>>>  Laatst gewijzigd: 9 maart 2020  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Filosofie van informatie en media

Voorkant Graham 'The Internet:// - A philosophical inquiry' Gordon GRAHAM
The Internet:// A Philosophical Inquiry
London and New York: Routledge, 1999; 179 blzn.
ISBN: 04 1519 749X

[Graham was - toen hij dit schreef - directeur van het Centre for Philosophy, Technology and Society (CPTS) aan de University of Aberdeen, Schotland. Deze filosofische studie is van 1999 en daarmee voor Internet-begrippen al vrij oud. De zeepbel was nog niet gebarsten, er waren nog geen sociale websites. Maar het WWW was er al wel. En de thema's die het boek bespreekt zijn er nog steeds. Bovendien: filosofische methoden van reflectie zijn van alle tijden en filosofische gedachten verouderen niet zo snel.]

(1) Introduction

"In the world of information technology the Internet is the newest of the new; amongst forms of reflection philosophy is the oldest of the old. Is it likely that familiarity with the age-old questions of philosophy will throw much light on the latest technological innovation?"(1)

[Uiteraard vindt Graham van wel, anders zou hij het boek niet geschreven hebben. Maar hij licht dat ook toe.]

"In fact, as I hope to show, making a provisional assessment of the nature and implications of the Internet cannot but involve us rapidly in some of the questions with which social philosophy, ethics, moral psychology and the philosophy of education are traditionally concerned."(2)

De eerste drie hoofdstukken plaatsen het nadenken over Internet in het kader van filosofie van de techniek (waarbij een dialoog met Postman wordt aangegaan). De rest van het boek gaat op Internet zelf in.

(6) 1 - Neo-Luddites versus Technophiles

Graham begint met het bespreken van de tegenoverstelling neo-luddieten (mensen die in de lijn van Ned Ludd en zijn Luddieten uit de 19e eeuw technologische ontwikkelingen wantrouwen of tegen willen houden zoals Ian Boal of Wendell Berry) en technofielen (mensen die gek zijn op technologische vernieuwing).

"Like the original Luddites, opponents of computers and the Internet often make predictions about the dire effects of these new ways of doing things - for instance that book-reading will become a thing of the past, that personal communication will cease to be face to face, that future generations will be computer junkies, 'amusing themselves to death' (the title of another book of Postman), or that a new and anarchical form of radical social isolation has come into view as individuals live more and more in their own self-chosen (and fantastical) worlds of virtual reality."(7)

Probleem voor neo-luddieten is dat wat uitgevonden is en gebruikt wordt niet meer opgeheven kan worden. Je kunt auto's of Internet niet meer wegpoetsen. Toch is veel kritiek van neo-luddieten wel zinvol om te doordenken.

Aan de andere kant zijn er dus mensen die technologie als ideologie hebben en stellen dat technologie het middel is tegen alle kwalen.

"Along with Postman I shall have more that is critical to say about this sort of technophilia, but to anyone who observes the matter with reasonable impartiality it is an important fact, and one to be accommodated, that computers and computing generate a striking degree of enthusiasm."(9)

Maar het is een technisch enthousiasme waarbij het technisch oplossen van problemen doel in zichzelf wordt. Er wordt niet afgewogen en nagedacht over het doel waarvoor de technische middelen moeten dienen, over het bredere kader.

"the question of means is the dominant (even sole) consideration and the question of the value of ends to which they are the means is left to take care of itself."(10)

Die ideologie bevat zelf een aantal waarden in ondoordachte uitgangspunten. Alleen het technisch meest geavanceerde wordt bijvoorbeeld van belang geacht, alles wat eerder was is minderwaardig en overbodig. Daarnaast wordt er van uitgegaan dat welvaart afhankelijk is van investeringen in high-tech of dat technologie neutraal is.

"Yet it is not difficult to find evidence that under the influence of an unquestioning ideology of technology, large errors have indeed been made, and made in the recent past. Some of these rest upon false predictions, many have involved considerable, but unnecessary expenditure, and all of them have, in one way or another, been a waste of time."(10-11)

Graham verwijst naar Stoll's Silicon Snake Oil en naar Tenner's Why Things Bite Back. Een papierloos kantoor is een illusie gebleken evenals het idee dat iedereen thuis zou werken. En ondanks alle nieuwe transportmiddelen (wegen, auto's, openbaar vervoer) zijn de reistijden binnen stedelijke conglomeraties nauwelijks korter geworden.

Graham wil daarom noch het een noch het ander. Hij wil een kritisch realisme. De volgende kwesties zijn daarin van belang.

(21) 2 - The radically new and the merely novel - How transformative is the Internet?

Graham wil de geschiedenis van technologie zien als een opeenvolging van meer en minder innovatieve ideeën en uitvindingen. Het verschil tussen het vernieuwende karakter van de spoorwegen ('new') en een nieuwigheid als het elektrisch scheerapparaat ('novel') zit hem in de breedte / diepte van de transformatie die een techniek te weeg brengt in het persoonlijke en sociale leven van mensen en in het vermogen ervan een beter (kwantitatief en kwalitatief) antwoord te geven op de terugkerende behoeftes van die mensen. Vele ander voorbeelden in dit hoofdstuk. De vraag is dus: is het Internet nieuw of een nieuwigheid?

Eerst beschrijft Graham wat het Internet is [en in feite is dat beeld ook voor vandaag de dag geldig, met wat toevoegingen]. Daarna vergelijkt hij met de ontwikkeling van andere technieken. Wat maakt dat een bepaalde uitvinding belangrijker en vernieuwender is dan een andere? De Industriële Revolutie had heel diepgaande individuele en sociale gevolgen zoals Marx al beschreef. Maar de televisie?

"The world is not any more of our making just because we know more about it. Indeed, the very fact that we know more may bring us to a greater realization of how little control we have, which is why I say that 'knowledge is frustration' is an equal contender with the more familiar claim that 'knowledge is power'."(33)

De televisie biedt mensen dus helemaal niet meer controle door de geboden hoeveelheid informatie. Ook heeft het het sociale leven niet verandert als de radio of urbanisatie

Nu naar de hamvraag: is Internet een nieuwe transformerende technologie of niet meer dan een nieuwigheid? Het lijkt er op dat Internet met zijn interactieve karakter enorm tegemoet komt aan de behoefte van mensen zelf te kiezen en te beslissen (persoonlijke autonomie en democratie). Het Internet heeft ook geleid tot een enorme verandering in sociale en culturele vormen, onder andere door de overstijging van nationale grenzen (internationalisering en globalisering). Beide aspecten worden nog nader bekeken, maar het lijkt er dus op dat het Internet inderdaad een transformerende technologie is en in die zin vernieuwend is.

(39) 3 - The Faustian bargain - Assessing the value of technology

Technieken hebben naast beoogde gevolgen altijd onverwachte gevolgen, negatieve bijwerkingen zogezegd. Kunnen we daar tevoren meer over zeggen? Bijvoorbeeld door steeds Postman's vraag te stellen: voor welk probleem moet deze techniek een oplossing vormen? Niet zonder meer, want ook Postman gaat van allerlei vooronderstellingen uit.

"Is it true that the need which any technological device is intended to serve exists prior to and independent of that device. There is reason to think not."(41)

Soms maakt een techniek nieuwe dingen mogelijk of stimuleert hij het ontstaan van nieuwe verlangens en behoeftes die er eerder niet waren of verandert hij bestaande behoeftes. Er gaat dus lang niet altijd een probleem vooraf aan het ontwikkelen van een nieuwe techniek, soms ontstaat een probleem mét de techniek. En de ontwikkeling van een techniek is ook niet altijd doelgericht, maar verloopt vaak spelenderwijs, experimenterend, improviserend.

"The upshot of all this is that, except in a few restricted cases perhaps, technology should not be regarded as the handmaiden of human needs and desires, but a highly important contributor to their formation."(45)

"The answer is that we must assess the advantages of technological innovation in terms of the value of the ends to which it is a useful means.(...) It follows that the business of assessing the value of any new technology is more complex than the simple means-to-end model suggests."(49-50)

Uiteindelijk gaat het dus niet om de vraag of een techniek 'useful' (nuttig, efficiënt) is, maar om de vraag of hij 'valuable' (waardevol) is. Je kunt 'waardevol' hier opvatten in Hume's termen van de bevrediging van verlangens en behoeften, maar dat is te subjectief en ook niet altijd zinvol - denk aan de junkie die heroïne wil. Een meer objectieve dimensie is nodig zoals 'leidt het tot een betere wereld'. Maar dat leidt natuurlijk tot de vraag: beter in welke zin? en wie bepaalt wat beter is?

Tegenwoordig wil niemand nog moreel absolutisme omdat die kan leiden tot totalitaire verhoudingen. In de overheersende sociale en politieke opvattingen - de liberale democratische theorie - is tolerantie wat men wil. Maar dat sluit objectieve waarden niet uit, is zelf gebaseerd op bepaalde objectieve waarden waarover men het blijkbaar eens is, zoals vrijheid. Objectivisme is nog geen absolutisme, en tolerantie heeft niet veel te maken met subjectivisme, met andere woorden.

"Toleration, then, is a concomitant not of relativism or subjectivism, but of a commitment to the objective value of freedom."(58)

Tolerantie overstijgt subjectieve verlangens en behoeften.

"Despite common opinion to the contrary, to conceive of values as ultimately rooted in felt desire is not to make room for respectful negotiation and compromise, but to imply that at bottom there can only be conflict - my desires against yours. By contrast, if there are objective values we can hope, mutually, to discover what they are and thus resolve our disagreements. "(58)

In de meer liberale politieke filosofie wordt dat door Rawls en zijn aanhangers aangeduid met de term 'contractualisme'. Het roept de vraag op of het democratische proces van overleggen tot consensus kan leiden.

"The best we can say, to date, is that it does so in a very imperfect form. We know that in even the best-ordered societies the democratic process is not in fact one in which every opinion has free and equal opportunity of expression. Moreover, in practice democracy is a system where wealth and power can be used to affect, and on occasions effect, electoral outcomes. "(59)

Is Internet nu een vernieuwende techniek omdat het democratie en daarmee het streven naar consensus versterkt? De stelling is dus dit:

"Technology is truly valuable if it raises the prospect of a better world. A more democratic world would be a better one. Now, for the first time, we have the means - the Internet - to effect this improvement. The cogency of these last two claims - that a more democratic world is a better world and that the Internet can bring this about - provides the starting point of the next chapter."(61)

(62) 4 - The Internet as democracy

Democratie kan vandaag de dag niet direct zijn (vanwege het grote aantal kiezers, meningen, etc.), kan dus alleen maar representatief zijn. En degenen die gekozen zijn om te vertegenwoordigen, moeten een redelijkje mate van autonomie hebben in hun beslissingen maar worden vandaag de dag wel gevoed door allerlei kanalen - de partij, maar vooral ook de media. Techniek helpt dus om het ideaal van democratie wat meer te realiseren, zou je kunnen zeggen.

Maar is Internet ook zo'n techniek die daar aan bijdraagt als de pers, radio en TV? Ja, email, nieuwsgroepen, webpagina's vormen een goedkope en steeds gemakkelijkere manier om je mening kenbaar te maken en onderdeel te vormen van het totale pakket van lobby-technieken.

De vraag is alleen nog of de versterking van democratie 'een goed ding' is. Allerlei denkers hebben in het verleden zo hun bedenkingen gehad. Graham vat die samen. Hij bekijkt vervolgens of Internet daar iets aan kan verbeteren. Zijn conclusie is dat dat niet het geval is:

"What I do mean to suggest is, first, that information [op Internet] cannot be guaranteed to check or correct the ideas of anyone who comes across it since they may so easily pass on by and, second, that misinformation may be powerfully reinforced as like seeks like. The full implications of this claim will be explored in the next chapter. Here the point is only to observe that there is no reason to expect the Internet, or its further development, to act as a check upon irrational political opinion and behaviour in a democracy. On the contrary, irrationality may be reinforced.

For this same reason, the idea that greater communication across the Internet will lead to the formation of more widespread consensus within the polis, one of the ideas with which the last chapter ended, is also something of a pious hope in my view. Just as likely, possibly more likely, is greater fragmentation, a fragmentation that there is reason to call anarchic."(81)

"Democratic theorists tend to assume that the more widely information is disseminated, and the larger the forum for public discussion and debate, the more likely it is that a broad consensus will emerge on major social, moral and political questions. This is an assumption which it is hard to defend. Debate and discussion may as easily uncover differences as commonalities, differences which would have remained dormant had it not been for the process of public debate itself.

However this may be, there is reason to ask whether the emergence of consensus in the wider forum to which citizens have increasing access could be the Internet, because by its very nature it has a tendency to promote reinforcement of interest and opinion among the like-minded.

In so far as we can speculate about its future, then, there is reason to think that the Internet is more likely to increase social fragmentation than it is likely to promote social consensus. Indeed, there is some reason to take seriously a seemingly more alarming contention - that the Internet will lead to moral anarchy. This is the subject to which we now turn."(83)

(84) 5 - The Internet as anarchy

Zoals Graham bij democratie de vraag stelt of ze wel zo positief is, zo stelt hij hier de vraag of anarchie wel zo negatief is. Anarchisme is ook een positief ideaal, als verlangen naar virjheid zonder de dwingende macht van de staat. Er zijn zo veel voorbeelden van staatsterreur dat er wel wat te zeggen valt voor dat anarchistische ideaal. Draagt Internet bij aan de verwerkelijking van dat ideaal?

Internet is grensoverstijgend en internationaal van karakter en doet in die zin afbreuk aan de controlerende macht van staten. Verder is het zo dat iedereen met een beetje apparatuur en kennis toegang heeft tot Internet: Internet is populistisch en idereen kan er zeggen en doen wat hij wil.

Mensen die het anarchistische ideaal voorstaan, vinden dat prachtig, mensen die anarchisme niet zien zitten vinden juist dat Internet gereguleerd moet worden.

"Both the scenarios envisaged here, though certainly not fanciful, make two assumptions which there is good reason to examine. The first is that the Internet is marked by unrestricted flow of information, and allied to this is the unspoken supposition that knowledge is power, a topic touched upon earlier. The second assumption is that freedom consists in the untrammelled pursuit of personal interest and preference. Only if this is so can we regard the ability to surf the Net with regard to nothing but one's own desires as either a sphere of liberty or license."(88)

Veel mensen zijn bijzonder naïef als het gaat over Internet en (de kwaliteit van) informatie. De stroom van informatie mag dan tamelijk zelden belemmerd worden door bv. staatsingrijpen, dat betekent nog niet dat al die informatie ook werkelijk kennis wordt die mensen meer controle over hun leven of de samenleving verschaft.

"What this shows is that we must be careful not to confuse the power of the Internet as a form of communication with its value as a conveyer of (epistemologically significant) information. It would amount to wild disregard for what we know about human beings to ignore this distinction. All the undeniable advantages of the Internet make it as powerful an instrument for deception and misinformation as for knowledge and learning. How are we to secure the latter while avoiding the former?"(90)

"There are, then, important reservations to be made about the anarchist's hopes regarding the Internet's advantages for the spread of information, the propagation of knowledge and the power which this puts in the hands of ordinary people."(94)

Vervolgens pakt Graham de tweede vooronderstelling aan: dat vrijheid bestaat in het kunnen doen wat je wilt zonder daarin door externe factoren belemmerd te worden. Maar een samenleving is slechts mogelijk wanneer directe individuele verlangens via socialisatie ingebed worden in wat aanvaardbaar geacht wordt. De beperkingen maken het ook juist mogelijk bepaalde dingen te doen.

Op Internet is minder sociale controle en kun je om die reden meer doen wat je wilt. Maar dat leidt dan ook tot morele fragmentatie en niet tot een morele 'community'.

"The 'liberty' of the Internet is taylor-made to encourage a descent into 'licence'. Such fragmentation is anarchic in the bad sense, since it is a means for the release and confluence of untutored desires of any and every kind."(100)

"In the end, then, it seems that the pessimists are more in the right than the optimisys: the Internet has the makings of an anarchic society, but it is anarchy of the bad, not the good, kind. Still, even if the argument and analysis that has led us to this point is sound, such a conclusion may yet seem unduly alarmist."(101)

Er ontstaan immers ook vanzelf vormen van zelf-regulering zoals Netiquette als een soort vervanging van die sociale controle. Verder komen mensen natuurlijk al gesocialiseerd het Internet op: Internet is een wereld op zichzelf die de sociale cohesie van de echte wereld moeilijk kan bedreigen. In de rest van het boek wordt verder ingegaan op een stelling dat het Internet niet stuurbaar is en op dat idee dat het een wereld in zichzelf vormt.

(103) 6 - Policing the Internet

Moet er toezicht uitgeoefend worden op het Internet vanwege pornografie en informatie die schade kan aanrichten (bijv. computervirussen, info over hoe je bommen moet maken)? En is dat (technisch, juridisch, praktisch) mogelijk?

Wat betreft de technische / praktische mogelijkheid zou je de toegang tot Internet voor mensen kunnen beperken ('licensing' zoals bij het autorijden) of beperkingen kunnen opleggen aan de inhoud die iemand op Internet zet.

'Licensing' zou de toegang tot Internet kunnen reguleren, maar houdt in het algemeen nooit al het illegale gedrag tegen. In het geval van Internet ligt dat nog duidelijker en het is dan ook steeds weer de vraag in hoeverre je een ISP (als licentiehouder bv.) verantwoordelijk kunt stellen voor de inhoud die er over zijn netwerk gaat.

Zou 'labelling' van inhoud (de karakterisering van inhoud met zwarte of witte of graduele lijsten zoals 'geschikt voor leeftijdscategorie x') in combinatie met uitsluiting beter werken? Het vraagt dat alle inhoud gescreend wordt en dat is voor Internet gezien de hoeveelheden inhoud waarover het gaat praktisch een onmogelijke taak. Bovendien weten slimme programmeurs of criminelen altijd weer de beveiligingen en blokkades te omzeilen.

"In my view, general category blacklisting combined in some way with licenses requiring content management on the part of the ISPs, is the most practical suggestion to date for policing the Internet, and yet there is good reason to think that it would be largely ineffectual."(113)

Maar de vraag is ook nog steeds of er vanwege die pornografie en schadelijke materialen controle uitgeoefend hoort te worden zoals velen willen die bang zijn voor het anarchistische karakter van Internet.

Wat betreft schadelijke materialen hoeft er weinig aangepast te worden aan de bestaande juridische benadering. Het gaat immers meestal om 'potentieel schadelijk' en niet om 'direct schadelijk' materiaal. En plagiaat of smaad of fraude op Internet kunnen aangepakt worden op de manier zoals ook bij andere media gebeurt.

Wat betreft pornografie gaat het niet alleen om morele daden die schade aanrichten, maar ook om de corrumperende invloed die pornograife eventueel kan hebben op karakter, mentaliteit, oordeel, ziel waarbij er dus geen schade is voor anderen.

[Ik weet niet of ik Graham's redenering hier kan volgen. Alle omschrijvingen en keuzes lijken bijzonder subjectief. Ik denk dat Graham ook niet goed onderbouwt dat pornografie al slecht is als je er in gedachten' mee bezig bent zonder er een handeling aan vast te knopen. Juist vanwege het subjectieve karakter van de onderliggende waarden en normen zijn de standpunten vaak even subjectief. Maar natuurlijk vindt dat Graham dat ook wel, hij geeft alleen de mogelijke opvattingen weer. Ik zie dit aspect alleen niet als een mogelijk punt van overweging, juist omdat er geen enkel bewijs voor is dat pornografie zo zou werken.]

De vraag is dus niet alleen of er juridisch iets gedaan moet worden om het met pornografie schaden van anderen tegen te gaan. De vraag is ook of dat zo ver moet gaan dat mensen tegen zichzelf beschermd moeten worden en dat pornografie dus verboden wordt 'voor hun eigen bestwil'. Er is echter geen enkel bewijs voor de corrumperende invloed van pornografie op karakter etc., regulering blijkt - los van Internet al - niet te werken, opvattingen over wat 'schadelijk' is veranderen in de tijd, en zo verder.

"In short, it is not possible to define pornography for legal or any other purposes in terms of content. But if this is not possible, we cannot expect to police the Internet, or any other medium, with an eye to what is found there."(125)

"There seems good reason, then, not merely to doubt the empirical claim that pornography causes harm, but to question the underlying presupposition that, if it does, there is sufficient warrant for its legal prosciption or control. Once we add these conclusions to the conclusions of former sections, the case against policing the Internet appears to be as conclusive as arguments of this sort can be."(126)

"We may conclude, therefore, that there is no role for the law with respect to the Internet other than the role it plays, and has played for a long time in other media, with respect to copyright, fraud, libel, theft of intellectual property and so on. (...) The fear which the advent of the Internet plausibly induces lies not so much in the prospect of lawlessness, but in worthlessness."(127)

(128) 7 - New communities

Is het Internet simpelweg een vervolg op de steeds verdergaande sociale versplintering en individualisering, of leidt het ook tot nieuwe sociale vormen?

Sociale verplintering en individualisering en secularisering zijn vaak geconstateerd: het kerngezin verdwijnt, deelname aan sociale organisaties neemt af, er is weinig meer dat mensen bindt. Welke zijn de oorzaken daarvan? Er wordt gewezen op media, op trends. Maar het beter om naar fundamentele benaderingen te kijken zoals die zitten in politieke filosofie: het debat tussen liberalisme en communitarianisme.

[Graham schuift die meer sociale opvattingen wel iets te gemakkelijk aan de kant als slechts een verzet tegen het liberale denken. Maar zo gemakkelijk gaat dat nu ook weer niet. Het is overigens merkwaardig dat het niet meteen gaat over de economische oorzaken, in de zin van: de gevolgen van het kapitalisme voor de samenleving. Liberalisme en kapitalisme gaan immers nogal gemakkelijk samen in het denken vanuit individuen die in voortdurende competitie zijn met elkaar.]

Nu is 'community' een trendwoord zonder enige betekenis [in die tijd rond 2000 was dat zeker zo]. Veel 'communities' zijn in feite niet meer dan groepen die een bepaalde subjectieve interesse of een objectief belang delen (ook wel 'enclave' genoemd in de sociologie). Maar er is geen verbindende autoriteit bijvoorbeeld.

Maar los daarvan: de discussie over liberalisme en sociale benaderingen vertrekt heel vaak vanuit John Rawls boek A Theory of Justice. Hem wordt echter verweten - niet door de minsten, bijvoorbeeld door Alisdair MacIntyre in After Virtue - dat hij individuen en hun overwegingen volkomen losmaakt uit de historische en sociale en morele context.

Wat betreft Internet geldt dan dat daar geen sprake is van een 'community', maar van een 'enclave' die nooit de basis kan zijn voor moraliteit. Vandaar de stelling van een eerder hoofdstuk dat Internet leidt tot morele anarchie.

"While it is true (let us suppose) that extraneous social and economic influences have been at work in undermining social networks and institutions, it is also true that the injunction to pursue one's own desires and values, to get what you want out of life, is an ideal that has informed a very large part of social education in the Western world this century, emanating, it can be argued, from the hugely influential ideas of the American educationalists John Dewey and G. Stanley Hall. In short, the moral ideal of 'self-realization', even if philosophically incoherent, may nonetheless have been a sort of social acid eating away at the foundation of communities in the proper sense. Such at any rate is the charge against individualism and against democratic liberalism as its political expression."(140-141)

De vraag is dus of Internet die trend richting individualisme versterkt of juist de mogelijkheid heeft een tegenwicht te bieden. Graham gebruikt als voorbeeld een elektronische 'community' van Stacey Horn (van het boek Cyberville). Horn geeft hoog op over de mogelijkheden, juist omdat in de communicatie via Internet sekse, huidskleur, handicap, etc. geen rol spelen en mensen dus vrij kunnen 'praten'.

"This point, combined with the suggestion that Internet groups can realize the three conditions required for the existence of a community proper, provides the basis for the idea that the Internet may indeed hold out the possibility of new communities and, depending on how such communities develop in practice, we may find here further support for the suggestion that, far from ushering in an era of total moral anarchy, the Internet promises to supply the means by which the moral anarchy of a world already deleteriously affected by radical individualism may be overcome. There is a counterveiling consideration to be brought against this speculation, however, and this is that whatever distorting factors the Internet eliminates, it inevitably introduces even greater ones."(144)

Het hele non-verbale aan communicatie valt bijvoorbeeld totaal weg.

[Zoals Graham zelf verderop opmerkt zijn er natuurlijk manieren om Internet te gebruiken waarin het visuele een rol kan spelen. Vandaag de dag zouden we kunnen zeggen dat er toch webcams zijn die mensen met breedband-Internet kunnen verbinden. Maar het is ook waar dat de meeste mensen ze helemaal niet gebruiken, ook al bestaat die mogelijkheid er.]

"Horn speaks as though disembodied intelligences, by being less restricted or encumbered, are in some sense more pure and hence closer to the 'real' person. Such a contention represents the highwater mark of radical individualism. At work in it, I think, is the old Cartesian idea that persons are essentially minds and their bodies mere appurtenances. It is no accident that Internet groups are sometimes referred to as 'communities of the mind', often with just this implication of a higher, freer form of exchange.

But in fact I think the reverse of this sort of Cartesianism is true. Pure minds are impoverished persons. It may, it does in fact, make relationships possible and facilitate the confluence of shared interest, but it does so in a restricted form and the restriction means that an Internet community of thought and interest, even if it satisfies the three criteria I set out, is a second-rate form of community."(145)

(151) 8 - Virtual reality - The future of cyberspace

We weten natuurlijk nooit hoe techniek zich zal ontwikkelen, de praktijk leert dsat we niet te snel uit moeten gaan van bepaalde technische mogelijkheden niet ontwikkeld zullen worden. Desondanks moeten we voorzichtig zijn met na te denken over zoiets als 'virtual reality', omdat niet alles wat we kunnen bedenken ook echt kan.

"Nevertheless, though the future undoubtedly holds many hitherto undreamt of technical marvels, what is imaginable is not necessarily conceivable. The distinction is illustrated with great regularity in traditional fairy stories. We can imagine, easily enough, that the prince is turned into a frog, but there are well-known philosophical obstacles in the way of making such an imaginary event properly intelligible. The same sort of thing is observable in science fiction. There are many tales of time travellers, and very entertaining and diverting they can be. But philosophers know well that whether time travel is conceptually possible is a vexed and difficult question.(...)

We can imagine things which logically could not happen, and if they are indeed logically impossible, necessarily they are empirically impossible also. To make any headway with the idea of virtual reality and hence with the future of cyberspace, then, we need to restrict ourselves to the realms of the conceptually possible and ignore the impossible imaginings of science-fiction writers."(151-152)

De vraag is dus of 'virtual reality' een nieuwe manier van bestaan is en of die manier van bestaan beter of slechter is dan het bestaan in de alledaagse wereld die we allemaal kennen. Het antwoord is negatief: de echte werkelijkheid wint het met gemak van een simulatie ervan, hoe precies die ook is.

"... we have no reason to attribute any difference in kind to virtual reality experiences over other make-believe experiences [bv. met boeken, films, etc.]. At most, we have reason to attribute a difference of degree of vividness or intensity."(157)

Kunnen we dit nu ook zonder meer toepassen op op het idee 'virtual community'?

"Why should anyone deny this [dat een virtuele gemeenschap iets eigens heeft], or deny that virtual communities, though different are real enough in their own way? The crucial difference between 'encountering a tiger' or 'climbing the Eiger' by means of a VR Body Zone and doing these things in real life can, as we saw, be expressed in terms of make-believe. It is possible (in theory) by means of VR to have the experience of encountering a tiger (or something like it) but this is reality no different to having 'made-believe' with the help of a novel or a film that I have met a tiger. In the absence of the real thing it remains true of me that I have never as a matter of fact encountered a tiger. "(159)

Natuurlijk is een virtuele wereld een stuk werkelijkheid op zich. Maar zelfs als er geen sprake is van simulatie, kunne we moeilijk volhouden dat het een beterre werkelijkheid is dan de echte.

"One thought which this prompts is that, given a choice, human beings would risk less by engaging in virtual relationships than in ordinary ones. Might this be the attraction of the world of virtual reality? The answer depends on a trade-off between the diminished risk and the more limited character of such engagements. In advance of knowing the future character of cyberspace, this is a calculation that is hard to make. Nevertheless, there seems reason to suppose that the limitations of cyberspace will always be greater than those which operate on corresponding relations in ordinary life and consequently that the reduced risks will not outweigh the loss of possible benefits. Anyone who has followed the exploration of this chapter, in fact, could hardly conclude anything but that virtual communities are relatively poor substitutes for real ones."(165)

(167) Conclusion

[In de lijn van de eerder beschreven uitwerkingen. Niets nieuws: een gerechtvaardigde skepsis tegenover al te technofiele opvattingen, maar ook geen neo-ludditisme.]

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk