas over te spelen om winst te maken. Daarvoor is afschaffing van de klassenmaatschappij nodig, maar ook een vermenging van rede en verbeelding.

"Although this program sounds wildly implausible, it makes a kind of intuitive sense. For example, we easily recognize the difference between the architecture of Mies van der Rohe and Frank Lloyd Wright. Mies shows us technology as a manifestation of untrammeled power, the technological sublime, while Wright's structures harmonize with nature and seek to integrate human beings with their environment. We will see that it is possible to save Marcuse's essential insight by developing this contrast."(155)

Habermas gelooft er niet in (in Technologie und Wissenschaft als 'Ideologie'), ziet die opvatting over wetenschap en technologie als een romantische mythe, de wereld van het communicatieve handelen is een andere wereld dan de wereld van het instrumentele handelen, en het probleem is dat de balans tussen beide werelden verstoord is geraakt. Zijn kritiek op Weber en Heidegger: rationalisering is niet alleen maar iets van 'meer technische controle', rationalisering kan ook de communicatie tussen mensen verbeteren en ze vrijer maken wanneer instrumentele rationaliteit maar teruggebracht wordt tot de juiste proporties.

"Habermas is in favor of ecologically sound technology, but in his view technology as such remains essentially unchanged by this or any other particular realization. Technology, in short, will always be a non-social, objectivating relation to nature, oriented toward success and control. Marcuse argues, on the contrary, that the very essence of technology is at stake in ecological reform."(157)

Habermas heeft het verder in zijn werk niet meer over technologie als zodanig, ook niet in zijn werk Theorie des kommunikativen Handels van 1981 waar het woord niet eens in de index voorkomt, zo constateert Feenberg.

"Habermas argues that the pathologies of modernity are due to the obstacles capitalism places in the way of rationalization in the moral-practical sphere."(159)

Volgt een bespreking van Marcuse, Habermas en hun kritiek op Weber. Daaruit blijken verschillen in ideeën over wat technische of instrumentele rationaliteit is. Habermas abstraheert en legt het technische domein buiten de sociale sfeer (waardoor technische rationaliteit een soort van universeel karakter krijgt), terwijl Marcuse - net als de constructivisten nu - het sociale karakter van rationele systemen wil laten zien (net als de jonge Habermas van 1973 trouwens).

"On the Marcusean view, instrumentality and normativity coexist in all realworld instances of science and technology."(163)

"What is the result of this second phase of the debate? I think Marcuse wins this one. We are no longer in the new sobriety 1980s, but have entered the social constructivist 1990s, and his views sound much more plausible than they did twenty or thirty years ago. However there are still problems with Marcuse's position: Habermas's skepticism about its speculative foundation is difficult to dismiss. Rather than simply returning to Marcuse's original formulations, perhaps elements of his critical theory of technology can be reconstructed in a more credible framework. Does one really need a new science to get a Frank Lloyd Wright technology rather than a Mies van der Rohe technology? Could't one work toward such a transformation gradually, using existing technical principles but reforming them, modifying them, applying them differently? Environmentalism has shown this to be a practical approach to a long-term process of technical change."(166)

[Ja, maar is die verandering diepgaand genoeg, bevrijdend genoeg? Ik betwijfel het. In ieder geval: hier lezen we in feite de positie die Feenberg zelf inneemt. Dit boek zit vol met weergaves van discussies en debatten die je alleen echt kunt volgen wanneer je al de betrokken auteurs gelezen hebt: Marcuse reageert op Weber, Habermas reageert op Marcuse en Weber, Feenberg reageert weer op Marcuse en Habermas, waarna ik weer reageer op Feenberg. Het zijn weer allemaal 'voetnoten bij Plato', het is een academisch spel, maar wat is het doel van al dat geschrijf en gediscussieer eigenlijk? Gaat het er om 'de waarheid' - nou ja, een beteree positie in de argumentatie - te vinden? Of gaat het nog steeds over het bekritizeren van de technocractie en het verbeteren van de wereld? Het is erg theoretisch allemaal, discussies in een ivoren toren, niet erg praktisch of toepasbaar. De intenties zijn goed, maar de praktijk gaat zijn gang, ook zonder dit soort reflecties.]

Bespreking van Habermas' media theorie, zijn ideeën over de kolonisatie van de leefwereld door het systeem.

[Weer een nieuwe zijlijn. Ik volg dit verder niet.]

(183) 8 - Technology and meaning

Het technologische determinisme - of het nu is in postieve of negatieve zin - is inmiddels wel losgelaten.

"Yet the breakdown of simplistic determinism has not led to the flowering of research in philosophy of technology one might have hoped for. To a considerable extent, it is the very authority of Heidegger's answer to the 'Question' [de 'Vraag naar Technologie' zoals H. die stelde - GdG] that has blocked new developments. If we want to acknowledge the possibility of alternative modernities, we will have to break with Heidegger."(183)

[Mijn idee. En dat is niet de enige reden waarom we moeten breken met Heidegger ... ]

"Translated out of Heidegger's ontological language, we could restate his main point as the claim that technology is a cultural form through which everything in the modern world becomes available for control. Technology thus violates both humanity and nature at a far deeper level than war and environmental destruction. To this culture of control corresponds an inflation of the subjectivity of the controller, a narcissistic degeneration of humanity. This techno-culture leaves nothing untouched: even the homes of Heidegger's beloved Black Forest peasants are equipped with TV antennas. The functionalization of man and society is thus a destiny from which there is no escape."(185)

"Unfortunately, Heidegger's argument is developed at such a high level of abstraction he literally cannot discriminate between electricity and atom bombs, agricultural techniques and the Holocaust."(187)

Het enige alternatief dat Heidegger ziet is een diepere relatie tot het Zijn, een verandering van attitude, aldus Feenberg. Hierna bespreekt hij Albert Borgmann, een Amerikaansde essentialist in de lijn van Heidegger. Borgmann stelt dat de winst in efficiëntie die de moderne technieken ons bieden ons steeds verder verwijderd van de werkelijkheid en van een betekenisvol leven.

"Individual involvement with nature and other human beings is reduced to a bare minimum, and possession and control become the highest values."(188)

"Borgmann's solution, bounding the technical sphere to restore the centrality of meaning, is reminiscent of Habermas's strategy (although apparently not due to his influence). It offers a more understandable response to invasive technology than anything in Heidegger.
However, Borgmann's approach suffers from both the ambiguity of Heidegger's original theory and the limitations of Habermas's."(189)

Is Feenberg's kritiek terecht? Hij meent van wel, omdat essentialistische opvattingen zoals die van Heidegger, Borgmann en zelfs Habermas geen oog hebben voor de verschillen tussen allerlei technische middelen vooral daar waar ze van invloed zijn op maatschappelijke terreinen als onderwijs, gezondheidszorg en arbeid. Als voorbeeld voert Feenberg een interpretatie van menselijke communicatie via de computer ten tonele. Die maakt dat contact van gezicht tot gezicht / de persoonlijke ontmoeting onbelangrijker wordt.

"No doubt he [Borgmann - GdG] is right that human experience is not enriched by much of what goes on there [via computernetwerken als Internet - GdG]. But a full record of the face-to-face interactions occurring in the halls of his university would likely be no more uplifting."(191)

Borgmann negeert allerlei andere - boeiende en stimulerende - manieren om computers te gebruiken. Technische middelen zijn - met name in de beginfase van hun ontwikkeling - vaak aanpasbaar.

"Recognizing this malleability of technology, we can no longer rest content with globally negative theories that offer only condemnation of the present and no guidance for the future. We need a very different conceptualization that includes what I have called the secondary instrumentalizations ..."(193)

Volgt een analyse van bepaalde opvattingen van Heidegger, over 'het ding' bijvoorbeeld. Feenberg blijft negatief over Heidegger.

"...nostalgia is not a good guide to understanding the world today."(199)

[Zo is het. Ik begrijp niet dat Feenberg nog zo zijn best doet om allerlei vage opvattingen van Heidegger te becommentariëren. Dat is zo typisch academisch. Tijdverlies ...]

(201) 9 - Impure reason

Feenberg gaat het hier over het historische concept van 'essentie' hebben.

"In what follows, I will define the essence of technology as the systematic locus for the sociocultural variables that actually diversify its historical realizations. (...)
I will work out this historical concept of essence in this chapter. Is the result still sufficiently 'philosophical' to qualify as philosophy? In claiming that it is, I realize that I am challenging a certain prejudice against the concrete that is an occupational hazard of philosophy."(201)

[Wat een merkwaardige verontschuldiging op voorhand! Waarom zou iemand zich afvragen of iets wel voldoende filosofisch is? En waarom zou het nadenken over zaken niet concreet mogen worden? Bedoelt hij de academische filosofie? Waarschijnlijk. En waarom blijft hij hier nu weer bezig met het essentialisme dat hij de hele tijd heeft afgewezen?]

Feenberg wil allerlei richtingen overstijgen en integreren in een nieuwe theorie die twee niveaus heeft die ruwweg elementen bevatten van essentialisme / substantivisme en van constructivisme. Hij onderscheidt primaire instrumentalisatie en secundaire instrumentalisatie. Hij maakt van zijn denken hier gebruik van het werk van Gilbert Simondon, met name zijn idee van concretisatie als een aanpasssing van technische middelen aan de behoeften van mensen, ook al waren die middelen daar in eerste instantie niet op gericht.

"Although his approach is deterministic, it grants technology a history in a way that we can recover for a constructivist concept of progress."(216-217)

[Afgezien van dit nieuwe theoretische perspectief worden hier voortdurend standpunten herhaald die al aan de orde kwamen in het begin van het boek. En merkwaardig: waar in de conclusie weer eens benadrukt wordt hoe het economische systeem van het kapitalisme een hoofdrol speelt in de functionalisatie van technische middelen, vind ik daar niet heel erg veel van terug in de voorafgaande zeer abstracte analyse.]

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk