>>>  Laatst gewijzigd: 9 maart 2020  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Filosofie van informatie en media

Voorkant De Kok 'De informatiemaatschappij' M. de KOK
De informatiemaatschappij - De gevolgen van de micro-elektronische revolutie
Maastricht/Brussel: Centrale Uitgeverij en Adviesbureau, 1983; een uitgave van het tijdschrift Natuur en Techniek naar aanleiding van het 50-jarig bestaan; 287 blzn.
ISBN 90 7015 7357


[Ook zo'n boek dat ik bij De Slegte heb gevonden. Het is - door alleen maar mannen trouwens - geschreven in de tijd dat men zich bewust werd van de veranderingen die computer- en informatietechniek te weeg brengen. Het heeft veel foto's en illustraties. Dat maakt redelijk toegankelijk inleidend boek voor velen. Het zou nog een betere inleiding zijn geworden wanneer de redactie geschaafd had aan het vaak erg oubollige en intellectuele taalgebruik van de auteurs. Het boek is ook redelijk kritisch.]

(10) Woord vooraf

"Weinigen hebben in de loop van de geschiedenis met succes de omvang en de betekenis kunnen schatten van omwentelingen die in hun tijd plaatsvonden. Zij die de sfeer van revolutie waarnamen maar zich beperkten tot de vaststelling dat er mogelijk ingrijpende veranderingen op komst waren, verminderden het risico dat zij door de geschiedenis in het ongelijk zouden worden gesteld. Een dergelijke reserve lijkt op zijn plaats als het gaat om de gebeurtenissen op het terrein van de informatietechnologie. Wij horen termen als Informatierevolutie, Derde Golf, Kantoor van de Toekomst, de Mondiale Stad, maar de exacte reikwijdte van de ontwikkelingen waarop die termen duiden, valt niet te overzien."(10)

[Dat als voorbeeld van de kritische toon. Gewezen wordt op het verschil van snelheid tussen de hedendaagse techniek en wat mensen aan kunnen. Ik denk dat dat waar is, en dat daar vandaag de dag door de informatieovervloed juist het probleem zit. De zorg die uitgesproken wordt lijkt me dan ook terecht.]

"Het vermogen om op doeltreffende wijze met informatie om te gaan, is de sleutel tot het succes van de menselijke soort."(10)

"Er is echter ook grond voor zorg en vrees. Informatie vertegenwoordigt macht. Gegevens kunnen een eigen leven gaan leiden en het is niet gemakkelijk na te gaan wie erover beschikt. Het is begrijpelijk en terecht dat mensen zich hierdoor bedreigd beginnen te voelen. De nieuwe technologieën veranderen bovendien, in een proces dat al ver gevorderd is, de werkplek. Ook in de directe omgang met mensen, in persoonlijke relaties, in de indeling en invulling van vrije tijd duiken de effecten van de informatisering in allerlei vormen op. Niet al deze effecten lijken voorshands verbeteringen."(11)

(12) 1. Ontwikkelingsgang van informatie en telecommunicatie

Beschrijft het begrip informatie vanuit het oorspronkelijke Latijnse idee van 'vorming' naar de informatietheorie van Shannon en Wiener naar de communicatiewetenschappen:

"Onder invloed van de taalwetenschap en de communicatiewetenschap werd informatie in de laatste decennia vervolgens ook steeds meer op sociale processen van kennis geven en kennisnemen, respectievelijk door een zender of communicator en een ontvanger of recipiënt, betrokken. In de communicatiewetenschappelijke literatuur is informatie datgene wat iemand als ontvanger in een informatieproces dat gekenmerkt wordt door met name waarneming en selectie, heeft gewonnen uit een informatiebron die een zender als boodschap beschikbaar gesteld heeft. Informatiebronnen komen als boodschap direct in tussenmenselijk contact of bemiddeld door communicatie- en massamedia beschikbaar."(15)

[Dat laatste is wat me interesseert. Ik zit dus niet op het terrein van een min of meer natuurwetenschappelijke informatietheorie, maar op het terrein van de communicatiewetenschappen.]

Hemels geeft verder een bondige beschrijving van de geschiedenis van de media. Lichaamstaal, gesproken woord, schrift op allerlei informatiedragers, boekdrukkunst met losse letters en beter, illustraties, vlugschriften, pamfletten, liedboeken, tijdschriften, volksbibliotheken, leeskabinetten, leesmusea, debatingclubs, leesgezelschappen, encyclopedieën, en later alle elektronische media. Wat citaten:

"De keerzijde van het verspreiden van kennis is de afgrendeling ervan."(18)

"Wat de uitbreiding van de transmissietechniek voor het tussenmenselijke contact zal betekenen, is nog onduidelijk. De vrees voor verschraling van directe communicatie tussen mensen, alsmede het zich in toenemende mate overgeven aan ervaringen-uit-de-tweede-hand (via het televisiescherm met name) baart cultuurcritici wel zorgen."(27)

"De sociale en culturele aspecten van de meeste innovaties zijn trouwens veel minder grondig bestudeerd dan de technologische en economische facetten van de industriële ontwikkelingen. De sociale problematiek als gevolg van de industrialisatie houdt wat dat betreft een waarschuwing in voor de niet voorziene gevolgen van de nu op gang komende informatietechnologische veranderingen."(28).

(30) 2. Geschiedenis van informatieverwerkende machines

Het onderscheid analoog - digitaal. Voorbeelden van analoge rekenhulpmiddelen zijn de abacus, telramen, rekenlinialen. Het begin van digitale rekenmachines werd gemaakt door Charles Babbage met zijn differentiemachine (1822) en zijn analytische machine (aansturing door Jacquard-kaarten die de machine programmeerden, scheiding geheugenfuncties voor opslag en bewerkingsfuncties voor rekenen). Met Hollerith's ponskaartmachines en het ontstaan van IBM (1924) nam het maken en inzetten van snelle exacte rekenapparaten een grote vlucht.

Programmagestuurde rekenmachines - dat wat we nu algemeen 'computers' noemen - namen het langzamerhand over. Je kunt onderscheiden naar gebruikte schakelingen: elektromechanische relais werden gevolgd door elektronenbuis en die weer door transistors. Voorbeelden van computers (vaak tegelijkertijd en los van elkaar uitgevonden)

Daarna commercialisering, bijvoorbeeld UNIVAC, IBM's 700-serie (1953). IBM werd de dominante leverancier van grote computers in de 60-er jaren.

"De werkelijk spectaculaire toename in het aantal in gebruik zijnde computers vond echter niet eerder plaats dan in het begin van de jaren zestig. In 1959 bijvoorbeeld werd het aantal computersystemen in West-Europa slechts op 550 geschat en op 3810 in de Verenigde Staten. In het bijzonder voor alledaags gebruik in de zakenwereld boden computers nog geen beslissend voordeel boven de beproefde en zeer betrouwbaar gebleken ponskaartmachines, die dan ook nog een paar jaar concurrerend bleven."(47)

(50) 3. De begintijd van de micro-elektronica

Beschrijft het ontstaan van transistor, het geïntegreerde circuit (IC) en microprocessor en ook globaal de werking ervan.

(68) 4. De produktie van geïntegreerde schakelingen

De weg naar VLSI (Very Large Scale Integration) in het maken van chips. De rol van de voortgaande miniaturisering. De fabricage. Microprocessoren als speciale soort chips. Silicon Valley en de stamboom van allerlei bedrijven op dit terrein van 1957 (Fairchild Semiconductor) tot 1980.

(92) 5. Programmeren

Over het instrueren van de hardware. Dit hoofdstuk geeft een globale indruk van wat een computerprogramma doet, van algoritmes als een opeenvolging van uitvoerbare of berekenbare stappen die leiden tot de oplossing van een probleem (als formalisering van onze denkprocessen), en van de verschillende soorten computerprogramma's die bestaan. Over het gevaar van denken in algoritmes en programmeren:

"Betekent deze reductie van de werkelijkheid tot iets dat berekenbaar is, een verschraling van de menselijke ervaring of is ze juist de aangewezen methode om die werkelijkheid te manipuleren? Het valt niet te ontkennen dat er van deze formele benadering een grote aantrekkingskracht uitgaat. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat sommige van deze inzichten hun weerslag gehad hebben op het denken omtrent het functioneren van de menselijke geest."(106)

(108) 6. Kunstmatige intelligentie

De definitie van AI die hier gebruikt wordt:

"AI omvat alles wat een machine op een zodanige wijze doet dat het, als het door een mens verricht zou zijn, door andere mensen als een intelligente activiteit beschouwd zou worden."(110)

[Uiteraard leidt dit aan de vaagheid van de centrale term 'intelligent' en is daarom een zinloze werkdefinitie. Bij een plaatje staat eerder: schaken wordt gezien "een graadmeter bij uitstek van intelligentie"(108). En dat maakt duidelijk dat de vraag gesteld worden: wat voor intelligentie? Maar het boek is daarvoor te algemeen.]

Het hoofdstuk geeft in het kort een overzicht van de gechiedenis van de AI (waarbij de aandacht erg ligt bij het formaliseren en van abstraheren van praktijksituaties), van toepassingen van de AI (op regels dan wel op kennis gebaseerde systemen zoals ze in de industrie en in expertsystemen gebruikt worden), en van de programmeerrtalen voor AI (LISP en PROLOG).

"In de toekomst zal 'Kunstmatige Intelligentie' als de geheimzinnige en wellicht enigszins angstaanjagende technologie die het nu is, ophouden te bestaan. In plaats daarvan zullen we het als de gewoonste zaak van de wereld beschouwen dat computers routinematig mensen helpen bij het oplossen van problemen en het nemen van beslissingen, waardoor zij bijdragen aan de toename van de produktiviteit en het comfort van ons allemaal."(133)

[Mensen in de hoek van AI kunnen het blijkbaar nooit laten om vage positieve toekomstvoorspellingen te geven die vol zitten met stiekeme waardeoordelen. Sorry, hoor, maar ik vind het niet 'angstaanjagend' als een computer beter kan schaken dan een mens. En computers 'helpen' niemand, maar worden gebruikt als middel. En of ze de productiviteit en 'ons comfort' verhogen hangt gewoon af van definities en situaties. Dit hoofdstuk biedt een aardig overzicht van de AI, daar niet van. Maar kritische vragen worden hier niet gesteld.]

(134) 7. Nieuwe informatiediensten en telematica

De industrialisering in de 19e eeuw leidde tot een steeds grotere behoefte aan een infrastructuur voor aanvoer van grondstoffen en afvoer van producten, kortom, van transport (wegennet, spoorwegen, waterwegen, luchtvaart). De groei van de informatiesamenleving laat dergelijke zaken opnieuw zien, maar dan voor het transport en de opslag van informatie (telefonie, telegraaf, telex, radio en TV, computers - en alle bijbehorende netwerken). En de toepassingen daarvan leiden tot steeds weer nieuwe ideeën en mogelijkheden (nieuwe diensten).

[Merkwaardig, die neiging in dit soort stukjes om te strooien met allerlei heel abstracte en technische kaderstukjes. Met andere woorden: de technische aspecten worden wel uitgewerkt, maar filosofische, maatschappelijke vragen rondom de technische middelen komen maar heel oppervlakkig aan de orde. Een boek van ingenieurs, niet van denkers.]

(160) 8. Consumentenelektronica

Over de opkomst van radio, TV, CD-speler, videorecorder, 'game consoles', en 'huiscomputer'.

"De meeste elektronische apparatuur in huis heeft van doen met informatie, waarbij het woord informatie wordt gebruikt in een zeer ruime betekenis: het omvat niet alleen feitelijke gegevens, maar ook alle vormen van kennis, kunst, vermaak, gevoelens, enzovoorts."(162)

De middelen waarmee informatie tussen mensen uitgewisseld wordt breiden uit van fysiek contact naar beelddragers (geschreven woord, brieven, boeken, afbeeldingen) naar geluidsdragers en allerlei combinaties ervan. Elektronica vormt inmiddels de basis van veel van al die informatiedragers. Het aantal keuzemogelijkheden is toegenomen, de kwaliteit van beeld en geluid is sterk verbeterd, computers worden voor steeds meer zaken gebruikt.

(176) 9. Informatietechnologie in de geneeskunde

Beschrijving van allerlei toepasingen van computertechniek in de wereld van de geneeskunde (voor administratie, diagnostiek etc.

(196) 10. Automatisering, arbeid en samenleving

[Dit is wel een aardig kritisch stukje techniekfilosofie.]

"Met name op het gebied van de technologische ontwikkeling leidt de onmacht een algemene koers te bepalen ertoe dat allerlei ontwikkelingen dikwijls heel lang autonoom verlopen, voordat er werkelijk doordachte beleidsbeslissingen kunnen worden genomen.

De vraag hoe onze samenleving zich zal ontwikkelen roept daardoor vaak ambivalente gevoelens op. De moderne techniek heeft duidelijke voordelen, de nadelen echter echter van een ongecontroleerde ontwikkeling, in welzijn en milieu, zijn eveneens evident. En de technologie blijft zich met reuzeschreden ontwikkelen. Wij worden voortdurend voor verrassingen gesteld en dat leidt ertoe dat velen de techniek zijn gaan wantrouwen. De techniek dwingt ons bijna in haar raamwerk te denken, zelfs zonder dat wij ons daarvan bewust zijn. Deze zogenaamde 'technologische fixatie' leidt tot verschuivingen van de normen en waarden, die diep kunnen ingrijpen in de maatschappelijke verhoudingen."(198)

Een aantal gevolgen van de technologische ontwikkeling: mensen verrichten minder fysieke activiteiten en bewegen minder; maar ook de besturing wordt in veel situaties aan machines overgelaten, zodat mensen meer toezichthouder worden; steeds meer wordt aan automaten overgelaten; een grote groep mensen moet zich met name meer gesstelijk inspannen (programmeren en plannen, veel informatie verwerken), het leefmilieu wordt steeds kunstmatiger; de sociale contacten veranderen; systemen stimuleren middelmatigheid omdat ze geen uitzonderingen aankunnen.

"De menselijke flexibiliteit blijkt groot genoeg om telkens tot een vorm van aanpassing te komen. De prijs van die aanpassing is echter onbekend."(202)

"Men dient zich bijvoorbeeld af te vragen of het persoonlijk contact met zijn vele, nauwelijks definieerbare nonverbale signalen wel gemist kan worden zonder dat dit leidt tot een sterke vereenzaming en vervreemding."(203)

Zorgvuldig ontwerp, creëren van inspraak en medezeggenschap in het ontwerpproces, rekening houden met de menselijke maat, samenwerking zijn noodzakelijk.

"De opbouw van een goede communicatie met niet-specialisten is de voornaamste voorwaarde voor de opbouw van een samenleving waarin iedereen zich thuis kan voelen."(208)

[Mooie woorden. Maar helaas wordt niets gezegd over het westerse kapitalisme met zijn concurrentie en winstmaximalisatie die dit soort zaken volkomen onmogelijk maakt. Het boek is van 1983. We zijn nu zo'n dertig jaar verder. Voor mijn gevoel is de vervreemding alleen maar toegenomen, omdat geld verdienen nog steeds belangrijker gevonden wordt dan zorg dragen voor mensen.]

(210) 11. De effecten van overinformatisering

Er wordt steeds meer informatie geproduceerd (ook boeken en tijdschriften dus). Steeds meer mensen zijn daar op een of andere manier mee verbonden (productie, verzamelen, verwerken, verspreiden etc. van informatie), terwijl steeds minder mensen verbonden zijn met de echte industrie. Vandaar dat menzegt: de industriële samenleving gaat over in een informatiesamenleving. De automatisering versterkt dat.

[Inmiddels is er juist op dat punt heel veel gebeurd, zo veel dat dit artikel uit 1983 een totaal verouderde indruk maakt.]

"Wel is echter met name in de sfeer van de toepassing van computers de onjuiste gedachte vrij hardnekkig, dat gegevens - en dus ook computerdata - per definitie gelijk te stellen zijn aan informatie. Maar data en informatie zijn twee verschillende zaken: gegevens kunnen informatie opleveren, maar lang niet altijd zal dat het geval zijn. De gelijkstelling van die twee is wellicht het grote 'misverstand' van ons computertijdperk."(213)

Over begrippen als signalen en symbolen; syntactische, semantische en pragmatische informatie; communicatie. De ontvanger bepaalt of iets informatie wordt.

"De gebruiker is in veel beschouwingen over informatisering de grote afwezige. De druk van de technologie en de economie is zo groot, dat de vraag naar het nut van steeds meer informatie nauwelijks aan de orde komt. Het heersende dogma lijkt te zijn: informatie is altijd goed, meer informatie is altijd beter. Bij zo'n dogma vallen wel wat kanttekeningen te maken."(217)

Een informatiesamenleving is nog niet een beter geïnformeerde samenleving. Vandaar dat de auteur van dit artikel, J.J. van Cuilenburg, twee stellingen neerzet. De eerste stelling luidt:

"De hoeveelheid informatie in een samenleving neemt over het algemeen syntactisch exponentieel toe, semantisch minder dan proportioneel en is pragmatisch nagenoeg constant."(217)

"De hoeveelheid kennis waarover een samenleving beschikt [semantische informatie] neemt veel minder snel toe dan de produktie en distributie van informatie [syntactisch informatie]. Het kennisniveau in een samenleving stijgt niet evenredig met de omvang van het informatieaanbod."(218-219)

"Het derde element van de stelling geldt de pragmatiek van de informatie. Daarbij gaat het om het resultaat van informatie. Wat doen mensen ermee? Beïnvloedt informatie hun gedrag, hun beslissingen? Worden - en dat is de cruciale vraag - beslissingen van mensen beter bij meer informatie? Welnu, die pragmatiek is nagenoeg constant, dat wil zeggen dat het handelen van mensen en organisaties nogal informatie-ongevoelig is."(219-220)

De tweede stelling wordt aangeduid met 'Informatie als blindganger':

"Veel informatie gaat blind en de kans daarop neemt bij verdere informatisering toe; er zal steeds meer informatie aangeboden worden die geen antwoord is op iemands vraag, maar een antwoord op een vraag die nog bedacht moet worden."(221)

Daarnaast wordt steeds meer van mensen verwacht in het omgaan met informatietechnologie. De vraag is oer niet een hele klasse ontstaat van mensen die dat niet aankunnen. Onderwijs zal dus een belangrijke rol spelen in het aanleren van de noodzakelijke vaardigheden.

(228) 12. De computer en het onderwijs

Omdat het onderwijs voorbereidt op de samenleving zal er dus ook aandacht moeten bestaan voor de informatietechnologie in die samenleving. Zoals leren lezen om die reden ook een deel vormt van de onderwijsprogramma's. Daarnaast vormen computers zelf een nieuw hulpmiddel in het onderwijs en in de onderwijsorganisatie. Een overzicht van toepassingen volgt.

(248) 13. Enkele vragen bij de informatiemaatschappij

Ook al is het omgeven met onzekerheid, nadenken over de toekomst is van belang. Vooroordelen in de zin van puur positief of negatief staan tegenover informatietechnologie moet daarbij vermeden worden. Het gaat om de nuancering en de afweging van voor- en nadelen.

[De vragen in dit hoofdstuk zijn wel erg algemeen: 'Zullen we in een informatiemaatschappij leven?' 'Zullen we een communicatierevolutie meemaken?' 'Zullen we beter communiceren?' 'Zal ons bestaan verbeteren?'. Hangt er van af ... Dat is wat je meteen denkt bij zo'n vraag. Hangt af van de definitie van - vul maar in.]

[En de mogelijke antwoorden die hier gegeven worden, worden uiteraard gekleurd door het gegeven dat dit boek dertig jaar geleden is verschenen. We zouden op dit moment andere antwoorden verzinnen, vermoed ik. Ach ja.]

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk