>>>  Laatst gewijzigd: 26 maart 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Filosofie van de techniek

Inleidingen

Mondiaal

Nederland

Voorkant Mitcham 'Thinking through technology - The path between engineering and philosophy' Carl MITCHAM
Thinking through technology - The path between engineering and philosophy
Chicago-London: University of Chicago Press, 1994; 397 blzn.
ISBN: 02 2653 1988

[Het veel geciteerde boek van Mitcham bevat een deel met een overzicht van de geschiedenis van de techniekfilosofie (hf. 1-5) en daarnaast een deel waarin hij verschillende begrippen uit de techniekfilosofie nader analyseert (hf. 6-10). Het eerste deel is belangrijk wanneer je de fundamentele informatiebronnen in de techniekfilosofie precies wilt kennen. Logisch, want Mitcham heeft met anderen veel werk verzet aan het actueel houden van een bibliografie van de techniekfilosofie. Het tweede deel bevat allerlei begripsanalyses en -onderscheidingen waarvan ik zelf niet inzie wat dat nu bijdraagt aan een techniekfilosofie waaraan we praktisch ook nog wat hebben. Simpel gezegd: het eerste deel is 'top', het tweede deel is 'flop'.]

[Het boek is van 1994, terwijl er - neem ik aan - toch juist in de techniekfilosofie van de laatste vijftien jaar nogal wat gebeurt moet zijn. Het verklaart bijvoorbeeld waarom Feenberg maar net genoemd wordt. Vanuit het perspectief 'nadenken over computertechniek' en allerlei vormen van toegepaste ethiek is 1994 zeker oud.]

[Mitcham (1941) heeft een Amerikaanse achtergrond en is professor in Colorado, VS. Daarnaast is hij overtuigd christen. Dat leidt allemaal niet tot de bekende eenzijdigheden in keuzes en interpretaties, al merk je er in details wel eens wat van en zeker in de voorkeur voor metafysica en Heidegger. Ach ja.]

(1) Introduction - Thinking about Technology

Wat betekent het om filosofisch na te denken over technology en waarom zouden we dat willen? Mitcham geeft vervolgens een lijst van allerlei technische ontwikkelingen en catastrofes die in het nieuws kwamen. De lijst maakt duidelijk dat technologie niet alleen maar voordelen heeft en dat reflectie over de morele kanten aan de complexiteit en het gebruik ervan noorzakelijk zijn.

"There are, at the same time, reasons to be uneasy with the rush toward ethical discussions of technology as part of what has been called the 'applied turn' in philosophy."(6)

Ethische beslissingen moeten niet in haast genomen worden, maar op basis van een grondige analyse van technologie.

"The effort of this book is, in moderate contrast to prevailing inclinations, to emphasize general philosophical ideas — that is, fundamental theoretical issues dealing with technology. By standing back from the demands of practice and exploring basic philosophical questions, it aims to create more space, more open ground. Through this approach it may ultimately be possible to make a more profound contribution to ethical reflection than by immediate engagement with particular moral problems. Certainly ethics is in no way rejected — and indeed, on one interpretation this book may be read as the prolegomenon to inevitably more explicit ethical reflections on technology."(7)

[Hm, wat moet ik daar nu weer van denken? Die benadering kan er ook toe leiden dat in een ivoren toren weer eens een wereldvreemde filosofie uitgewerkt wordt uit angst om de praktijk aan te pakken met moraal. Wordt dit afstandelijk onbetrokken nadenken over techniek? Ik hoop het niet.]

Mitcham schildert dan kort de opkomst van de techniekfilosofie als discipline aan de hand van de verschenen collecties en gehouden conferenties en opgerichte instituten. Ook daarin zie je de verschillende accenten, soms meer ethisch en maatschappijkritisch, soms meer theoretisch.

[Mitcham is de man die samen met anderen als Mackey en Durbin bibliografieën heeft samengesteld van de techniekfilosofie. Dat zie je meteen aan zo'n overzicht: hij weet heel goed wat er gebeurd is.]

(17) Part One - Historical Traditions in the Philosophy of Technology

(19) Chapter One - Engineering Philosophy of Technology

Deze 'ingenieursbenadering' in de techniekfilosofie begint met de mechanische filosofie van Robert Boyle (1675), Isaac Newton (1687), Gaspard Riche de Prony (1799), Timothy Walker (1802-1856; 1832), waarop negatieve reacties kwamen van bijvoorbeeld de Romantici. Andrew Ure (1778-1857; 1835) komt met een filosofie van de productie ('philosophy of manufactures') waarin veel thema's zitten die je ook ziet bij zijn tijdgenoten Adam Smith en Charles Babbage en die terugkeren in de cybernetica van Norbert Wiener van 1948.

In 1877 komt de Duitser Ernst Kapp (1808-1896) met de term 'filosofie van de techniek'. Kapp is een tijdgenoot van Marx, ook links-hegeliaan, ook vervolgd door de Duitse autoriteiten. Kapp vertrok daarop echter naar Noord-Amerika, waar hij met machines en gereedschappen werkte. Na de Burgeroorlog daar keerde hij terug naar Duitsland waar hij in 1877 het boek Grundlinien einer Philosophie der Technik uitgaf. In dat boek worden gereedschappen en wapens opgevat als verlengstukken van het menselijk lichaam. In allerlei opzichten een originele filosoof. Hij loopt ook vooruit op gedachten van Henri Bergson, Arnold Gehlen en Marshall McLuhan en het 'officiële' marxisme.

De Rus Peter Engelmeier (1855-1941) benadrukt daarna het belang van een ingenieurshouding tegenover de werkelijkheid en werkt de geschiedenis en de thematiek van een filosofie van de techniek uit (1894, 1899, 1911, 1912, 1927).

De Duitser Eberhard Zschimmer (1873-1940) is de derde persoon die schreef over filosofie van de techniek. Zijn werk tot aan 1923 is nog niet aangepast aan de opvattingen van het nationaal-socialisme.

De belangrijkste auteur uit de ingenieurslijn van die periode rond 1950 is de Duitser Friedrich Dessauer (1881-1963). Net als Kapp is het een bijzonder figuur, een ondernemer, professor en katholiek politicus die moest vluchten voor de Nazi's, en pas in 1953 naar Duitsland terugkeerde om directeur te worden van het Max Planck Institut für Biophysik. Zijn visie op de rol van techniek wordt door Mitcham religieus genoemd, maar Dessauer is wel een tolerant verdediger van die visie. Zijn analyses hebben een kantiaanse achtergrond. Dei zijn niet meer zo van deze tijd, maar zijn visie heeft wel een grote invloed gehad (zie Heinrich Stork, 1977, en Heinrich Beck, 1979).

Buiten Duitsland werd de term 'filosofie van de techniek' tot aan de 1980-er jaren niet veel gebruikt. Maar er waren natuurlijk wel auteurs die over de ontwikkeling van de techniek nadachten zoals Alfred Espinas (1844-1922; 1897), Jacques Lafitte (1884-1966; 1932) en Gilbert Simondon (1923-1989; 1958) uit Frankrijk, de Pool Tadeusz Kotarbinski, de Nederlanders Hendrik van Riessen (1949) en zijn student Egbert Schuurman, en de Spanjaard Juan García Bacca (1901-1992; 1968; 1988).

De term doet zijn intrede in het Engelse taalgebied via de Argentijn / Canadees Mario Bunge in 1966. Hij is zeer positief over techniek en bekritiseert bijvoorbeeld het defaitisme van Heidegger en Ellul. Er is affiniteit met de technocratie-beweging en met het pragmatisme.

(39) Chapter Two - Humanities Philosophy of Technology

De betekenis van technologie werd echter ook altijd al geïnterpreteerd vanuit andere perspectieven - mythen, relgie, poëzie, filosofie, kunst - dan die van de technische ingenieur zelf. En vaak heel wat minder positief.

"In the face of the success of Bacon's challenge to this traditional understanding [Aristoteles' standpunt dat het maken van dingen ondergeschikt was aan 'het goede' en zo verder] and the subsequent appearance of technological societies, humanities philosophy of technology appears as a series of rear-guard attempts to defend the fundamental idea of the primacy of the nontechnical."(39)

"The subsequent romantic critique of modern technology, as somehow obscuring essential elements of life is a rich and varied tradition."(40)

Denk aan Rousseau (1750), maar ook aan latere filosofen als Karl Jaspers en Gabriel Marcel. Hier wordt met name aandacht besteed aan Lewis Mumford (1895-1988), José Ortega Y Gasset (1883-1955), Martin Heidegger (1889-1976), en Jacques Ellul (1912-1994).

Wat betreft Lewis Mumford:

" ... [Mumford] has been a persistent critic of technology in the American tradition of worldly romanticism that extends from Ralph Waldo Emerson to John Dewey. The tradition is worldly in its concern with the ecology of the environment, the harmonies of urban life, the preservation of nature, and a sensitivity to organic realities. It is romantic in insisting that material nature is not the final explanation of organic activity, at least in its human form. The basis of human action is mind and the human aspiration for creative self-realization."(40-41)

Al is Mumford geen filosoof, zijn belangrijkste werken laten een enorme kennis van zaken zien. Zijn standpunt is dat de menselijke natuur niet voornamelijk bepaald wordt door het maken van dingen. Veel belangrijker is dat mensen kunnen interpreteren, taal / symbolen kunnen hanteren. In zijn antropologie maakt hij een onderscheid tussen 'polytechnics' - die in harmonie is met het gewone menselijke leven - en 'monotechnics / authoritarian technics' - die ten koste van mensen gaat. Het is een mythe dat megatechniek onvermijdelijk is. Naast zijn kritiek werkt hij allerlei positieve invullingen van techniek uit in zijn werk over de stad, etc.

"Mumford is clearly not arguing for a simpleminded rejection of any and all technology. Instead, he seeks to make a reasoned distinction between to kinds of technology, one that is in accord with human nature, and another that is not."(44)

Voor Ortega Y Gasset maakt techniek deel uit van de creatieve interpreterende intelligente interactie tussen mens en omgeving. Moderne op wetenschap gebaseerde techniek gaan ten koste van dat fundamentelere proces:

"The perfection of scientific technics leads, for Ortega, to a uniquely modern problem: the drying up or withering away of the imaginative or wishing faculty, an aboriginal faculty that accounts for the invention of human ideals in the first place."(48)

Heel omzichtig formuleert Mitcham over Heidegger, met veel slagen om de arm geeft hij een interpretatie.

[Tekenend. Wanneer iemand als Heidegger zo moeilijk begrepen kan worden, moet in feite de conclusie zijn: hij weet blijkbaar niet waarover hij het heeft, of anders: hij kan het niet goed uitleggen, dus laten we hem maar negeren. In plaats daarvan krijgt iedere lezer een collectief minderwaardigheidscomplex en gaat hem juist op een voetstuk zetten. Terwijl niemand snapt wat Heidegger wilde zeggen met zijn Zijn, is iedereen toch de hele tijd bezig met interpretaties te verzinnen. Mitcham incluis.]

"... Heidegger is to some extent a philosopher in the Socratic tradition of raising questions rather than providing answers. He thinks that more than anything else questions, difficulties, or problems are what philosophy is all about. He has no desire to resolve questions like the positivists or to dissolve problems after the manner like Ludwig Wittgenstein and some other analytic philosophers. In truth, Heidegger is inordinately suspicious of all answers or solutions."(49)

[Was het maar waar. Zo doet hij zich voor, net als Socrates dat deed. Maar evenals Socrates is hij de hele tijd bezig met antwoorden geven. Het is gewoon een arrogant spelletje, waarin je nergens verantwoordelijkheid voor wilt dragen. En inderdaad kun je ook zonder al die vage theorietjes:]

"One can simply say that an overwhelming involvement in the material level tends to detract from metaphysical or spiritual reality. Technology is a kind of existential rejection of the metaphysical or spiritual — in the sense of not paying attention — in the ame ways that any dogma, precisely in its worldly powerfulness, rejects or ignores the more subtle affairs of mind and heart."(54)

Jacques Ellul stelt dat 'technologie' nu is wat 'kapitaal' was in de tijd van Marx. Hij heeft ook eenzelfde soort analyse als Marx in die nieuwe lijn. Hij pakt het 'technisch fenomeen' en zijn karaktertrekken op om de samenleving te analyseren. Ellul's technologisch determinisme is veel genuanceerder dan vaak gesteld.

"What is happening with technology is not some unqualified conquest of nature but the replacement of the natural mileiu with the technical milieu. The modern gamble concerns whether this new milieu, in contrast with the natural milieu, will be better or ultmately even possible."(60)

"In his richly detailed biblical studies Ellul is able to propose a more explicit alternative to the technology of the technician than does either Ortega or Heidegger."(61)

Hoewel ook Ellul - net als de andere genoemde auteurs - het verwijt krijgt dat hij een alternatief voor de door hem bekritiseerde technologie in de lucht laat hangen, vindt Mitcham dat Ellul wel degelijk veel brede oplossingen biedt in zijn ethiek van de nietmacht ('ethics of nonpower').

(62) Chapter Three - From Engineering to Humanities Philosophy of Technology

De verschillen en overeenkomsten tussen beide benaderingen worden nog eens op een rij gezet. De eerste is bezig met het rechtvaardigen van techniek, met analyse van begrippen en methoden, en wil een technische aanpak doorzetten van zowel de niet-menselijke als de menselijke wereld. De tweede vraagt naar de betekenis en zin van techniek en naar haar relatie met niettechnische zaken. De humanistische benadering is ook ij uitstek hermeneutisch:

"Humanities, or what might also be called hermeneutic philosophy of technology, seeks by contrast insight into the meaning of technology — its relation to the transtechnical: art and literature, ethics and politics, religion. It typically beings [sic! 'begins'?] with nontechnical aspects of the human world and considers how technology may (or may not) fit in or correspond. In its attempt to appreciate the nontechnical aspects of human experience and to bring nontechnical criteria to bear on the questioning of technology, it reinforces an awareness of the nontechnological. (...) The hermeneutic or interpretative enterprise is pervaded by personal, interpersonal, and historically conditioned elements, and thus tenuously articulated within a human world of fluctuating intersubjective consensus."(62-63)

De ingenieursbenadering wantrouwt de hermeutische benadering, wil vaak niet stilstaan bij haar eigen vooronderstellingen, vindt dat maar afleiden, etc., techniek speelt immers duidelijk een grote rol en maakt de wereld toch leefbaarder?

"Humanities philosophy of technology too often seems to be a philosophy of antitechnology and to close itself off in romantic subjectivity from technological aspects of the human — aspects that are fundamental constituents of the contemporary techno-lifeworld."(64)

"Engineering philosophers of goodwill might nevertheless respond that humanities concern for critical analysis and moral sensitivity easily cloaks irrationality and bad judgement."(65)

Omdat techniek nu algemeen aanwezig is in de alledaagse ervaring en werkzaamheden van mensen, is een toenadering waarschijnlijk mogelijk, zoals ook blijkt uit interdisciplinair onderzoek op het terrein van de techniek.

In het Duitsland van na WOII werd vanaf 1947 de Verein Deutscher Ingenieure (VDI) toonaangevend met conferenties, studiegroepen, en publicaties. Bekende namen hier: Alois Huning, Friedrich Rapp, Hans Sachsse, Klaus Tuchel, Walter Zimmerli, Hans Lenk, Simon Moser, en Günther Ropohl (de laatste drie verbonden aan de Technische Universiteit van Karlsruhe -- de 'Karlsruhe School'). Er werd door de VDI echter weinig gedaan met Heidegger, Jaspers, en denkers van de Frankfurter Schule, waaruit dan toch weer blijkt dat het moelijk is je 'roots' te overstijgen en werkelijk bruggen te bouwen.

Een andere toenadering ontstond vanuit de filosofie, namelijk vanuit het Amerikaanse pragmatisme (Joseph W. Cohen - 1955, John Dewey, Don Ihde, Paul T. Durbin, Larry Hickman). Dewey ziet technologie als een waarde temidden van andere, waarover dus op dezelfde manier afwegingen kunnen en moeten worden gemaakt. Hickman is Dewey's grootste verdediger. Benadrukt wordt dat technologie nu in de sfeer zit van wetenschappelijke controle, een sfeer waarin de natuur niet geaccepteerd wordt zoals hij is zoals in de eerdere klassieke periode.

Don Ihde schreef de eerste engelstalige monografie over de filosofie van de techniek (1979). Hij gebruikt de fenomenologie voor analyses van techniek en de relaties ervan met de werkelijkheid.

"Phenomenologically Ihde is especially good at distinguishing those technologies that extend or embody human experience (the magnifying glass) and those that call for human interpretative or hermeneutic reflection (the thermometer)."(77)

Hij heeft ook ideeën over dat 'je concentreren op iets' (uitvergroten) samen gaat met 'reduceren tot', en over technologisch determinisme. Technologie speelt een grote rol in hoe we onszelf interpreteren.

Alles bij elkaar genomen zijn de auteurs in de hoek van het pragmatisme er evenmin als de VDI helemaal in geslaagd de ingenieurshouding te overwinnen.

"Against this background it might be argued that one of the most important bridges in the philosophy of technology — if not a substantial philosophy of technology in its own right — is the analysis of technology that constitutes a central theme in the thought of Karl Marx ... "(78-79)

Volgt een weergave van de belangrijkste gedachten van Marx. Die gedachten hebben een politieke en een intellectuele erfenis nagelaten.

Bij de eerste hoort de kwestie van de STR (= Scientific Technological Revolution; terem van Bernal en Perlo): het samengaan van wetenschap en technologie in technowetenschap plus een kritiek op de defaitistische techniekfilosofie uit West-Europa van Heidegger en zo. Eind 1960-er jaren werden er vele debatten gehouden over STR - overzicht in Radovan Richta's Civilization at the Crossroads (1967) waarin allerlei auteurs samenwerken.

"What they condemn is a one-sided technological progress under social conditions that fail to provide for general human self-realization. This position includes an explicit critique of capitalist social organization and an implicit rejection of Stalinist centralization."(85)

"The failure of the Soviet Union to profit from such analyses does not of itself prove their falsity. Indeed, the results of the failure could even be argued to confirm their truth."(86)

Vanwege het ontbreken van die sociale dimensie in de samenleving van de USSR is de Russische filosofie van de techniek in de praktijk ook een ingenieursfilosofie.

De tweede erfenis, de intellectuele, vinden we terug in de auteurs van de Frankfurter Schule. Habermas is de meest realistische, vind Mitcham: zijn theorie van het communicatieve handelen maakt het mogelijk neo-marxistisch denken te koppelen aan modern liberaal denken. In de VS is die lijn in ieder geval ingezet door William Leiss en Andrew Feenberg.

[Ik moet zeggen dat Mitcham's weergave van Marx en marxisme fair en constructief is. Opnieuw fraai is hoe hij de historische ontwikkelingen in Oost-Europa weet te illustreren met de fundamentele boeken en congressen en zo, bronnen waarvan veel anderen nog nooit gehoord hebben waarschijnlijk. Hij is zeer goed op de hoogte.]

De tegenstelling EPT (= Engineering Philosophy of Technology) - HPT (= Humanities Philosophy of Technology) lijkt dus niet echt overwonnen. Volgt een herhaling van bepaalde zaken waarmee Mitcham toch wil pleiten voor het primaatschap van HPT.

[Ik weet niet, ik vind die hele tegenstelling EPT - HPT toch ook een beetje kunstmatig. Bovendien: een weigering van techneuten om over hun vooronderstellingen na te denken mocht misschien nog kunnen bestaan in de jaren vóór 1994, het jaar waarin dit boek verscheen, de jaren erna is techniek zo essentieel geworden in de samenleving dat techneuten moeilijk meer om hun verantwoordelijkheid heen kunnen en daar ook op worden aangesproken.]

(94) Chapter Four - The Philosophical Questioning of Technology

Wetenschappelijke theorieën hebben een grote invloed op de manier waarop mensen zichzelf zien en dus wordt er filosofisch nagedacht over wetenschap, wetenschappelijke ideeën en methoden en zo verder. Wetrenschapschapsfilosofie is echter geen duidelijk afgebakende discipline. Dat geldt nog meer voor techniekfilosofie, omdat technische ideeën en theorieën moeilijker te pakken zijn. Bovendien gaat het daar niet over wat 'waar' is, maar over wat 'werkt'. Beide disciplines stellen dus andere vragen.

"Because of this difference in the kinds of questions initially raised about science and about technology, the philosophy of science is more closely associated with logic and epistemology, the philosophy of technology with ethics and practical philosophy. But it is a mistake to limit the philosophy of technology to practical issues or to consider it only a form of applied philosophy. Technology is subject to the full range of concerns typical of the traditional divisions of philosophy — a spectrum of issues running from the conceptual and epistemological through the ethical, political, and religious to the metaphysical."(96)

Begripskwesties. Wat is de relatie tussen wetenschap en technologie eigenlijk? Is technologie niet meer dan toegepaste wetenschap?m Welke rol spelen technische artefacten in wetenschappelijk onderzoek?

Logische en kenniskwesties. Het huidige logische kader heeft aandacht voor de taal, ziet de wereld in termen van de wiskunde of van manipuleerbare symbolen, en past de wereld daar aan aan. Het logisch kader wordt afgestemd op een context ('pursuit of context appropiateness' zoals onderzocht in het pragmatisme). Ook de informatiewetenschappen worden hierin betrokken.

"Technical rationality as 'bounded' or context-dependent rationality is related to technical knowledge as information."(100)

Ethische kwesties. Globaal zijn er drie theoriën: natuurwet-denken (gaat uit van een voorgegeven kader van wetten en orde), utilitarisme (richt zich op goede en slechte gevolgen van handelen), en deontologie (richt zich op de innerlijke aard van een handeling die rationeel is of niet). Maar ze richten zich niet meer alleen op het intermenselijke handelen, maar voortaan ook op het het handelen van mensen tegenover dieren, de natuur, en door mensen gemaakte technische artefacten. Er zijn dus allerlei specialisaties ontstaan in de ethiek, al naar gelang het onderwerp: ethiek ronbdom kernenergie, milieu, medisch handelen, beroepsethiek van ingenieurs, computerethiek, en zo verder.

Politieke kwesties. Gaat bijvoorbeeld over de vraag hoe de voordelen van technologie aan iedereen ten goede kunnen komen, hoe risico's voorkomen kunnen worden, hoe beïnvloedbaar technische ontwikkelingen en technieken zijn.

(114) Chapter Five - Philosophical Questions about Techne

Filosofisch nadenken over techniek kan voor de moderne tijd dus verdedigd worden. Maar hoe zat dat eigenlijk in de periode die er aan vooraf ging? Kunnen we iets leren van de benadering van 'technè' in de Griekse oudheid bijvoorbeeld? En wat zegt dat over de geschiedenis van de techniek?

De geschiedenis van de techniek kent net als de filosofie van de techniek internalistische (op de techniek gerichte zoals in EPT) en externalistische / contextualistische (op het sociale en de context gerichte zoals in HPT) benaderingen. Een overzicht van de bronnen van die benaderingen. Maar:

"Whether internalist, externalist, or contextualist, most histories of technology — although they provide required documentation and are useful to promote broad philosophical reflection — are finally limited in what they can contribute to an understanding of premodern ideas about premodern technics. Indeed, from the perspective of philosophy, what is needed is what may, for want of a better phrase, be referred to as a history of ideas about technology — that is, the study of how different periods and individuals have conceived of and evaluated the human making activity, and how ideas have interacted with technologies of various sorts."(116)

Over definities van 'techniek' of 'technologie'. De meeste zijn zo breed dat technologie vaak staat voor alle menselijke activiteiten. Sommige zijn van de andere kant weer te beperkend. Het oudgriekse 'technè' wordt in het Engels vertaald als 'technology', andere talen kennen ook de term 'techniek'. Is 'technologie' wel een goede vertaling? Een etymologie van het woord is nodig (Plato, Aristoteles worden geanalyseerd).

"Here, then, is the most fundamental difference between Greek techne and modern technology. Techne involves logos, but only in grasping form, not in directing the actual process of production, the activity qua activity. There is no logos of this activity. But is this not precisely what modern technology proposes to furnish — a logos of the activity, a rationalization of the proces of production, independent of, if not actually divorces from, any particular conception of eidos or form? Is this not precisely why it can so vigorously claim to be neutral, to be dependent in use on whatever human beings want to do with it, on purely extrinsic ends?"(128)

[Ik vind dit niet zo'n zinvol hoofdstuk. Mitcham is zeer belezen en zijn analyses zijn best precies, maar uiteindelijk komt er toch geen echt antwoord op de vraag of we bijvoorbeeld moeten spreken van 'techniek' of van 'technologie' of op de vraag wat 'technologie' dan eigenlijk betekent - de 'study of the manipulation of nature'(133) is immers ook rijkelijk vaag. Duidelijk is dat Mitcham vindt dat je 'technèe' en 'technologie' niet zonder meer met elkaar kunt identificeren. En dat er waarschijnlijk sprake is geweest van een soort van paradigma-verandering in de geschiedenis van de technologie die er op wijst dat de ontwikkeling niet zo lineair en logisch verliep als vaak gesuggereerd wordt in een kritiekloos vooruitgangsdenken.]

(135) Part Two - Analytical Issues in the Philosophy of Technology

(137) Chapter Six - From Philosophy to Technology

[Mitcham blijft in het begin van dit hoofdstuk weer hangen in die tegenoverstelling EPT - HPT. Niet erg zinvol. Natúúrlijk moet er nagedacht worden over de uitgangspunten en gevolgen etc. van wat ingenieurs in de wereld zetten, of ze dat nu leuk vinden of niet. Ik snap niet dat filosofen altijd zo de filosofie moeten verdedigen tegenover mensen die weigeren na te denken.]

"When someone wants to bring about practical change, it always makes sense to ask why or for what?"(140)

[Precies. En inderdaad: het zou helpen wanneer mensen met vragen rondom technologie niet technofoob zijn en zo concreet mogelijk op de hoogte zijn van het onderwerp waarbij ze die filosofische vragen stellen. Ortega, Heidegger, Ellul en zelfs Mumford hebben weinig oog voor de concrete wereld van de techniek. Don Ihde is daar een heel stuk beter in. Aldus Mitcham. Op p.143 besluit Mitcham alleen nog over 'filosofie van de technologie' te praten. Eindelijk ...]

Wat bedoelen we met technologie? Ingenieurs bedoelen er iets anders mee dan sociale wetenschappers.

"The engineering usage is more restrictive. To begin with, the word 'engineer' itself has etymological and sociological connotations that cast shadows over any engineering concept of 'technology'."(144)

[Jammer, want nu volgen er weer allerlei erudiete onderscheidingen, bv. tussen ingenieurs en technici, tussen de bedenkers / ontwerpers / designers van maaksels en de makers / uitvoerders / bedieners ervan. Maar de zin ervan is niet duidelijk en er wordt ook geen echt duidelijke karakterisering gegeven van wat ingenieurs dus met technologie bedoelen. Op een andere manier geldt dat voor sociale wetenschappers.]

Essenties zijn: het maken en gebruiken van materiële artefacten; de invloeden die inspelen op dat proces en die er van uitgaan.

"In undertaking an analysis of diverse types of technology, however, one cannot just dive in. The rich complexity of the subject forces one to adopt at least a provisional classifying or categorizing scheme. Numerous frameworks or preliminary typologies have been proposed and used — although these have often been more for technical, historical, encyclopedic, or educational and heuristic than philosophical purposes."(154)

Mitcham voelt het meest voor de kaders van Robert McGinn (1978) en Stephen Kline (1985): technologie als kennis, als activiteit, als object.

"McGinn, Kline, and their philosophical predecessors can nevertheless be brought together by a simple observation implicit in their analyses, although its potential has not been fully explored. Technology is pivotally engaged with the human. As such it is to be considered in relation to the essential aspects of a philosophical anthropology — with differences drawn between its manifestations in the mind, through bodily activities, and as independent objects that take their place in the physical and social world. On such a basis distinctions can readily be articulated between technology as knowledge, technology as activity, and technology as object — three fundamental modes for the manifestation of technology."(159)

Mitcham voegt er aan toe: technologie als volitie.

(161) Chapter Seven - Types of Technology as Object

Bij 'technologie' denken de meeste mensen aan de producten / de door mensen gemaakte materiële artefacten.

"Specifying materiality excludes sociotechnical systems from being technological objects in a primary sense — although these may well be derivative manifestations of technology."(161)

[Nou, vaag hoor. En wat volgt ook. Het schrift niet, letters wel; schilderijen wel, boeken ook, maar niet de roman zelf; en zo verder. Een brood is geen artefact, een hamer wel, heet het verderop. Ik vind het nogal eenzijdig. Waarom moet voor een object de nadruk liggen op het materiële ervan? Moet een object altijd ruimte in kunnen nemen? En ook: Heeft het nu echt zo veel zin te debatteren over wat bij de 'technische objecten' hoort en wat niet en hoe je die objecten precies moet indelen? Mitcham heeft in dit soort dingen iets aristotelisch, een voorliefde voor opsommingen die indelen en categoriseren. Maar natuurlijk kan alles vrijwel altijd anders ingedeeld worden.]

[Zo noemt Lafitte al de artefacten 'machines'. Maar dat wijkt natuurlijk nogal af van hoe dat woord normaalgesproken opgevat wordt.]

"Machines pose complex conceptual issues, partly because the term 'machine' mas shifted its meaning from the antique hand-operated instrument of work to the modern nonmanually operated instrument."(165)

"But the common notion is that the 'tool' is a hand-operated machine or at least that element of direct contact between a machine and the world that in principle can be humanly manipulated, whereas 'machine' denotes an instrument in its independence, or that aspect of an instrument that is not dependent on the human."(167)

Een door mensen gemaakt artefact heeft niet dezelfde interne integratie als natuurlijke zaken als planen, bomen, enz.

"A machine, for instance, exhibits an inherent tendency to deteriorate because its form and matter are not really one; to function as a machine over extended periods requires regular upkeep from some human source. This is in contrast to a plant (and all living things), which generate and regenerate themselves unassisted by human beings."(172)

De vraag is of die stelling van Aristoteles nog geldt voor de producten die voortkomen uit moderne productiemethoden. Sommige synthetische chemische producten blijken niet afbreekbaar, gentechnologie heeft geleid tot levende artefacten. Dieren maken soms producten, mogen we die dan artefacten noemen? En wat te zeggen van sociale instituten die ook door mensen in het leven geroepen zijn? Is de aarde inmiddels een artefact? Kunnen we artefacten onderscheiden naar de invloed die ze op mensen hebben of naar de maatschappelijke problemen die ze veroorzaken? Mitcham werkt toe naar een fenomenologie van artefacten via allerlei auteurs.

[Het zijn vaak begripsanalyses en indelingen / categorieën van kenmerken. Met daarnaast nogal korte opmerkingen over allerlei auteurs, waarvan Illich hier de meeste aandacht krijgt. Ik vind het niet bijster interessant.]

(192) Chapter Eight - Types of Technology as Knowledge

Technologie als kennis - van technische en niet technische objecten - krijgt bijzonder veel aandacht in de moderne filosofie.

"This no doubt reflects the epistemological proclivities of modern philosophy. As intellectual historians have often noted, although the problem of knowledge plays an important role in philosophy from Plato on, it is with Descartes, Locke, Hume, and Kant that issues of the essence and limits of knowledge have taken center stage. The historicizing of knowledge that follows Kant — from Hegel through Nietzsche to Cassirer and Heidegger — simply extends the modern attempt to ground philosophy in the knowing subject rather than in wonder at the things that are."(192)

[Bernard Delfgaauw zegt hetzelfde in het eerste hoofdstuk van zijn Filosofie van de vervreemding, vervreemding van de filosofie, deel 1.]

Volgen gedachten over de indeling van die kennis. Onderscheiden worden vaardigheden ('technemes' zegt Bertrand Gille), vuistregels / recepten, beschrijvende wetten en technische regels, en technische theorieën.

Over vaardigheden:

"In a more general manner Donals Schön (1983) argues against the common conception of technical rationality he finds imposed on the professions by the Enlightenment view of reason and science. Against the model of rationality that requires the rigorous application of scientific theory, Schön outlines a process of tacit or intuitive reflection-in-action that moves through ascending cycles of problem recognition and problem transformation toward greater or more expansive mastery. He finds this skill development process exhibited by professionals as diverse as the engineer, psychotherapist, business manager, and town planner."(196)

Wat betreft regels, wetten en theorieën vinden veel wetenschappers en ingenieurs dat technologie toegepaste wetenschap is. Voorbeeld: Mario Bunge. Techniek gebruikt wetenschappelijke kennis met het doel om de werkelijkheid te manipuleren en controleren. Wetenschap heeft met waarheid te maken, techniek met effectiviteit. Tegenstanders brengen echter naar voren dat veel technische kennis helemaal niets met wetenschappelijke kennis te maken heeft (bv. John Staudenmaier - 1985; Thomas M. Smith - 1966; Walter Vincenti - 1990; Edwin Layton; Ronald Klein; Bruce Seely). Of ze hebben kritiek op het positivisme (bv. bij Bunge) vanuit een heel andere wetenschapsopvatting als de fenomenologische waarbij wetenschap en techniek elkaar wederzijds beïnlvoeden en er geen dominantie is van een zogenoemde objectieve wetenschap (zie Harold Brown en Cyril Stanley Smith).

Volgt nog een kort zijspoor over cybernetica en over een metafysische interpretatie waarin wetenschap als fundamenteel technisch wordt gezien.

(209) Chapter Nine - Types of Technology as Activity.

"Technology as activity is that pivotal event in which knowledge and volition unite to bring artifacts into existence or to use them; it is likewise the occasion for artifacts themselves to influence the mind and will."(209)

Technische activiteiten gaan gemakkelijk over van individueel niveau naar institutioneel niveau en hebben te maken met menselijke gedragingen als maken, uitvinden, ontwerpen, bouwen, werken, bedienen en beheren. Onderschieden kan worden in 'action' en 'process', in 'production' en 'use'.

De filosofie van het handelen ('philosophy of action') zegt weinig over 'making actions'. Het verschil tussen cultiveren (waarbij de natuur het werk moet doen) en construeren (waarbij de mens meer ingrijpt op de natuur en de controle heeft), tussen hoofd- en handwerk, tussen nuttig en esthetisch, tussen knutselen / uitproberen / uitvinden en gepland bouwen / geplande innovatie.

"Despite discussions of practicve in Marx, Dewey, Polanyi, and others, the philosophical analysis of using is slighted. Although the philosophy of action and ethics have something to say about using, the concept of use is conspicuous by its absence as a theme in al major texts. By and large what is said does not contribute directly to the clarification of using as a type of technology as activity. It is thus necessary to begin with quite preliminary observations."(230)

[In dit hoofdstuk tot zo ver weer eindeloze begripsanalyses en indelingen. Ik kan er niet warm voor lopen. Het is volkomen onduidelijk wat al die onderscheidingen nu eigenlijk moeten opleveren, hoe ze ons verder brengen. Ik vind dit soort analyses niet eens zo veel verhelderen, omdat er discussie mogelijk blijft over elke indeling of onderscheiding. Mitcham blijkt analytische filosofie te bedrijven zonder stil te staan bij de waarde ervan. Ik ga het hier niet allemaal in detail weergeven. Nog een paar citaten:]

"Subsequent to Marx, sociologists and social philosophers have expanded the concept of alienation. The 1960s especially witnessed a rediscovery of the concept, as well as the tendency to link alienation with romantic criticism of technology as separating humanity from nature and the affective life, with the sociological categories of anomie (Durkheim) and 'disenchantment' (Weber), and with Freud's psychological theory of repression."(242-243)

"The web of relationships in nature is as complex and indeterminate as those in the human world. The indeterminacy introduced into human action by the transformation from tribal to societal levels of organization is mirrored by what happens in technology with the shift first from craft to industrial production and then even more decisively with the development of nuclear weapons, computers, and biotechnology. These new technologies readily introduce into the web of ecological relationships chains of events that outstrip original intentions not unlike those previously exhibited in the political realm."(245)

(247) Chapter Ten - Types of Technology as Volition

Ingenieurs hebben als ingenieurs niets aparts te zeggen over de rol die de wil / het willen speelt in technologie.

"The turn to technology as volition thus constitutes a turn away from engineering and a return to philosophy."(247)

Maar ook in filosofie is het willen onderbelicht of impliciet gebleven, wat Mitcham illustreert aan de hand van een reeks auteurs.

"The protean character of volition is implicit in many philosophies of technology. Technologies have been associated with diverse types of will, drive, motive, aspiration, intention, and choice."(247)

"This modern notion that human beings make themselves, or will what they are to become, has serious practical consequences throughout the lifeworld. No to mention other examples, it seems to be behind the desire to 'conquer space' and, in the biomedical field, to overcome 'genetic roulette'. Genetic counseling, followed up by abortion when necessary, is designed to keep the spontaneity of nature from interfering with an individual's self-creative volition."(250)

[Komen hier stiekem de waarden en normen van Mitcham om de hoek kijken? We zullen verder zien.]

Het gaat hier niet zo zeer om de individuele wil, maar om de wil van sociale groepen of zelfs van een cultuur. Steven Goldman (1984) wijst op de - vaak persoonlijke - waarden van maatschappelijke groepen (bv. opdrachtgevers, overheid, en zo verder) die zeer bepalend zijn voor de rol die bepaalde technieken gaan krijgen, ook al hebben die groepen helemaal geen verstand van die technieken.

"The chief difficulty in formulating a theory of technology as volition is that the concept of qill is one about which the history of philosophy provides precious little consensus. (...) Nevertheless, as has been argued by representatives of both the existential-phenomenological and analytic traditions of philosophy, the issue of volition remains central to any philosophy of action."(254)

[Ja, maar waarom in die termen? Zo ligt het idee 'intentionaliteit' heel dicht bij wat Mitcham beschrijft, maar hij pakt dat thema niet op terwijl dit toch in heel veel filosofie te vinden is.]

Bespreking van Arendt, Ricoeur, en met name Heidegger.

"The more or less traditional ethical consideration of different ways of life thus begins to provide another basis for analyzing and accounting for many of the possible types of technology as volition. To consider technology as volition thus points toward the need for an ethical analysis of technology."(258-259)

Volgt nog een uitgebreide bespreking van het fenomeen 'gebrek aan wilskracht' of 'incontinentie' (in de oorspronkelijke betekenis van zelfbeheersing)('akrasia' in het Oudgrieks). Dit betreft het gegeven dat veel mensen uitstekend weten wat goed voor hen is, maar desondanks doen wat slecht voor hen is. Aristotels en Augustinus worden besproken. Mensen informeren is maar een beperkte strategie: bij de mensen die al weten, heeft dat niet heel veel zin. Criminaliseren helpt ook in de meeste gevallen niet.

[Nogal een rommelig hoofdstuk, vind ik. Het hele idee 'wil' blijft onduidelijk, de relatie met 'technologie blijft onduidelijk, terwijl er wel allerlei zijsporen bewandeld worden die nooit meer op de hoofdweg terugvoeren.]

(267) Conclusion - Continuing to Think about Technology

Terugblik en samenvatting van de argumentatie van dit boek.

"The guiding concern of this book has been to identify the stance and distinctions proper to thinking about technology philosophically, in a way that does not exclude engineering. (...) Studies of philosophy and technology, with both entering into the fray, are what is needed."(267)

"Lest this modal framework [de vier besproken aspecten van techniek: als object, als kennis, als activiteit, als wil] appear too much like a rationalist construction, it can and ought also to be interpreted simply as a set of quasi-empirical categories fro speaking about technology. About technology one can speak in many ways."(269)

[Mitcham hoop dat zijn begripsanalyses en categorieën helpen in het overbruggen van de kloof tussen 'engineering' en 'humanities philosophy of technology' in lijn met het streven van de Society for Philosophy and Technology en Science, Technology, and Society - studies. Maar ik denk niet dat dit zo gaat werken. Hij voelt zelf blijkbaar ook al aan waar zijn zwakheid zit: al die onderscheidingen en uitwerkingen van begrippen vormen inderdaad een rationalistische constructie. Maar wat kun je er mee in een praktijk waarin de normativiteit van keuzes voor doelen en keuzes van middelen het allerbelangrijkst is? Kijk, en dat is nu net in strijd met de beginkeuze van dit boek: voorkeur voor conceptuele analyses en minder voor ethiek - zie hf 1. Het is niet voor niets dat ethiek / waarden en normen zo'n grote rol zijn gaan spelen.]

"Without in any way implying that this book is comparable to the works of such exemplary figures [Mitcham noemt eerder een reeks beroemde filosofen], one can still try to imitate their model and keep the philosophy of technology from becoming an arid, sterile discipline after the manner of so much recent philosophy of science and linguistic analysis."(271)

[Nou, ik heb wel iets van Mitcham's pretentie gevoeld bij het lezen van deel 2. Zo bescheiden is hij nu ook weer niet. En als we naar iets anders toe moeten dan naar een droge steriele filosofietechniek, dan is, vrees ik, Mitcham's boek toch geen goed rolmodel.]

"One must admit that the ultimate payoff from many of the distinctions in this volume is not clear and cannot be known in advance. Theory seldom reveals its own implications."(273)

[Inderdaad. Zoals gezegd denk ik dat die 'payoff' wel heel gering moet zijn. Mitcham ziet dit boek als een 'prolegomenon' voor ethisch denken over technologie. Ik denk dat we eerst maar eens ethisch moeten gaan denken. ]

(275) Epilogue - Three Ways of Being-with Technology

Wat is primair: mens-zijn of techniek? Ook al is dit een vraag waarop geen echt antwoord kan volgen, het is niet onbelangrijk om er over na te denken, vindt Mitcham.

"Rather than argue the primacy of one or the other factor or the cleché of mutuality in the humanity-technology relationship, we can better pursue understanding through a structural examination of three forms the relationship itself can take, three ways of being-with technology."(275)

[De term 'being-with' maakt het al duidelijk: hier wordt Heidegger van stal gehaald.]

"Against this background [inderdaad; het denken van Heidegger], then, it is possible to develop historicophilosophical descriptions, necessarily somewhat truncated, of three alternative ways of being-with technology. The first is what may be called ancient skepticism; the second, Renaissance and Enlightenment optimism; and the third, romantic ambiguity or uneasiness. Even in the somewhat simplified form of ideal types in which they will be presented, considering the issues that divide these three ways of being-with technology may help illuminate the difficulties we face in trying to live with modern technology and its manifest problems."(277)

[Wat Mitcham weer onderbouwd met de analyse van allerlei teksten. Maar ik vind het nogal een open deur en volg het niet verder.]

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk