>>>  Laatst gewijzigd: 28 december 2017  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Geschiedenis van informatie en media

Voorkant Hafner-Lyon 'Where wizards stay up late' Katie HAFNER / Matthew LYON
Where wizards stay op late - The origins of the internet
New York, NY: Touchstone, 1996; deze editie 1998; 304 blzn.
ISBN: 06 8481 2010

[Helder geschreven. Maar wel erg journalistiek: voortdurend wordt er heen en weer gesprongen, het is moeilijk om de tijdlijn vast te houden.]

(11) 1 - The fastest million dollars

Setting: het Ministerie van Defensie (DoD) van de V.S., meer specifiek: het Pentagon; afdeling Advanced Research Projects Agency (ARPA), het Information Processing Techniques Office (IPTO).

ARPA

ARPA was in 1958 door president Eisenhower opgezet als reactie op het succes van de Russen met de lancering van de Spoetnik in oktober 1957. Het moest de versnippering van onderzoek over land, luchtmacht en marine en andere grote afdelingen binnen DoD tegen gaan, om er voor te zorgen dat de Amerikanen in deze Koude Oorlog nooit meer een technologische achterstand zouden hebben. Eisenhower - die meer respect had voor wetenschappers dan voor generaals - wilde dat wetenschappelijk onderzoek wat voor de regering zou gaan betekenen, zoals in WO II en daarna in het bedrijfsleven.

Het voorstel voor de oprichting van ARPA kwam van Neil McElroy - minister van defensie - en James R. Killian Jr. - adviseur voor wetenschap (van het MIT), allebei mensen die vonden dat je wetenschappers niet te veel moest reguleren: minder belemmeringen leidde in hun ervaring tot meer resultaten.

"Sputnik launched an golden era for military science and technology."(20)

Eerste directeur was Roy Johnson. Als medewerkers werd het toptalent van allerlei bedrijven ingehuurd. ARPA bepaalde dus de goedkeuring van R&D-voorstellen voor heel de defensie. Door de paniekreactie op het Spoetnik-succes kon het bureau in eerste instantie beschikken over een budget van miljarden. Totdat dezelfde regering NASA instelde voor alles wat met ruimtevaart te maken had en ARPA dus 'uitgekleed' werd.

De oprichting van NASA betekende dat ARPA zijn missie moest herzien. Het bureau ging voortaan minder voor militaire doelen en meer voor fundamenteel onderzoek. Die verandering leidde er ook toe dat toptalent van de universiteiten een kans kreeg om bij ARPA te werken en andersom ging ARPA ook functioneren als een verschaffer van 'grants' aan allerlei laboratoria van universiteiten. De ARPA-aanpak was los, bereid tot risico, open voor fouten, flexibel. De managementstijl bij ARPA ontspannen, gedecentraliseerd. Het budget liep lag nu rond 250 miljoen.

Computers

"The relationship between the military and computer establishments began with the modern computer industry itself."(24)

Het DoD was inderdaad vanaf het begin betrokken bij de ontwikkeling van computers. Tijdens WO II werd werk gestimuleerd aan de Mark I (Howard Aiken op Harvard), de ENIAC (Un. of Pensylvania) en de Whirlwind (MIT).

In de 50-er jaren kwam na de UNIVAC met name IBM op als leverancier van de mainframes met hun 'batch processing' via ponskaarten. Ken Olsen had met Wesley Clark bij MIT's Lincoln Laboratory de TX-0 gebouwd en was daar bezig met onderzoek naar de TX-2. Eind 50-er jaren richtte hij het bedrijf Digital Equipment Corporation (DEC) op en begon minicomputers te bouwen met een directe interactie tussen gebruiker en computer, wat leidde tot een enorme tijdbesparing vergeleken met 'batch processing'. Ook 'time sharing' voor meerdere gebruikers aan een computer via terminals werd een stap richting tijdbesparing. 'Real time computing' bleek ook te kunnen (SAGE).

De aanleiding van ARPA's betrokkenheid bij computers was de mainframe Q-32 van de Air Force die er geen plannen meer mee had omdat ze moesten bezuinigen. Het verzoek in mei 1961 aan de derde directeur van ARPA - Jack P. Ruina - was om het onder zijn verantwoordelijkheid te brengen en op die manier te blijven gebruiken. Er bestonden daarnaast inmiddels ook uitgebreide computerafdelingen bij allerlei bedrijven en universiteiten waarmee ARPA vanwege de 'grants' te maken had. Ruina had daarom iemand nodig om die computer-tak aan te sturen.

Licklider

Dat werd in de herfst van 1962 J.C.R.Licklider, aangesteld als directeur voor een afdeling gedragswetenschappen, maar dus ook voor de computer-tak.

"Licklider was far more than just a computer enthusiast, however. For several years, he had been touting a radical and visionary notion: that computers weren't just adding machines. Computers had the potential to act as extensions of the whole human being, as tools that could amplify the range of human intelligence and expand the reach of our analytical powers."(27)

Licklider werkte eerder op het Lincoln Laboratory van het MIT en had daar al contact gehad met Wesley Clark en de TX-2 leren kennen. Zijn ervaringen met die machine gaven hem het idee dat computers de maatschappij zouden gaan veranderen door directe democratie via computernetwerken, dat mensen meer vrije tijd zouden krijgen voor zinvolle taken omdat ze voor het domme werk computers konden inzetten. Hij ging werken bij Bolt Beranek and Newman - een onderzoeks- en adviesbureau - en schreef later zijn ideeën op in het paper Man-Computer Symbiosis (1956).

"In the moment that Licklider published the paper, his reputation as a computer scientist was fixed forever. He shed the mantle of psychology and took on computing."(35)

Computers waren tot dan toe voornamelijk ingezet als grote snelle rekenmachines. Lickliders taak bij ARPA werd het onderzoeken van de andere mogelijkheden van computers. Hij bouwde contacten en contracten op met de beste computerwetenschappers van het moment (Stanford, MIT, UCLA, Berkeley, en wat bedrijven) en legde de basis voor standaardisatie en koppeling van de centra in computernetwerken. De sectie met de militaire naam Command and Control Research werd de sectie met de naam Information Processing Techniques Office (IPTO). Hij vertrok in 1964, werd opgevolgd door Ivan Sutherland die Bob Taylor aantrok voor het computerdeel van zijn werk.

"Months later, in 1966, at the age of thirty-four, Taylor became the third director of IPTO, inheriting responsibility for the community and much of the vision - indeed the very office - established by Licklider."(40)

Bob Taylor

Taylor ergerde zich aan de situatie in zijn 'Terminal Room', met terminals naar drie heel verschillende mainframecomputers op drie verschillende locaties (MIT/Cambridge, UCLA/.Berkeley, de Q-32 in Santa Monica, Cal.), met verschillende inlogprocedures en commandosets, en onderliggend een verspilling van 'resources' omdat iedereen zijn eigen mainframe wilde aanschaffen en geen gebruk kon maken van de andere.

Hij verwierf in 1966 het budget om de drie computers te verbinden in een netwerk, zodat iemand op de ene plek alle computers van het netwerk zou kunnen gebruiken.

(43) 2 - A block here, some stones there

Taylor schakelde Larry Roberts in om zo'n netwerk te ontwerpen. Die begon in 1967. Hij ontwierp meteen een mogelijke topologie. Er was natuurlijk al ervaring met allerlei netwerken, zoals de telegraaf en de telefoon. Maar in de V.S. had AT&T het monopolie op het telefoonnetwerk.

Daarnaast hadden Paul Baran en Donald Davies onafhankelijk van elkaar het idee 'packet switching' al uitgewerkt. 'Redundancy' (overtolligheid) speelde een grote rol in dit soort denken: het communicatienetwerk moest blijven functioneren ook al waren onderdelen ervan kapot (vergelijkbaar met hoe hersenen functioneren). Het analoge telefoon-netwerk was daar niet geschikt voor vanwege signaalverlies.

Baran werkte bij RAND zijn ideeën uit van 1960 - 1965. Drie aspecten bleken belangrijk. De eerste was digitalisering van de communicatie.

"Unlike analog systems, digital technologies essentially convert information of all kinds, including sound and image, to a set if 1s and 0s. Digitized information can be stored efficiently and replicated an unlimited numer of times within the circuits of a digital device, reproducing the data with almost perfect accuracy. In a communications context, information that is digitally encoded can be passed from one switch to the next with much less degradation than in analog transmission."(57-58)

De tweede was de netwerktopologie: wat dat betreft kwam Baran met gedistribueerde netwerken waarin 'redundancy' beter gerealiseerd kon worden dan in gecentraliseerde of gedecentraliseerde netwerken (zoals het telefoonnetwerk). Ieder knooppunt ('node') zou moeten verbinden met drie of vier andere knooppunten om de ideale 'redundancy' te bereiken en het netwerk tamelijk onkwetsbaar te maken.

Het derde idee was om de berichten die over het netwerk gingen op te splitsen in pakketjes ('message blocks') die over verschillende paden naar hun bestemming zouden gaan waar ze weer aan elkaar gezet zouden worden. Computers zouden de 'routing' doen op basis van 'routing tables' met een overzicht van 'links' en 'hops'.

Moeizaam

Het duurde vier jaar voordat Baran iedereen binnen RAND overtuigd had. Maar AT&T - die het netwerk zouden moeten bouwen - wilde er niet aan en Baran zag voorlopig af van de realisatie.

In London kwam Donald Davies in 1965 met vrijwel dezelfde ideeën. Hij noemde de 'message blocks' 'packets'. In tegnstelling tot AT&T was de Britse tegenhanger - ook een monopolie - wel enthousiast voor het idee.

Larry Roberts had op een conferentie in London kennis genomen van Davies' ideeën. Eenmaal bij het IPTO had hij contact met verschillende mensen die zijn plan uiteindelijk mogelijk zouden maken. Belangrijk was Roger Scantlebury die hem eind 1967 vertelde over de 'packet-switched networks'van Davies en over het werk van Baran.

Het plan was om te starten met een netwerk van vier computers: UCLA (Leonard Kleinrock en het NMC - het Network Measurement Center, dat de prestaties van het netwerk moest gaan meten), Stanford Research Institute (met Doug Engelbardt voor het NIC - het Network Information Center, dat een overzicht zou bieden van alle 'resources' in het netwerk), de University of Utah, en de University of California in Santa Barbara.

In juli 1968 had Roberts zijn 'request for proposals' klaar. IBM en CDC reageerden zoals je van logge industriereuzen mocht verwachten. Andere reacties waren inspirerender. Maar de opdracht werd uiteindelijk gegund aan het bedrijf Bolt Beranek and Newman (BBN) in Cambridge, Mass. dat al heel concreet had uitgewerkt hoe een en ander zou kunnen werken.

(82) 3 - The third university

Over de ontwikkeling van BBN, de academische vrijheid daar, mensen die er werkten. Degenen die verantwoordelijk werd voor de uitvoering van ARPANET was Frank Heart. Die zou de vier Interface Message Processors bouwen (IMP's, wat we tegenwoordig 'routers' zouden noemen). Hij werd later geassisteerd door Bob Kahn.

"Heart's knack for putting together effective engineering teams had made him a highly regarded and valuable project manager. He looked for people who would be committed to a common mission rather than a personal agenda. He preferred to keep teams small so that everyone was always talking to everyone else. Heart chose the kind of people who took personal responsibility for what they did. And while Heart tolerated idiosyncrasy, he shied away from egocentric 'head cases', no matter how smart they were."(96)

Heart stelde voor om minicomputers te gebruiken voor de IMP's, en wel de Honeywell DDP-516. De machine zou geprogrammeerd worden door Will Crowther en Dave Walden.

(102) 4 - Head down in the bits

BBN had een jaar de tijd om de vier IMP's te laten bouwen en te programmeren naar de gestelde specificaties. Problemen genoeg:

(137) 5 - Do it to it Truett

Over Steve Crocker en Vint Cerf en over Jon Postel die allemaal deel uitmaakten van de groep rondom Leonard Kleinrock aan het NMC van UCLA en samen met graduate-studenten van andere universiteiten de Network Working Group vormden.

Deze studenten werkten ethousiast mee aan het doen slagen van het ARPANET, met name van het programmeren van het host-to-host-protocol, "a very broad set of operating terms that would be common to all machines"(143).

In de discussies van deze groep graduate-studenten ontstond in 1969 het idee van het vastleggen van zaken in 'Requests for Comments', de RFC's die zo beroemd zouden worden.

"The language of the RFC was warm and welcoming. The idea was to promote cooperation, not ego. The fact that Crocker kept his ego out of the first RFC set the style and inspired others to follow suit in the hundreds of friendly and cooperative RFCs that followed."(144)

Per 1 september 1969 werd de eerste IMP geplaatst op UCLA. De tweede werd op 1 oktober geplaatst bij het SRI. Er kon getest worden en het lukte om verbinding te maken en commando's uit te wisselen. IMP 3 werd op 1 november geplaatst in UC Santa Barbara. In december volgde tot slot de installatie van IMP 4 aan de University of Utah.

In december 1969 werd ook het eerste host-to-host-protocol gelanceerd: telnet (voor remote log-ins), in de zomer van 1970 gevolgd door het Network Control Protocol (NCP).

(160) 6 - Hacking away and hollering

Uitbreiding van het netwerk. Eerst met BBN zelf via een 50 kilobit lijn vanuit UCLA. Dan met Honeywells bij het MIT, RAND, System Development Corp. en Harvard. Weer later Lincoln Laboratory / MIT, Stanford, Carnegie-Mellon University, en Case Western Reserve University., stteds verbonden met 50 kb-lijnen.

Intussen werd er flink gemeten en gediagnosticeerd en werd de software op allerlei punten verbeterd. Er ontstond een Network Control Center en Alex McKenzie werd daarvan de baas in november 1970. Het File Transfer Protocol (FTP) werd ontwikkeld. Desondanks bleef het ARPANET een experimentele status houden en was er niet veel over bekend bij anderen die niet direct betrokken waren. Een demonstratie was nodig.

Bob Kahn en Al Vezza organiseerden die voor de conferentie van de ICCC in 1972. Bob Metcalfe schreef er als graduate-student een handleiding voor:

"It described nineteen scenarios for using the ARPANET, listed resources at various sites, and showed how to log on to a remote host, how to gain access to one of the applications, and how to control a program or engage in some kind of interactive communication over the network. There were several chess games, an interactive quiz about the geography of South America, a way of reading the Associated Press news wire over the network, and many other games, tools, and demonstrations."(181)

De demonstratie werd een succes. Met name: de e-mail.

(187) 7 - E-Mail

Over de ontwikkeling van het gebruik van het netwerk om berichten aan elkaar te sturen. De ontwikkeling van e-mail kwam op gang vanaf 1972 toen Ray Tomlinson het eerste bericht stuurde naar een andere computer op een netwerk. Hij is ook de uitvinder van de vorm van het e-mailadres als user@server, dus met de apestaart erin. Het enthousiasme over e-mail leidde tot discussies over standaardisering.

Daarnaast leidde e-mail en bijvoorbeeld ook het spelen van Dungeons & Dragons over het netwerk tot discussies over de openheid van ARPANET - immers door de regering opgezet voor ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek - en over de vrijheid van meningsuiting op het netwerk (e-mail leidde gemakkelijk tot 'flames' en tot onfatsoenlijk gedrag). Ook 'privacy' werd een probleem.

(219) 8 - A rocket on our hands

In 1972 werd de naam ARPA omgezet in DARPA: de Defense Advanced Research Projects Agency. Het netwerk bleef wel gewoon ARPANET heten.

De ontwikkeling van draadloze computernetwerken, de inschakeling van satellieten, de koppeling van bedrade en draadloze netwerken vormde vanaf ongeveer 1972 ook een probleem. Het oplossen van een en ander was van groot belang voor de internationalisering van de wetenschap. De International Network Working Group met Vint Cerf en Bob Kahn speelde hierin een grote rol.

Cerf en Kahn kwamen met ideeëen voor 'gateways' om allerlei zeer uiteenlopende netwerken aan elkaar te koppelen. Daarbij ontwierpen ze ook een nieuw protocol: Transmission Control Protocol (TCP). In 1978 werd daarvan het Internet Protocol (IP) afgesplitst. Men sprak voortaan van het TCP/IP-protocol. Het Internet was geboren.

Door de internationalisering en het open gebruik van computernetwerken als een Internet werd het ook noodzakelijk om beheer en organisatie ervan los te maken van DARPA (tenslottge een V.S. defensie-bureau). Een en ander werd overgenomen door een meer neutrale organisatie in de V.S., de National Science Foundation (NSF).

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk