>>>  Laatst gewijzigd: 28 december 2017  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Waarderingen van techniek

Voorkant Van der Pot 'Die Bewertung des technischen Fortschritts' Johan Hendrik Jacob van der POT
Die Bewertung des technischen Fortschritts - eine systematische Übersicht der Theorien
Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1985, twee delen, 1429 bladzijden, zeer uitvoerige literatuurlijst

[Dit boek heeft een mooie insteek. Het gaat niet om het weergeven van de feiten over technische ontwikkelingen, innovaties, en zo verder, het is niet zo maar alleen een geschiedenis van feiten. Het gaat om de waardering van die feiten, het is een uitvoerige geschiedenis van waarderingen.]

[Het boek is oorspronkelijk in het Duits geschreven. In 1994 is het ook naar het Engels vertaald door Chris Turner en door Eburon in Delft uitgegeven als Steward or Sorcerer's Apprentice? The Evaluation of Technical Progress: A Systematic Overview of Theories and Opinions. Op die manier werd dit waardevolle boek toegankelijk voor een groter publiek. In 2004 is de Engelse vertaling opnieuw door Eburon uitgegeven met een betere titel: Encyclopedia of Technological Progress - A systematic overview of theories and opinions. Dikke boeken met lange titels, daar valt ook een boek over te schrijven ... ]

[Van der Pot's boek vormt een belangrijk onderdeel in de ideeëngeschiedenis van de 19e / 20e eeuw, en overstijgt vanwege zijn inhoud noodzakelijk losse wetenschappelijke disciplines. Het gaat over de gevolgen, de betekenis en de beheersing van technische vooruitgang, gezien als een opeenvolging van technische middelen die mensen uit behoefte of noodzaak uitvinden, waarmee ze zich onderscheiden van de dieren en waarmee ze zich een toekomst verschaffen.]

[Nota bene: VdPot gebruikt lange beschrijvende titels voor de onderdelen van zijn boek. Prima op papier, maar onhandig op een website. Voor de indeling hier houd ik het daarom kort en geef als een soort intro vervolgens de uitgebreide titels.]

Voorwoord door Alexander King

Alexander King is een van de oprichters van de Club van Rome. Hij ondersteunt het groots opgezette boek van vdPot geheel en al, omdat het ontstaan van technische ontwikkelingen nog nauwelijks begrepen wordt.

"The economists tend to assume that particular developments arise at a given time as a consequence of the interaction of economic forces. The scientists, on the other hand, seem to imagine a quite different process in which discoveries of a fundamental nature are made in the laboratory as part of the intellectual probing for new knowledge and without thought of application; their practical potentialities are seen by some entrepreneur who, by applied research works out their practical applications and, after pilot plant or engineering prototype development, they appear on the market as new products or processes. Both these lines of approach have some truth, but are exceedingly simplistic and neglect many factors."(21)

Voorwoord van de schrijver

De motivatie voor dit dikke boek komt wel heel duidelijk naar voren in die ene persoonlijke mededeling van de auteur waarin hij zijn ervaring in een concentratiekamp vertelt waar een paar bewakers met machinegeweren en elektrisch prikkeldraad duizenden gevangenen in bedwang konden houden. Dat is inderdaad de macht van de techniek in al zijn dubbelzinnigheid.

Eerste hoofddeel / Eerste deel

De titel van het eerste hoofddeel:

De houding tegenover technische vooruitgang in niet-europese culturen en in Europa tot de Industriële Revolutie

De titel van het eerste deel:

De houding tegenover techniek in de oude Aziatische, Griekse en Romeinse culturen

(29) Sectie 1

Max Weber was de eerste die vragen stelde bij de specifieke Europese technische ontwikkeling uitlopend op een Industriële Revolutie, zo zegt vdPot in de Inleiding.

Het is opvallend dat die Industriële Revolutie alleen in West-Europa heeft plaatsgevonden en niet bij de Grieken of Romeinen of in China of waar ook.

VdPot bekijkt daarom de positieve, negatieve en dubbelzinnige beoordelingen van de stand van de techniek in het Oosten en bij de Grieken en Romeinen.

Het verhaal over de taoïstische tuinman in het oude China die het water voor de tuin nog met de hand naar boven haalt en verplaatst, is prachtig. Natuurlijk kan het efficiënter en sneller en gemakkelijker, maar daarmee verlies je de natuurlijke eenvoud.

"Wenn einer Maschinen benützt, so betreibt er all seine Geschäfte maschinenmässig; wer seine Geschäfte maschinenmässig betreibt, der bekommt ein Maschinenherz. Wenn einer aber ein Maschinenherz in der Brust hat, dem geht die reine Einfalt verloren. Bei wem die reine Einfalt hin ist, der wird ungewiss in den Regungen seines Geistes. Ungewissheit in den Regungen des Geistes ist etwas, das sich mit dem wahren SINNE nicht verträgt."(33)

(36) Sectie 2

In de tweede sectie gaat vdPot na waarom er bij genoemde culturen geen sprake was van een dynamisch streven naar technische vooruitgang.

De eerste verklaring zoekt hij in de religieuze huiver voor de natuur: als de natuur heilig of goddelijk is, is voorzichtigheid geboden en zijn rituelen nodig bij alles wat je met die natuur doet, zoals bij zaaien en oogsten.

Desacralisatie van de natuur is een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van technische vooruitgang, zo hebben zowel theologen als filosofen geconstateerd.

Deze desacralisatie (Max Weber: onttovering van de wereld; Max Scheler; Hans Freyer, Arnold Gehlen, R.Hooykaas) was er niet in genoemde culturen, maar wel in het Christendom.

In de eerste plaats vanwege de magievijandigheid van Jodendom en Christendom. Want het is dat gevoel voor de magische krachten in de natuur bv. bij de Aziatische culturen die daar een belemmering vormden voor de technische ontwikkeling: het gevoel van wezensverbondenheid met de natuur, het gevoel voor de eenheid van al het levende dat een ingreep in de natuur moeilijk maakt.

En dat geldt zelfs voor China waar men in technisch opzicht toch tot ongeveer 1400 verder was dan in het Westen: ook daar uiteindelijk geen industriële revolutie. Citaat (spatiëring van mij):

"Der grundlegende Unterschied zwischen dem chinesischen und dem westlichen Denken, an den in dieser Beziehung zu denken ist, ist nicht, dass den Chinesen etwa ein rationalistisches Denken gefehlt habe, sondern dass ihr Rationalismus, wie Max Weber 1920 schrieb, ein anderer war: 'Der konfuzianische Rationalismus bedeutete rationale Anpassung an die Welt. Der puritanische Rationalismus: rationale Beherrschung der Welt' (in 1947, I, 534). Der westliche Glaube an die rationale Beherrschbarkeit der Welt hängt zusammen mit dem Glauben an die rationale Erkennbarkeit der Welt. Dass dieser letzte bei den Chinesen fehlte, hängt, wie der Sinologe Joseph Needham ausführte, mit dem vom abendländischen wesensverschiedenen chinesischen Gottesbegriff zusammen."(42)

In China stuurde men de natuur wel (bijv. waterleidingen, dijken), maar zonder haar geweld aan te doen. Voor de Islam ongeveer hetzelfde en ook bij de Grieken en Romeinen overheerste de religieuze huiver voor de natuur.

"Insofern die Griechen Maschinen herstellten, welche nicht durch die menschliche Hand sondern als Automaten funktionierten, waren es nur Spielautomaten."(44)

Een tweede verklaring zoekt men in het ontbreken van een hoopvolle instelling tegenover de toekomst. Die is er wel in het joods-christelijke geloof en in al het vooruitgangsgeloof, maar ontbrak bij de Aziatische culturen en bij de Grieken en Romeinen. Een en ander blijkt bijvoorbeeld uit het benadrukken van een kringloopgedachte bij die culturen die afgeschud werd door de eschatologische (op een eindpunt gerichte) visie van het joods-christelijke geloof. Bij die laatste is er een begin en een einde en daarbij past uiteraard een vooruitgangsdenken veel beter.

Een derde verklaring zoekt men in de geringschattende houding van de maatschappelijke bovenlaag tegenover op praktisch nut gericht werk en tegenover de maatschappelijke lagen die dat werk uitvoerden. Ze hadden niet de neiging om dat werk - dat ze toch niet zelf uitvoerden - door middel van technische vindingen lichter te maken.

Het Jodendom en Christendom vervingen die negatieve beoordeling door een iets positievere: arbeid was een manier om te overleven en om zondige neigingen uit te bannen resp. goede neigingen te bevorderen, arbeid hoorde er gewoon bij, werd dus ook gezien als een vorm van ascese. Maar daarom ook hier niet de neiging de zwaarte van de arbeid te verlichten.

Een vierde verklaring hangt hiermee samen. De aanwezigheid van een grote massa van slaven die het werk deden stimuleerde in het verleden evenmin tot het doen van technische uitvindingen om het werk te vergemakkelijken. Hoewel duidelijk is dat andere historici dit standpunt bestrijden.

[Ik denk dat het veel met waarderingen binnen machtsverhoudingen te maken heeft. Mensen die rijk zijn, de beslissingen nemen, de ontwikkelingen sturen, die mensen voelen zich natuurlijk altijd al superieur, zien zich als de bovenlaag, de hogere klasse. En uiteraard ervaart deze groep de grote massa van slaven, machtelozen, armen als inferieur. Ze houden er ook altijd ideologieën op na die hun situatie rechtvaardigen.]

[In het geval van Grieken en Romeinen. Als je een massa slaven ter beschikking hebt en tegelijkertijd een negatieve waardering hebt voor die groep, zul je nooit iets doen om hun leven aangenamer en hun arbeid gemakkelijker te maken. Tenzij het in je eigen belang is om dat te doen.]

[In het geval van het Christendom. Wanneer je mensen als zondige slaven ziet die met arbeid in toom gehouden moeten worden, waarom zou je dan middelen verzinnen om die arbeid gemakkelijker te maken? Maar ook in het Christendom zijn er altijd machtsverhoudingen. De groep van rijke mensen en priesters ziet zichzelf natuurlijk niet écht als slaven, de theorie van 'zondige slaven' geldt natuurlijk voor anderen. En dan krijg je weer dezelfde situatie als altijd.]

[Wanneer het in het voordeel is van de heersende groep, dan worden wél technische middelen ingezet. Het doel is in eerste instantie natuurlijk nooit om het de 'slaven' gemakkelijker te maken, het doel is zelf rijker worden, uitbreiden, meer macht krijgen. En pas als de ellende van de 'slaven' tegen je zou werken, pas als je ze uit eigenbelang moet gaan lijmen, zoet houden, paaien, pas dan ga je middelen inzetten om het leven van je 'slaven' te verlichten. Een tevreden slaaf werkt in je voordeel, een opstandige slaaf niet.]

Een vijfde verklaring is dat Chinezen, Indiërs, en zo verder geen technische middelen wilden inzetten. Ze zouden er dus wel toe in staat geweest zijn die middelen uit te vinden en in te zetten, maar zouden er bewust van afgezien hebben. VdPot meent dat hiervan niets is aangetoond.

[Ik vind het niet zo'n rare gedachte. Ook in Azië had je een machtige en rijke groep en die had natuurlijk evengoed een ideologie van superioriteit tegenover inferioriteit. Maar naast die zojuist beschreven mogelijkheden, is er een andere route mogelijk.]

[Machthebbers kunnen er voor kiezen om de ellende van een massa 'slaven' niet in hun eigen voordeel om te zetten naar iets leefbaarders. Waarom zou je ze paaien als je dictatoriaal kunt optreden, als je de macht hebt om elke opstandigheid te onderdrukken, als je een benadering hebt waarbij een mensenleven gewoon niet telt?]

[Misschien werd er in het Oosten meer geregeerd met terreur en was er daarom geen behoefte om technische middelen in te zetten om het die grote groep gemakkelijker te maken.]

Van de zesde verklaring dat die technische vooruitgang te danken is aan erfelijke factoren (rassentheorie over actieve en passieve rassen, of over dat kunst, cultuur en wetenschap en techniek uitsluitend aan de Ariërs te danken zijn) moet vdPot niets hebben. Die sociobiologische verklaring is ook nooit hardgemaakt.

VdPot ontkent niet het belang van geografische, economische en sociale factoren, maar concentreert zich in het vervolg op de oorzaken die wat hem betreft de belangrijkste zijn:

Die drie oorzaken hebben alles met de rol van het Christendom te maken.

Eerste hoofddeel / Tweede deel

Titel van het tweede deel:

De houding tegenover techniek en tegenover technische vooruitgang in Europa tussen ongeveer 400 en 1800 nC.

(60) Sectie 1

De eerste sectie daarvan is gewijd aan het ontstaan van een positievere instelling tegenover techniek tot aan 1500.

Onderzoekers als Lynn White hebben laten zien dat al vroeg in de Middeleeuwen een technische ontwikkeling op gang kwam die het niveau op dit punt in andere culturen zou gaan overvleugelen. Dit in tegenstelling tot de vooroordelen over die periode waarin een beeld opgehangen wordt van gerichtheid op leven na de dood / het hemelse, 'Weltflucht' en 'Weltentsagung', ascese.

Die technische ontwikkeling begon al in de 7e eeuw. Het ging zeker tot aan de 12e eeuw vaak om het overnemen van uitvindingen van elders, het was dus niet zo zeer inventiviteit maar nuttig toepassen van wat zich aandiende.

M.n. drie technische verbeteringen speelden een grote rol: de verbetering van de aanspanning van paarden en andere trekdieren, de uitvinding van de watermolen en de uitvinding van de windmolen. Daarmee kon meer dan ooit menselijke energie vervangen worden door mechanische of dierenergie.

De rol van het Christendom hierin is door vele historici erkend. Centraal zouden daarin staan: de erkenning van de waarde van een mensenleven, en daarom de weigering mensen te onderwerpen aan slavenarbeid of dom monotoon werk. Daarnaast was het westelijke Christendom meer op activiteit gericht dan op comtemplatie zoals het oostelijke Christendom.

De waardering van mensen in het Christendom is nogal dubbelzinnig.

Van één kant is die waardering negatief en worden mensen benaderd als onderworpen aan hogere machten, als inferieur, als zondig, als wezens die niet hoogmoedig mogen zijn.

Van de andere kant is die waardering positief op een manier die in andere culturen misschien niet voorkwam en worden mensen gezien als geschapen naar 'gods beeld en gelijkenis' en dus als menselijk leven waaraan nooit afbreuk gedaan mag worden (denk aan het verzet tegen anticonceptie, abortus, euthanasie).

[Welke benadering de boventoon voert, is afhankelijk van tijd en context, en van wie de scepter zwaait. Machtsverhoudingen blijken ook in het Christendom de hoofdrol te spelen. Hoe kun je anders verklaren dat in de 19e eeuw arbeiders zo uitgebuit werden met de zegen van de R.K. Kerk? Waar is op dat moment de neiging om het menselijk leven te beschermen?]

[Ik weet het dus nog niet zo met die interpretatie van de rol van het Christendom in de Middeleeuwen. Misschien was het in de stad toen al anders dan op het platteland.]

Ook uit andere schriftelijke getuigenissen - bv. de handboeken voor diverse ambachten - blijkt een positievere waardering van de techniek.

(68) Sectie 2

De tweede sectie behandelt in dezelfde lijn het stijgende sociale en culturele aanzien van de mechanische kunsten tussen ongeveer 1500 en 1800.

Met name de machineboeken zoals Andreas Stöcklein die beschrijft, vormen zo'n getuigenis (met als voorbeeld Georg Agricola van de 16e eeuw over de mijnbouw).

Techniek is hier een manier om terug te keren naar de paradijselijke toestand waarin de natuur zich voegde naar de wensen van de mensen, een situatie die door de erfzonde verloren ging. Of er werd wel iets anders verzonnen waarmee men kon rechtvaardigen dat men in 'God's Schepping' ingreep.

Je ziet hier de voortdurende discussie tussen gelovigen die vinden dat je je aan moet passen aan en niet actief mag ingrijpen in de schepping / de natuur / het leven etc., en gelovigen (of niet zo gelovigen) die menen te kunnen verdedigen dat je wél mag ingrijpen.

Binnen de religieuze context van die tijd moeten die laatsten voortdurend de bedoelingen van 'God, Kerk en Bijbel' anders interpreteren om zich tegenover de eersten te rechtvaardigen. De argumentaties zijn vanuit het hedendaagse perspectief soms ronduit komisch.

In de kern is de reden toch vaak 'we kunnen het het, dus willen we het doen'. Het is altijd weer onhelder waar de grens getrokken zou moeten worden. Geen inentingen? Geen medicijnen? Geen abortus of euthanasie?

[Daarom zijn religieuze mensen vaak zo inconsequent in hun moraal.]

De intellectuelen van de 'liberale kunsten' namen steeds meer de 'mechanische kunsten' in hun bezigheden op, hielden zich m.a.w. steeds meer bezig met technische problemen. Voorbeelden: Leonardo da Vinci, Mersenne, Gassendi, Descartes, Locke, Leibniz, Hume, Rousseau, Diderot. 'Mechanische kunsten', handwerk en de kennis die daar in werd opgebouwd en toegepast werden steeds hoger aangeslagen.

Wetenschappers en technici begonnen samen te werken, wat uiteindelijk in de 17e eeuw tot de grote opbloei van de natuurwetenschappen leidde. Uitvinders werden steeds meer gezien als weldoeners van de mensheid.

In de 17e / 18e eeuwse discussie tussen 'Ouden en Modernen' werd de superioriteit van de klassieke tijd steeds meer ontkend terwijl de superioriteit van de moderne tijd werd 'bewezen' met een verwijzing naar de drie grote uitvindingen van de laatste twee eeuwen: de boekdrukkunst, het kompas, en het buskruit (weliswaar uitgevonden in China, maar toegeëigend door het Westen).

De machine werd als een kennismodel gezien: dieren en mensen werden naar het model van de machine verkend en begrepen, en ook de maatschappij en de kosmos werden als een reusachtige machine opgevat. Zie de uitwerking op p.77-80.

(80) Sectie 3

In de derde sectie wordt dan Francis Bacon (1561-1626) opgevoerd als de persoon met wie het rusteloze streven naar technische vooruitgang begint.

Natuurlijk was iets dergelijks er al vóór hem, bijv. bij de alchimisten, bij Roger Bacon (1214-1294; niet te verwarren met Francis Bacon) en in de genoemde machineboeken. Citaat:

"In dem 'Ideal of scientific progress' und dem damit verbundenen Ideal des technischen Fortschritts sind, wie Zilsel ausführte, drei Gedanken enthalten, welche alle drei schon in den damaligen technischen Abhandlungen zu finden sind:

'1) the insight that scientific knowledge is brought about step by step through contributions of generations of explorers building upon and gradually amending the findings of their predecessors;
2) the belief that this progress is never completed;
3) the conviction that contribution to this development, either for its own sake or for the public benefit, constitutes the very aim of the true scientist.'(326)

Zilsel kommt zu dem folgenden Ergebnis:

'Manifestly, the idea of science we usually regard as 'Baconian' is rooted in the requirements of early capitalistic economy and technology; its rudiments appear first in treatises of fifteenth-century craftsmen. However, it makes a considerable difference whether notions are advanced in prefaces and casual remarks or whether they are presented as a philosophical platform to revolutionize the whole of science. Bacon used the idea of his 'predecessors' as a battering ram against scholasticism and humanism and was the first to develop their philosophical and cultural implications. The concept of scientific progress was known before him, the ideal of the progress of civilization begins only with Bacon.'(346)"(82-83).

Francis Bacon ziet de technische vooruitgang als het vergroten van de macht van mensen over de natuur door wetenschappelijk onderzoek van die natuur (experiment en inductie), een macht die ten goede en ten kwade gebruikt kan worden. Ten goede bijv. in het verbeteren en verlichten van de leefomstandigheden van mensen.

Veel schrijvers na hem hebben zijn standpunten overgenomen en verder uitgewerkt. Voor filosofie had Bacon geen enkel respect, omdat daar geen sprake was van vooruitgang of nuttige resultaten. Ook bij hem is macht over de natuur een terugkeer naar de situatie in het Paradijs.

Dezelfde lijn van denken (de natuur als object waarover mensen macht hebben) zien we bij Descartes en Hobbes, Leibniz en d'Alembert, en allerlei andere bewonderaars van Bacon.

In een volgende paragraaf bespreekt VdPot de invloed van het Protestantisme hierop. Hij noemt in de lijn van Weber de beroepsethiek ervan. Het puritanisme, het rusteloos werken, was een verplichting tegenover de schepper. En verder zegt hij dat het Protestantisme de ontwikkeling van de natuurwetenschappen bevorderde.

Dat laatste blijkt bijvoorbeeld uit cijfers over de leden van zoiets als een Royal Society of London for the improving of natural knowledge, die voor een groot deel van protestantse afkomst waren.

Steeds weer blijkt hier dat onderzoek doen naar de natuur en/of de natuur naar je hand zetten in die tijd niet gewoon leuk mag zijn, niet zo maar iets mag zijn van menselijke zaken als nieuwsgierigheid, ijdelheid, genieten van je vaardigheden, en zo verder.

Het gaat niet om de verheffing van mensen, het gaat om het eren van de schepper via het dankbaar en gedisciplineerd gebruik maken van de natuur zoals door de schepper gegeven.

Waar de grens overschreden wordt naar de vernietiging van die gave wordt nooit duidelijk.

Natuurlijk was er altijd al gewone nieuwsgierigheid, kijken of iets kon, lachen om een kunstje dat je kon uithalen, opscheppen over en profiteren van je ontdekkingen. Maar dat kon niet hardop gezegd worden.

Het taalgebruik sluit daarom aan bij het traditionalisme van die tijd, dat terug wilde naar een ideale toestand in het verleden. Het zit vol met interpretaties van god's bedoelingen. In de lijn van: als god gewild had dat we gekleurde wollen kleren zouden hebben, had hij ook wel gekleurde schapen in de wereld gezet. En zo verder ...

Een belangrijke ontwikkeling was ook dat het toevallige onderzoeken en uitvinden plaats ging maken voor methodisch en systematisch onderzoeken en uitvinden. Natuurwetenschappen en techniek gingen steeds meer hand in hand.

(93) Sectie 4

Wel waren er nog altijd weerstanden en belemmeringen tegenover deze ontwikkelingen, zo beschrijft VdPot in de vierde sectie.

Er waren wel veel uitvindingen maar door het traditionalisme was er weinig innovatie. Steeds weer werd teruggegrepen naar de opvattingen dat men niet moest veranderen wat god gegeven had en dat als god dit of dat gewild had het er al geweest zou zijn.

Ook het zogenaamde primitivisme van die tijd, het idealiseren van de natuurmens en de natuurvolkeren in de 18e eeuw bij vele intellectuelen (Voltaire, Rousseau etc.) werkte belemmerend. Het hoofdidee daar was dat de moderne samenleving met zijn techniek de zeden bedierf en leidde tot gemakzucht etc.

Verder bleef minachting voor de mechanische kunsten en voor de uitvinders bij veel mensen bestaan.

Vrees voor werkloosheid en voor productieverlies was een andere belangrijke belemmering. Zie de uitwerking op p.102-105. Er waren veel wetten tegen het zo maar invoeren van machines bij de gilden en er werd ook regelmatig van het invoeren van techniek afgezien door politici en machthebbers wanneer er sprake zou kunnen zijn van het werkloos worden van allerlei arbeiders. Precies die angst voor werkloosheid verklaart ook die vijandigheid tegenover uitvinders.

(106) Excursus 1

Waar het gaat om militaire techniek of om techniek die een militair gebruik zou kunnen toelaten waren de oordelen vanaf het begin dubbelzinnig: theoretische bezwaren maar verdediging van praktische voordelen.

Hierbij was de afschrikkinggedachte al vroeg aanwezig en natuurlijk ook het typische standpunt dat de ongelovigen er wél mee bestreden mochten worden.

Voorbeeld van die tijd: het buskruit. Men realiseerde zich toen al de mogelijkheid van lucht- en (onder)zeeoorlogen en van massavernietigingswapens.

Zie de uitwerking op p.107-111.

(113) Excursus 2

Er was daarnaast grote belangstelling voor het maken van op mensen lijkende wezens in die tijd, zoals androïden (machines), golems, homunculi, automaten.

Al die gedachten en mythen hadden eigenlijk te maken met het motief dat de mens overvleugeld en overheerst zou kunnen worden door zijn eigen uitvindingen.

Auteurs hierover: Albert Ludwig (1918-19), John Cohen (1966), Helmut Swoboda (1967), Klaus Völker (1971), Sigrid Mayer (1975).

Tweede hoofddeel / Eerste deel / Eerste hoofdafdeling

Titel van het de tweede hoofddeel:

De theorieën van de 19e en 20e eeuw over de gevolgen van de technische vooruitgang.

Titel van het eerste deel:

Inleiding

Titel van de eerste hoofdafdeling:

Theorieën over de industriële revolutie als beslissende doorbraak voor de versnellende technische vooruitgang

(118) Sectie 1

In de eerste sectie wordt de acceleratiethese uitgewerkt en worden verklaringen van die acceleratie gegeven.

Iedereen is het er over eens dat die versnelling ontstaan is door genoemde methodische en systematische aanpak van onderzoek en wetenschap.

"Im 20. Jahrhundert ist der Gedanke, dass der technische Fortschritt sich seit der Industriellen Revolution immer mehr beschleunigt hat, zur Selbstverständlichkeit geworden."(120)

De these houdt in dat er sinds de Industriële Revolutie van ongeveer 1760 tot 1840 sprake is van een exponentiële groei van uitvindingen en toepassingen, zoals bv. blijkt uit een toenemend aantal uitvindingen, meer en meer patentaanvragen, een versnelde commerciële inzet van die uitvindingen.

Verklaringen die men hiervoor aanvoert: toename van de bevolking, beter en beter gespreid onderwijs, meer wetenschappelijk onderzoekers en uitvinders, betere onderzoeksmethoden, minder ideologische weerstanden, wederzijdse stimulans van natuurwetenschappen en techniek en commerciële uitbating, meer kennis en meer bestaande technieken om te combineren tot andere, betere uitwisseling van kennis door meer en betere communicatiemiddelen, meer boeken en andere publicaties.

Sommigen trekken het beeld zelfs door: de hele evolutie of geschiedenis zit in een versnelling.

[Ikzelf ben nooit erg onder de indruk van die constatering dat er een exponentiële versnelling gaande is in de (technische) ontwikkeling. Zo zijn de feiten. Maar wat zegt dat nu eigenlijk? Gaan mensen nu ook verstandiger om met die technieken? Het is als met computers: steeds meer snelheid en capaciteit, en dat maakt weer allerlei zaken mogelijk als breedband, filmpjes bekijken, snel even je mail lezen of iets op Google opzoeken. Maar ontwikkelt zich nu ook een betere communicatie tussen mensen, een beter samenleven? Ik betwijfel het.]

(129) Sectie 2

In de tweede sectie een overzicht van allerlei literatuur die inderdaad die Industriële Revolutie benadrukt. De uitdrukking lijkt ingegeven door een vergelijking met de Franse Revolutie.

Het zijn bepaalde nieuwe verschijnselen die zo'n enorme indruk maken dat de tijdgenoten precies dat gevoel verkregen dat er sprake was van een diepgaande revolutie. Voorbeelden: de stoommachine en de praktische toepassingen ervan in de industrie en met name het spoorwegnet.

Door allerlei mensen is overigens net zo goed gewezen op de continuïteit in de geschiedenis. Sommigen verwijzen naar andere fundamentele en revolutionaire uitvindingen uit het verleden zoals het verbouwen van voedsel, of de boekdrukkunst. Anderen beginnen op basis van recenter uitvindingen als het elektriciteitsnet, de verbrandingsmotor of de computer in de 20e eeuw te onderscheiden in de Eerste, Tweede en Derde Technische Revolutie.

VdPot's eigen standpunt is de volgende.

"Diesen Theorien gegenüber gibt es u.E. gute Gründe, die (sog. 'erste') Industrielle Revolution als die entscheidende geschichtliche Wende zu betrachten. Zurecht hat Helmut Schelsky darauf hingewiesen, dass damals eine 'vielleicht jahrtausendelange Kontinuität der Wirtschafts- und Produktionsformen' aufgehoben wurde ... Wesentlich erscheint uns vor allem, dass mit der Industriellen Revolution eine neue geistige Einstellung zur Technik zum Durchbruch gelangte.

Vor der Industriellen Revolution, so der britische Philosoph Alfred North Whitehead, 'the process of change was slow, unconscious, and unexpected. In the nineteenth century, the process became quick, conscious, and expected. The earlier half of the century was the period in which this new attitude to change was first established and enjoyed ... The greatest invention of the nineteenth century was the invention of the method of invention. A new method entered into life. In order to understand our epoch, we can neglect all the details of change, such as railways, telegraphs, radios, spinning machines, synthetic dyes. We must concentrate on the method in itself; that is the real novelty, which has broken up the foundations of the old civilisation.' (1926; Ausg. 1938, 117).

Die neue geistige Einstellung zur Technik zeigt sich u.E. aber vor allem darin, dass die Technik nunmehr die zentrale Stelle im ganzen Leben und Denken einnimmt."(134-135).

(138) Sectie 3

Maar het is duidelijk dat er ook wat te zeggen valt voor het standpunt van de auteurs beschreven in §40, zoals Toffler, die de 'elektronische revolutie' van de 20e eeuw als de meest belangerijke omslag in de geschiedenis presenteren.

Het is blijkbaar moeilijk om essenties te vinden. Van een kant wordt elke belangrijke uitvinding als start van een nieuw tijdperk gezien (van boekdrukkunst tot ruimtevaart, van TV tot de stoomtrein en zo meer). Van de andere kant is er wel degelijk wat te zeggen voor een opvatting die zegt dat de computer het aanschijn van de wereld heeft veranderd en nog verder zal veranderen.

Je zou heel empirisch de invloed van elk stuk techniek moeten nagaan op van alles en nog wat, maar dat is schier onmogelijk. Te veel variabelen. Wat voor vergelijkingscriteria kun je opstellen voor het vaststellen van de invloed van verschillende uitvindingen op mens en maatschappij?

[Daarnaast denk ik dat Jib Fowles gelijk heeft met zijn idee van 'chronocentrisme': het gegeven dat de mensen van nu hun eigen periode als de belangrijkste ervaren. Het is niet zo eenvoudig de goede afstand te bewaren en allerlei zaken wat te relativeren. Iemand als Zbigniew Brzezinski, die vroegere adviseur van president Carter van de VS, kan dat in ieder geval niet.]

Tweede hoofddeel / Eerste deel / Tweede hoofdafdeling

Titel van de tweede hoofdafdeling:

Drie hoofdrichtingen in de beoordeling van de gevolgen van de technische vooruitgang

(141) Sectie 1

[§41 van de eerste sectie hier, is erg mooi. Het beschrijft het emotionele karakter van veel waarderingen van de technische ontwikkelingen: techniekoptimisme en techniekpessimisme, techniekverheerlijking en techniekzwartmakerij.]

Grote begrippen duiken in die discussies op: cultuur tegenover civilisatie, natuur tegenover techniek, heimwee naar het 'verloren paradijs' tegenover verloren raken in het technische heden, ziel tegenover techniek, het creatieve individu tegenover de anonieme massa, het organische tegenover het mechanische, het irrationele en spirituele tegenover het rationele. Waarbij voor de tegenstanders van techniek het eerste behouden moet worden en verloren dreigt te gaan door het tweede.

Verdere uitwerking van de twee verschillende posities in §42. Ze hebben vaak met de sfeer van de tijd te maken. De tegenstanders verzetten zich bijvoorbeeld vanwege allerlei maatschappelijke gebeurtenissen als de Wereldoorlogen tegen de techniek in het algemeen.

Dat soort generalisaties - waarbij ook nog eens techniek verantwoordelijk gesteld wordt voor beslissingen op politiek of economisch vlak - vertegenwoordigen natuurlijk altijd een zwakke positie, omdat diezelfde tegenstanders leven door de techniek en gebruik maken van de techniek, zelfs wanneer ze de techniek bekritiseren.

Verdedigers van techniek wijzen daar dan natuurlijk op: techniek hoort nu eenmaal bij het overleven en functioneren van mensen met mensen. Een ander standpunt van de voorstanders van techniek is, dat techniek als zodanig neutraal is: je kunt de techniek niet verwijten wat mensen er mee doen.

[Belangrijk lijkt me hier de inkadering van techniek in de machts- en economische verhoudingen in de maatschappij. Die bepalen voor het grootste deel het gebruik en misbruik van techniek.]

(148) Sectie 2

In de tweede sectie gaat het over opvattingen die de ambivalentie van de technische vooruitgang benadrukken. VdPot maakt hier een belangrijk onderscheid.

"Der Gedanke der Ambivalenz soll nicht verwechselt werden mit dem Gedanken, dass die Technik ein Mittel sei, das zum 'Guten' wie zum 'Bösen' verwendet werden könne, dass es also vom 'guten' oder 'bösen' Gebrauch der Technik abhänge, ob die Technik günstige oder ungünstige Folgen habe.

Diese letztere, die ethisch-neutrale Auffassung der Technik, behauptet nämlich die 'Unschuld' der Technik: die Technik sei nur ein ethisch-neutrales Mittel, dass an sich keine Folgen habe ... Demgegenüber betont der Gedanke der Ambivalenz, dass der technische Fortschritt sowohl günstige wie ungünstige Folgen hat.

Der Gedanke der Ambivalenz des technischen Fortschritts ist auf verschiedene Weise formuliert worden. In den ersten, einfachsten, Formulierung wird lediglich ausgesagt, dass die günstigen und die ungünstigen Folgen des technischen Fortschritts sich die Waage halten.

Dieser Grundgedanke wird in zwei anderen Formulierungen übernommen, daran aber noch ein weiteres Element hinzugefügt.

Nach der zweite Formulierung verursacht jeder Fortschritt auf der einen Seite einen 'Gewinn', auf der anderen Seite einen 'Verlust', oder anders gesagt: jeder durch einen Fortschritt der Technik erzielte 'Gewinn' wird mit einem 'Verlust' erkauft.

Nach der dritten Formulierung schliesslich nehmen die günstigen und die ungünstigen Folgen des technischen Fortschritts ständig an Bedeutung zu."(148)

Genoemde drie vormen worden vervolgens met lange citaten van allerlei auteurs aan de orde gesteld.

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Eerste hoofdafdeling

De titel van het tweede deel luidt:

Systematisch overzicht van de theorieën over de gevolgen van de technische vooruitgang

De titel van de eerste hoofdafdeling hier is:

De waardering van de technische vooruitgang naar de gevolgen ervan voor de cultuur

(158) Sectie 1

In de eerste sectie komen de positieve waarderingen voor de cultuur in haar geheel aan de orde.

Daarbij moet gedacht worden aan de een wereldwijd civilisatieproces, aan grotere spreiding van kennis en ontwikkeling onder mensen, aan een hogere levensstandaard en minder armoede, aan meer vrije tijd, aan meer aandacht voor kunst, aan minder conservatieve overtuigingen, aan meer mogelijkheden tot communicatie met elkaar. Dit wordt ook gezien als een positieve ontwikkeling van de moraal: de mensen worden er humaner en verantwoorder door.

Je leest die overtuiging in de 19e eeuw in verschillende landen. In Duitsland bv. bij Ernst Kapp bij wie in 1877 voor de eerste keer de uitdrukking 'filosofie van de techniek' voorkomt. Ook de jaren vóór WO I kennen een bloeiende Duitse techniekfilosofie met Joseph Popper, Max Eyth, Ulrich Wendt, Eberhard Zschimmer en met name Friedrich Dessauer.

Het geloof in algemene maatschappelijke vooruitgang door de techniek is groot. Waar één grashalm groeide, groeien er nu twee, waar één schoorsteen rookte, roken er nu 1000, schijft Hugo Münsterberg.

Soms heeft VdPot heel fijntjes een kanttekening bij dit soort uitspraken:

"Dass der Rauch von 1000 Schloten die Welt nicht (nur) besser macht, ist, wie wir sehen werden, erst seit dem Anfang der sechziger Jahre zum allgemeinen Bewusstsein gekommen."(162)

Uiteraard was dat optimisme wat minder groot na de Wereldoorlogen, hoewel verschillende auteurs blijven wijzen op de mogelijkheden die de techniek biedt op genoemde terreinen, zoals Dessauer, Fourastié, Marcuse, A.G.M. van Melsen.

Sommige auteurs zijn zelfs zo positief dat ze algemene vooruitgang en technische vooruitgang direct met elkaar verbinden. Vooruitgang is bv. het vermogen van mensen om energie om te zetten in producten die tegemoet komen aan de behoeften van mensen. De ene cultuur doet dat beter dan de andere, de ene cultuur kent dan ook een grotere vooruitgang dan de andere.

Dit verhaal past natuurlijk bij het zoeken van zo veel mensen naar maatstaven om culturen mee te vergelijken. Een van de maatstaven kan zijn de technische vooruitgang in een cultuur, i.c. de vaardigheid alle energie om te zetten en te gebruiken op een manier die etc. - en dan komen natuurlijk de waardeoordelen, met name de europacentrische waardeoordelen.

Uiteraard komt er een afwijzende reactie op die gedachte dat technische vooruitgang noodzakelijkerwijs algemene culturele vooruitgang met zich mee brengt en daarmee zelfs identiek is. Allereerst is er het argument dat de 'eigenlijke of ware cultuur' (men bedoelt religie, moraal, kunst, wetenschap, recht) onafhankelijk zijn van de technische ontwikkelingen.

Allerlei auteurs hebben kritiek geleverd op het gegeven dat de 'moderne mens' zo veel aandacht heeft voor de producten van de industrie dat men de 'hogere waarden' uit het oog verliest. Baudelaire had het n.a.v. de Wereldtentoonstelling van 1855 al over amerikanisering en over het verwarren van de materiële wereld met de morele wereld. Bernard zegt: het gaat niet om het beheersen van de natuur, maar om het beheersen van jezelf. "Is het vooruitgang", zo schrijft Stanislaw Jerzy Lec, "wanneer een kannibaal met mes en vork eet?"

Het tweede argument komt van de kant van de cultuurrelativisten als Benedict en Herskovits en grijpt natuurlijk aan op mijn opmerking daarnet van europacentrisme. Maar meteen wordt ook gewezen op de beperkingen in dat cultuurrelativisme, waar opvattingen circuleren die sommige volkeren als goedbedoelde, maar desondanks paternalistische ontkenning van hun wensen ervaren om westerse mogelijkheden te kunnen gebruiken.

[Onderschat nooit de 'me too'- reactie van mensen en volkeren. Niemand wil kleingehouden worden, niemand wil dat de eigen dynamiek ontkend wordt, niemand wil de toegang ontzegd worden tot mogelijkheden.]

Het derde argument van veel kanten is dat de technische vooruitgang helemaal nooit gepaard is gegaan met vooruitgang in moraal, filosofie, bestuur, en dergelijke, eerder het tegenovergestelde. Er is dus geen monolithische vooruitgang in de cultuur; er zijn verschillende gebieden in de cultuur met een heel verschillend tempo van ontwikkeling. Die gedachte wordt eigenlijk pas in de 19e eeuw hardop en duidelijk uitgesproken.

Accumulatie van kennis is alleen in wetenschap en techniek mogelijk, aldus velen, en bv. niet op het terrein van moraal, filosofie en politiek. Henry Thomas Buckle: morele ervaring is iets individueels en daarom niet overdraagbaar, cumulatie van kennis is hier onmogelijk, en daarom is er op dat punt geen algemene vooruitgang. Het gevaar van dat soort denken: uitgaan van een onveranderlijke menselijke natuur waardoor je niets hoeft te ondernemen aan verbetering van menselijk gedrag en maatschappelijke omstandigheden, zoals de marxist-leninisten terecht opmerken.

(176) Sectie 2

In de tweede sectie komen de negatieve waarderingen aan de orde. Een aantal auteurs wijst de technische vooruitgang aan als reden voor het verval van aloude tradities.

Technische vooruitgang ontwortelt mensen uit die tradities waardoor ze geen bodem meer hebben om op te staan), ze is de reden voor minachting van vroegere generaties (Mill), ja van de nog levende oudere generatie (idealisering van jonge mensen). Techneuten hebben gewoon geen historisch besef, ze zijn gericht op verandering en niet op behoud.

Maar dat geldt allemaal nog voor de westerse samenleving zelf. De industrialisering heeft als een schok gewerkt voor andere culturen, m.n. voor de derde wereld, omdat hij daar bijna als iets vreemds binnengebracht werd: wetenschap en techniek passen immers wel in de westerse cultuur, maar meestal niet in andere culturen (zoals het begin van het boek uitwerkte).

"Viel tiefer als die Kulturtraditionen des Westens sind bekanntlich diejenigen der Völker der Dritten Welt durch die Industrialisierung erschüttert worden."(180)

Daarvan vele getuigen. En het ergste is nog dat dit technische vooruitgangsgeloof zo diep in de Derde Wereldlanden is doorgedrongen dat men daar die technische vooruitgang zelf ook vaak wil. Cultuurrelativisme in de zin van 'laat elke cultuur zichzelf blijven, laten we niet onze westerse cultuur opleggen aan andere culturen' werd juist daar door velen afgewezen: men wilde gewoon westers worden.

Niet iedereen wilde dat overigens, zie het prachtige voorbeeld op p.183. Ook de ethiek van de ontwikkelingshulp die vanuit deze ervaringen werd ontworpen is interessant. Andere auteurs relativeren overigens die geweldige invloed vanuit het westen.

[Wie in die Derde Wereldlanden willen nu eigenlijk die technische vooruitgang? Zijn dat niet voornamelijk de machtige groepen, de politici en rijken dus, die hun land ideologisch op willen stoten in de vaart der volkeren door bv. voor miljarden wapens te kopen? Hebben Derde Wereldlanden bij wijze van spreken eigenlijk meer aan westerse techniek in huis dan wapentuig?]

Een ander kritiekpunt wordt in §51 geformuleerd. De technische vooruitgang wordt als oorzaak gezien voor toenemend geestelijke uniformiteit en groeiend conformisme. Het verwijzen naar verval van oude tradities en leefwijzen, de vrees voor de reductie van het humane door de techniek gaat hiermee vaak samen.

[Hier is een belangrijk punt of dat wijzen naar de oude tradities en dergelijke gebeurt vanuit een reactionair standpunt of vanuit een werkelijke bezorgdheid voor het menselijke. Bovenstaande standpunten kunnen zowel door zeer conservatieve mensen als door zeer progressieve mensen naar voren worden gebracht.]

[De traditie is niet zonder meer goed, ontworteling is niet zonder meer slecht, niet alles wat de oudere generaties zeggen is per se waardevol, niet alle oude mensen verdienen zonder meer respect.]

[Kernvraag is: wanneer wel en wanneer niet? En dat verwijst naar die zo wezenlijke vraag: aan de hand van welke maatstaven menen we daarover te kunnen oordelen?]

Over individu en massa hebben veel mensen geschreven, de massificatie of nivellering is een veelbesproken onderwerp: Mill, Nietzsche, Ortega y Gasset, Jaspers, Russell schreven er in het algemeen over, later ook Huxley en Orwell, kritiek op de cultuurindustrie en zijn technische massamedia kwam er van Horkheimer en Adorno. Met name vanuit de aristocratie werd bezwaar gemaakt tegen de gelijkschakeling: in een koets reis je alleen of met vertrouwden, in een trein moet je met jan en alleman in een wagon zitten (zie p.187 voor de gevolgen van een treinverbinding).

David Riesman's The lonely crowd van 1950 is een representatief voorbeeld.

"Von allen Klagen über die Folgen der modernen Technik ist diejenige, dass sie zur Uniformierung, zur Vermassung geführt habe, die verbreiteste ... Mit dieser Klage ist oft - wie von Lersch und Freyer - der Gedanke von der Entpersönlichung, von der Reduktion des Humanums verbunden worden ... "(193)

Andere auteurs vinden dat allemaal niet zo simpel liggen, en wijzen op heel andere factoren die massificatie bewerkstelligen dan de techniek.

Het blijkt moeilijk vol te houden dat conformisme een typisch kenmerk is van een geïndustrialiseerde cultuur, want dat verschijnsel komt juist ook sterk voor in traditionele samenlevingen. Hans Zbinden zegt er over:

"Eine realistische Betrachtung zeigt, dass die Menschen zu allen Zeiten für kollektive uniforme Wertungen und schematische Urteile anfällig waren, und dass ein selbständiges, kritisch prüfendes Verhalten jederzeit zu den Ausnahmen zählte. Geändert haben sich nur die Formen und Wege, in denen sich diese Neigungen entwickelten."(195)

Het is net zo goed verdedigbaar dat de huidige samenleving de mensen meer individuele mogelijkheden geeft om kritisch en zelfstandig en non-conformistisch te zijn.

[Dit hele discussiepunt is inderdaad niet zo eenvoudig. Wat ik hier mis is een verwijzing naar de vraag: Wat betekenen 'massificatie' en 'conformisme' precies? Wanneer is daarvan sprake? Zoals de begrippen door veel auteurs neergezet worden kun je er inderdaad alle kanten mee op.]

§52 gaat nadrukkelijk over de technische vooruitgang als oorzaak van geestelijke armoede, ontmenselijking, depersonalisatie, functionalisering, verzakelijking, verdinglijking, vervreemding - of hoe men het ook noemt - van mensen. Men spreekt daar van

"einer einseitigen Verstärkung des Rationalen, einer Auskältung des Gefühls, einem Schwund der Kreativität, einer rein sachlich orientierten Lebenshaltung."(198)

[Op de achtergrond dus als maatstaf een beeld van hoe mensen eigenlijk zouden kunnen of moeten zijn op basis waarvan wordt vastgesteld welke 'typisch menselijke kenmerken' door de ontwikkeling van de techniek verloren dreigen te gaan. Zoals het voorgaande heeft ook deze benadering alles met waarden en normen te maken.]

Marx al wijst op het geestdodende, monotone en afstompende karakter van veel industriële arbeid door de vergaande werkverdeling en het lopende-band-werk. Het roept ook een beeld van de mens als een machine onder de machines op (Heinrich Heine). Volgt op p.197-209 een lange reeks citaten van alle mogelijke auteurs die zich in genoemde termen uitgelaten hebben. Interessant: Henry Steel Commager, Lewis Mumford, Jacques Ellul, Herbert Marcuse.

Maar uiteraard - zie p.210-211 - ontbrak het ook niet aan bezwaren tegen dit soort standpunten, bijvoorbeeld van auteurs die er op wezen dat de ontwikkeling van de techniek de mensen steeds meer kansen biedt om zijn of haar mogelijkheden te ontplooien. Het is niet alleen maar kommer en kwel.

[Omdat de standpunten gebonden zijn aan waarden en normen, speelt ook hier weer de vraag hoe reactionair die kritiek is op de techniek en op de industrialisering.]

[Van een aantal reacties is bijvoorbeeld opvallend dat ze sentimenteel zijn en uit de pen vloeien van mensen die nog nooit genoodzaakt waren om in een fabriek te werken. Het is wel erg gemakkelijk om te zeuren over het verlies van de ziel wanneer het alleen anderen betreft die minder fortuinlijk zijn dan jij. Paternalisme komt vaak voor, zeker bij theologen en bepaalde literatoren.]

[En dan is het dus niet anders dan vroeger: weerzin tegenover de wereld van de arbeid, het werk graag aan anderen over laten (er wordt bijvoorbeeld weinig solidair geschreven door deze auteurs), niets doen tegen de uitbuiting die je om je heen ziet omdat je zelf tot de bevoorrechte laag van de bevolking hoort.]

Daarnaast zijn er ook auteurs die wetenschappelijk en heel analytisch te werk gaan en een probleem aan de orde stellen waarvoor misschien een oplossing kan komen. Daar zie je vaak een analyse van nadelen én voordelen van de ontwikkelingen.

Het heeft immers weinig zin alleen maar te klagen over dat het vroeger beter was.

In §53 een andere kant van de medaille.

"Mit der Auffassung, dass der technische Fortschritt eine geistige Verarmung zur Folge habe, berührt sich die These, dass er zu einer Abwertung der geistigen Werte (des Heiligen, des Guten, des Schönen) führe.

Während in jener Auffassung aber der Blick auf das menschliche Subjekt gerichtet wird, handelt es sich in dieser These um das verringerte Interesse dieses Subjekts für die ihm übergeordneten geistigen Werte.

Der Mensch, so wird hier gesagt, wird durch die ihm zur Verfügung stehenden, ständig anwachsenden technischen Mittel und die damit verfertigten Produkte so sehr in Anspruch genommen, dass sein Blick dadurch immer mehr von den höchsten Werten abgelenkt wird. Der technische Fortschritt sei Ursache, dass die höchsten Werte immer mehr in den Hintergrund treten und eine oberflächliche, materialistische oder nihilistische Geisteshaltung die Oberhand gewinne."(212)

Daarvan op p.212-220 ook weer vele voorbeelden. Thomas Carlyle, Henry David Thoreau, Max Weber, Max Scheler, Lewis Mumford, Christopher Dawson, Ernst F Schumacher zijn interessant. De schuld wordt overigens niet altijd zo zeer bij de techniek gelegd als wel bij het technicisme.

De benadering die in deze paragraaf beschreven wordt - kritiek op het materialisme dat allerlei andere menselijke mogelijkheden verwaarloost - kreeg in de 70er jaren van de 20ste eeuw een extra dimensie met de verschuiving van de aandacht naar het probleem van overleven (Club van Rome enz.)

In §54 weer een andere benadering.

"Dass die moderne Technik einen ungünstigen Einfluss auf die anderen Kulturgebiete ausübt, ist auch die Meinung einiger Autoren, nach denen dieser ungünstige Einfluss darin besteht, dass die anderen Kulturgebiete immer mehr von technischem Geiste durchdränkt, auf technische Weise betrieben werden, dass technische Denkstrukturen ihren Einzug in sie halten und sie dadurch almählich ihren eigenen Gehalt, ihre Substanz verlieren."(220)

Het mechanische denken wordt doorgetrokken naar het onderwijs, naar het samenwerken, naar kunst en wetenschap, zelfs naar religie en - volgens een voetnoot - naar seks. Zie de citaten op p.220-223. Hier namen als Jacob Burckhardt, Walther Rathenau, Johan Huizinga, Gabriel Marcel, Karl Jaspers, Arnold Gehlen, Hans Freyer.

Het stuk over technische denkmethoden en denkstructuren op p.223-227 is heel interessant. Kernidee: er is geen doel meer waarvoor men met middelen bezig is, men varieert op alle mogelijke wijzen met middelen zonder een doel te hebben, in de hoop dat er iets uit voortkomt wat interessant is of anderszins zijn voordelen heeft (geld!). Het geldt zowel voor abstracte kunst als voor de twaalftoonstechniek van Schönberg als voor architectuur als voor de manier waarop wetenschappers allerlei hypothesen opstellen en toetsen als voor de technische filosofie van analytische en positivistische richting.

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Tweede hoofdafdeling

De titel van de tweede hoofdafdeling luidt:

De opvattingen over de esthetische gevolgen van de technische vooruitgang

De eerste sectie (p.227-237) betreft klachten over het verloren gaan van de rust in en de schoonheid van het landschap, over de vernietiging van de natuur om geldelijk gewin, enz.. Dit soort klachten zijn er natuurlijk nog. Maar het gaat nu niet meer alleen over de aantasting van landschap en natuur door industrieterreinen (§56) of spoorwegen (§57), luchtvaart (§58), of gemotoriseerd verkeer (§59), maar over fundamentele milieuproblemen.

De tweede sectie (p.237-243) betreft de discussie over of technische bouwwerken mooi kunnen zijn. Uiteraard waren er voor- en tegenstanders.

De derde sectie (p.243-248) betreft opvattingen over de invloed van moderne techniek op de kunst.

En de vierde sectie (p.248-254) haalt auteurs aan die lofzangen zingen op technische artefacten.

[Het merendeel van deze paragrafen neem ik voor kennisgeving aan. Natuurlijk zijn er mensen die vinden dat industrieterreinen, spoor- en verkeerswegen het landschap aantasten, terwijl andere mensen het allemaal prachtig vinden. Natuurlijk zijn er mensen die vinden dat machines noch de producten van machines ooit mooi kunnen zijn of iets moois kunnen voortbrengen, terwijl anderen geen genoeg krijgen van de mathematische vormen van de Eifeltoren en de industrieel vormgegeven producten.]

[Het is niet zo zinvol, vind ik, om al die auteurs op al dit punten uitvoerig te citeren, wanneer de fundamentele problemen blijven liggen.]

[Het eerste wezenlijke probleem heeft te maken met de vraag waarom verschillende mensen hier verschillende waarderingen hebben. Je kunt bijvoorbeeld zien dat sommigen al het technische positief waarderen omdat ze er belang bij hebben dat te doen, bijv. omdat ze ingenieur bij de Spoorwegen zijn. Terwijl anderen er belang bij hebben om al het technische negatief te waarderen, bijvoorbeeld omdat ze deel uit maken van de culturele bovenlaag en de verkoopcijfers van hun boeken en andere kunstwerken omlaag zien duikelen.]

[Het tweede fundamentele probleem betreft natuurlijk de kwestie hoe je een oordeel zou kunnen uitspreken over die verschillende waarderingen. Allerlei auteurs drukken hun positieve en negatieve gevoelens uit en sommigen zijn daar zeer goed in. Die gevoelens zijn prima, maar dan nog kan de vraag gesteld worden of het via die gevoelens ingenomen standpunt wel zo interessant dan wel verdedigbaar is.]

['Interessant' omdat iemands gevoelens geen enkele verdere invloed hoeven te hebben op de maatschappelijke ontwikkelingen. Zou het bijvoorbeeld niet beter zijn om aan te tonen dat er werkelijk sprake was van de aantasting van het landschap op een onaanvaardbare manier?]

['Verdedigbaar' omdat iemands gevoelens verkeerd kunnen zijn en reactionair.]

[Hoe kom je hier ooit uit? Wat moet je met al die verschillende waarderingen en standpunten?]

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Derde hoofdafdeling

De volledige titel van dit onderdeel luidt:

De opvattingen over de gevolgen van de technische vooruitgang op het gebied van het denken resp. van de wetenschap

"Andere Autoren haben betont, dass die moderne Technik einen ungünstigen Einfluss auf die Fähigkeit zum selbständigen Denken nicht nur des Industriearbeiters, sondern des heutigen Menschen überhaupt habe."(254)

Het gaat dus nadrukkelijk over de zelfstandigheid in het denken die aangetast wordt door het monotone en geestdodende karakter van de industriearbeid, zoals Marx al beklemtoonde. Zie het stuk van Mannheim over substantiële en functionele rationaliteit, dat helemaal in de lijn van Habermas' tegenoverstelling van instrumentele en communicatieve rationaliteit gelezen kan worden. De functionele puur op efficiëntie gerichte rationaliteit tast ook het dragen van verantwoordelijkheid van mensen aan.

Andere auteurs zijn positiever en zeggen juist dat industriearbeid de mensen dwingt tot punctueel en geordend gedrag en denken. Zo Veblen. Of dat mensen door de mechanisering van routinehandelingen de vrijheid verwerven zich op die punten van denken en rationaliteit en verantwoordelijkheid te ontplooien.

[Daarbij wordt voor het gemak vergeten de vraag te stellen, waarom dat 'geordende gedrag' dan zo de voorkeur verdient. De auteurs vergeten hierbij hun eigen normatieve vooronderstellingen te noemen!]

[En die vrijheid die mensen door alle arbeid verwerven, waardoor ze zich kunnen ontwikkelen, blijkt almaar uit te blijven: alle onderzoeken laten zien dat westerse mensen alleen maar meer uren zijn gaan werken en juist steeds meer klagen over het ontbreken van enige ruimte om zich te ontplooien.]

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Vierde hoofdafdeling

De titel van de vierde hoofdafdeling is:

De opvattingen over de zedelijke gevolgen van de technische vooruitgang

Heel wat mensen hebben gewezen op het zedelijk verval door de technische vooruitgang, van geestelijken en theologen, via pedagogen en sociologen, tot filosofen.

Daarbij wordt op verschillende zaken gewezen. Bijvoorbeeld: dat dat voeling met het op het land werken en dus met de natuur verloren gaat. Of dat gezinnen verscheurd raken door dat ze alleen nog in de fabrieken leven en geen gezamenlijk thuis meer hebben. Of dat mensen gedemoraliseerd raken omdat machines belangrijker gevonden worden dan mensen. Of dat de oude solidariteit van de dorpen verdwijnt en plaats maakt voor onrust en hebzucht en afgunst.

Een paar moderne voorbeelden (Max Born, C.P.Snow, Kurt Schilling) op p.264-265. Men wijst op toegenomen materialisme, op individualisering, op maatschappelijk isolement, op toenemende passiviteit, op gebrek aan zelfstandig en kritisch denken. Daarop werd trouwens al eerder gewezen in het boek: de algemene ontworteling.

De andere kant werd overigens ook verdedigd: de moderne techniek zou de mensen vrijmaken door hen te bevrijden van de last van zware arbeid, van armoede ook, zodat ze meer tijd zouden hebben voor hun geestelijke vervolmaking. Maar die naïviteit is na twee wereldoorlogen en zo natuurlijk niet meer vol te houden. In de realiteit is er in ieder geval niets gebleken van de relatie tussen grotere materiële welstand en grotere gevoelens van morele verantwoordelijkheid en humaner gedrag. Integendeel eerder. Als er al sprake is van minder armoede: wanneer je wereldwijd denkt, valt dat nogal tegen. Bovendien is vooruitgang in moreel opzicht erg moeilijk te meten.

[De analyse van samenhangen ontbreekt hier bij allerlei auteurs vaak volkomen. Ook bij VdPot zelf trouwens. Wat wordt bedoeld met 'zedelijk verval'? Wat vervalt er eigenlijk en wat komt er voor in de plaats? Bedoelt men de absolute normen van voorheen?]

[Wat ik ook mis is dat men dat verval aan de techniek toeschrijft zonder te praten over de maatschappelijke verhoudingen waarbinnen die techniek gebruikt wordt. Het is niet noodzakelijk zo dat grote weefmachines in grote fabrieken moeten leiden tot een maatschappelijke onderlaag van proletariërs die van ellende niet weten waar ze het moeten zoeken. Logisch dat je in die sloppenwijken van Manchester verscheurde gezinnen krijgt en drankmisbruik, criminaliteit etc. bij de toenmalige politieke en economische machtsverhoudingen. Dat heeft niet zo zeer met de machines te maken als wel met degenen die eigenaar waren van de machines.]

[Van de andere kant is evenmin duidelijk hoe de relatie precies ligt tussen de ontwikkeling van de techniek en het zo vaak voorkomende destructieve gebruik ervan. Ook hier moet je toch gauw aan politieke en maatschappelijke machtsverhoudingen denken.]

[Ik vrees dat al die aandacht voor de techniek in feite duidelijk maakt dat mensen veel te weinig aandacht hebben (gehad) voor de moraal.]

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Vijfde hoofdafdeling

De titel is hier:

De opvattingen over de gevolgen van de technische ontwikkeling voor het christelijk geloof

De techniek / de machine is de nieuwe aanbeden godheid geworden die de plaats ging innemen van de traditionele goden, zo vonden en vinden veel auteurs. Techniek is 'Ersatzreligion'.

Dat dit nieuwe geloof het oude christelijke geloof moest aantasten is duidelijk, en natuurlijk hebben vele christelijke auteurs daartegen geageerd.

Ook het grote zelfvertrouwen, ja de hybris van de moderne technische mens spoort niet met het pleidooi voor bescheidenheid en nederigheid bij veel christelijke auteurs.

Andere christelijke auteurs - mensen als Bultmann met hun pleidooi voor ontmythologisering - zien desondanks wel mogelijkheden voor deze religie vanuit die technische vooruitgang. De techniek levert bijvoorbeeld nieuwe middelen om de religie te verspreiden.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk