>>>  Laatst gewijzigd: 28 december 2017  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Waarderingen van techniek

Voorkant Van der Pot 'Die Bewertung des technischen Fortschritts' Johan Hendrik Jacob van der POT
Die Bewertung des technischen Fortschritts - eine systematische Übersicht der Theorien
Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1985, twee delen, 1429 bladzijden, zeer uitvoerige literatuurlijst

[Hier het vervolg van de samenvatting van Van der Pot's grote werk. Naarmate ik er verder in kom wordt me steeds duidelijker dat de omvang van het werk vooral voortkomt uit de enorme hoeveelheid lange citaten die VdPot opneemt over alle onderwerpen die hij onderscheidt.]

[Het eerste probleem bij hem is dat die onderscheidingen soms nogal kunstmatig overkomen - zoals je in de samenvatting van de delen hiervoor kunt zien. Er is vaak zo veel overlap dat het boek daardoor ongetwijfeld ook zo omvangrijk is geworden. Dat had een stuk korter gekund.]

[Het tweede probleem is dat VdPot nogal kritiekloos citaten verzamelt, in die zin dat het hem blijkbaar niet uitmaakt of de auteurs filosofen, theologen, romanschrijvers of wat ook zijn. Misschien had hij zich beter kunnen beperken tot filosofische waarderingen van die technische vooruitgang.]

[Het derde probleem met VdPot is daarmee dat hij weliswaar allerlei opvattingen voorschotelt, maar er - althans tot nu toe - weinig analyse op los laat zodat daarmee zijn eigen inzichten uitgewerkt worden. Een stapel citaten geven is één ding, daar een duidelijke conclusie aan verbinden is heel andere koek.]

[Tot slot constateer ik dat deze twee dikke delen niet eens helpen bij het verkrijgen van een historisch overzicht van de filosofie van de techniek, reden waarom ik het boek ben gaan lezen. Geen schema's, geen tabellen, geen korte tijdlijnen en invloedslijnen. Alleen maar heel veel tekst, heel veel citaten. Het maakt me ongeduldig en er zijn andere boeken die liggen te wachten.]

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Zesde hoofdafdeling

De titel van de zesde hoofdafdeling is:

De theorieën over de gevolgen van de technische vooruitgang voor de politieke vrijheid

(303) Sectie 1

In de 19e eeuw werd nog bijzonder positief geoordeeld over de gevolgen van de technische vooruitgang voor de democratie en de rechtstaat.

"Seit den dreissiger Jahren unseres Jahrhunderts hat sich in der westlichen Welt bekanntlich - und leider aus guten Gründen - die Einsicht durchgesetzt, dass eine hochentwickelte Technik die absolute Herrschaft tyrannischer Minderheitsgruppen erleichtert. Im 19.Jahrhundert aber wurde über die Folgen des technischen Fortschritts für die politische Freiheit noch überwiegend optimistisch gedacht: fast allgemein wurde der technische Fortschritt als eine die Freiheit fördernde Macht angesehen."(303)

Dat optimisme blijkt bijvoorbeeld uit de werken van Saint-Simon of Engels. Gewezen werd op de verkeersmiddelen die contact met iedereen mogelijk maakten en op de communicatiemiddelen die de mensen zouden informeren en kritisch maken. Men hoopte op een algehele verlichting van de leefomstandigheden en op de totale democratisering door de industrialisering. Die democratisering is overigens nooit gebleken en empirisch niet houdbaar.

(309) Sectie 2

Dat de democratie door al die technische middelen juist in gevaar zou kunnen komen en tirannieke minderheidsgroepen allerlei kansen zou geven blijkt al uit getuigenissen van de 19e eeuw (Herzen, Baudelaire, Renan omgekeerd).

Maar met name in de 20e eeuw is gewezen op de gevaren van het bezit van technische middelen bij de machthebbers, vooral als dat uitsluitend en geheim bezit zou zijn. VdPot noemt Russel, Mannheim e.a. De totale vernietiging van politieke vrijheid wordt bijv. beschreven in de romans van Huxley en Orwell.

"Wie Jürgen Mittelstrass bemerkt, sind diese beiden Gegenutopien 'gerade deswegen so entmutigend, weil sie zugleich mit dem Triumph der theoretischen Vernunft (in Wissenschaft und Technik) mit einem Versagen der praktischen Vernunft (in Ethik und politische Theorie) rechnen' (1970, 345)."(315)

Skinner schrijft desondanks Walden Two waarin ieder mens bewust geconditioneerd wordt om gelukkig te zijn. Anderen wijzen op de toenemende mogelijkheden voor psychische en biochemische dan wel neurologische manipulatie en voor algemene conditionering via 'brainwashing'.

Een heel ander gevaar betreft de schending van de privésfeer via de elektronische databanken. Informatie kan van belang zijn voor snelle beslissingen maar de elektronische opslag ervan biedt ook gevaren, zoals bijv. Malcolm Warner / Michael Stone in hun boek The data bank society laten zien.

(320) Sectie 3

Nog wat meer over de relatie tussen industrialisering, structuur van de samenleving, en democratie in deze derde sectie.

Het idee dat industrialisering tot meer politieke vrijheid zou voeren is al vroeg betwijfeld. Alexis de Tocqueville (1840) voorspelde het ontstaan van een nieuwe industriële aristocratie die de massa met zachte en toch dwingende hand zou onderwerpen.

Ook Heinrich Heine, Jacob Burckhardt, Marx / Engels en Max Weber hebben gewezen op de noodzakelijke aantasting van de vrijheid van mensen door de bijna militaire organisatie van mensen in een fabriek, op de groei van een dwingende en totalitaire verzorgingsstaat, en op het ontstaan van een streng hiërarchische verhouding tussen een grote massa van domgehouden arbeiders en een via het bezit ontstane aristocratie zowel als een noodzakelijk geworden bureaucratie.

Er is ook gewezen op de relatie tussen de industrialisering en de opkomst van totalitaire dictaturen als die van het fascisme. Anarchistische literatuur heeft daarom altijd bezwaar gemaakt tegen de centraliserende en plannende tendensen van de grootindustrie. Er zijn in die hoek en er buiten dan ook altijd mensen geweest die gepleit hebben voor een kleinschalige techniek en industrie. Mumford bijv. onderscheidt tussen groottechniek en kleintechniek en op één lijn tussen een autoritaire en een democratische techniek. En verder:

"Der Gedanke, dass der Fortschritt der technischen Naturbeherrschung nicht zu der erwarteten Befreiung des Menschen geführt hat, sondern im Gegenteil seine Unterdrückung zur Folge hat, gehört zu den zentralen Themen der Philosophie der Frankfurter Schule."(325)

Genoemd worden Horkheimer / Adorno, die tamelijk pessimistisch zijn. Habermas en Strzelewicz laten de gevaren zien, maar blijven zeggen dat de grootindustrie ook in het voordeel van democratisering kan werken.

Een ander specifiek gevaar wordt in §86 beschreven. Er zijn auteurs als Schelsky die een pleidooi houden voor de vervanging van politieke beslissingen door technische probleemoplossingen: het technocratische model of de theorie van de zaakdwang ('Sachgesetzlichkeit' of 'Sachzwang'). Zoals Schelsky zegt: dat zou een politiek moetn zijn zonder 'normative Willensbildung', een politiek die zich puur laat leiden door de mogelijkheden van de technische middelen, los van normatieve wereld- en mensbeelden, los van welke ideologie dan ook. Ellul zegt iets dergelijks maar hangt er juist een negatieve waardering aan.

Het idee van Schelsky is sterk bekritizeerd. Zo is er vaak niet één technische oplossing, maar is er sprake van meerdere mogelijkheden waaruit gekozen moet worden. En kiezen is waardengebonden. Bovendien kun je als politiek bestuurder vaak al om redenen van budget niet kiezen voor de beste technische oplossing.

Om die redenen kun je niet zeggen dat de ideologie uit de politiek verdwenen is of dat technocratie een reële optie zou zijn, aldus Jürgen Habermas, Günther Ropohl, Hans Lenk e.a. Herbert Marcuse onderscheidt repressief en niet-repressief gebruik van techniek in de huidige samenleving, en denkt wel dat de techniek mensen eendimensioneel maakt.

[Er zit inderdaad veel gebrek aan inzicht in standpunten als die van Schelsky. Ik bedoel: gebrek aan inzicht in het gegeven dat waarden en normen voortdurend een rol spelen en dat er in de politiek niet zo iets is als een puur 'sachlogische selbstevidente' beslissing.]

[Het idee dat managers op veel niveaus de nieuwe bestuurders zijn klopt in de huidige verhoudingen wel, maar het is naïef te denken dat ze er zijn voor het landsbelang, sterker nog: betwijfeld mag worden dat ze handelen in termen van 'Sachnotwendigkeit'. In heel veel gevallen is er alleen maar sprake van eigenbelang en worden beslissingen genomen die helemaal niet gebaseerd zijn op zakelijke analyses of op relevante informatie.]

Vervolgens wordt het idee uitgewerkt dat de eigenlijke feitelijke macht steeds meer in handen komt van experts en techneuten (technocratie in de zin van expertocratie). Jean Meynaud, Hans Lenk worden besproken. De rechtse Amerikaan John Burnham (1945 The Managerial Revolution) wordt bekritiseerd: wat hij stelt is al lang door anderen naar voren gebracht en achterhaald. Burnham is een voorstander van zo'n expertocratie. Anderen als Georges Gurvitch en Ralph Lapp zijn tegen en wijzen op het gevaar dat een publieke discussie onmogelijk wordt als je daarvoor een deskundige moet zijn.

Speciale aandacht voor de ict-experts waarvan gedacht wordt dat ze een steeds groter machtsfactor zullen worden. De Nederlander G. Zoutendijk (1971) waarschuwde daar onder anderen voor. Ook hier zie je weer auteurs die de mogelijkheden van computers - het boek is van 1985, dus de de grote 'klap' moest nog komen - zwaar overschatten en anderen die duidelijk maken dat het niet zo eenvoudig is de menselijke werkelijkheid volledig te analyseren en in computerprogramma's te gieten.

Volgt een excursus over technocratie als bestuursideologie (Saint-Simon, Thorstein Veblen en de ietwat fascistoïde 'technocracy'-beweging met Howard Scott in de periode vanaf 1932 tot aan WOII; Rostow, Kahn, Huntington, Brzezinski) waarbij men de inefficiëntie en de verspilling in het hele economische systeem wil uitschakelen. Wat alle goede bedoelingen ten spijt uiteindelijk toch weer tot elitair denken, een ander soort priesters, een centrale rol van de ingenieurs, dus tot een ander soort dictatuur zou kunnen leiden. De kritiek er op is door met name John McDermott en door Robert Jungk geformuleerd.

[De gedachten er achter zijn wel interessant. Wanneer je vanuit nu kijkt, zie je dat er veel waar is van die verspilling en inefficiëntie. En allerlei andere trekjes van het kapitalisme - zoals het ondeskundige management en de zelfverrijking - zijn ook niet om over naar huis te schrijven. Maar een ingenieur is ook alleen maar deskundig in bepaalde zaken en heeft niet noodzakelijkerwijs een aangename en begripvolle persoonlijkheid of erg veel inzicht in waarden en normen. Democratische controle is altijd nodig en een technische elite onwenselijk.]

De tweede excursus gaat over de vele betekenissen van de uitdrukking 'technocratie'.

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Zevende hoofdafdeling

De titel van de zevende hoofdafdeling is:

De opvattingen over de gevolgen van de technische vooruitgang voor oorlog en vrede

In de 19e eeuw dacht men nog dat de industrialisering uiteindelijk de vrede zou brengen. De 20e eeuw liet zien hoe naïef dat was. Na die ervaringen brengt inmiddels juist iedereen technische ontwikkeling in verband met oorlogsdreiging en wapenwedloop. De verschillende opvattingen worden hier uitgewerkt.

(355) Sectie 1

De industrialisering - zo dacht men aanvankelijk - zou de behoefte van landen om andere landen te veroveren en te plunderen tegengaan door het opheffen van de armoede.

Dit soort ideeën over een tegenstelling tussen industrialisatie en militarisme werden uitgewerkt door mensen als Saint-Simon, August Comte, Herbert Spencer. Maar als er één theorie gefalsifieerd is door de historische ontwikkelingen is het wel deze. Na 1860 vind je dit soort opvattingen dan ook niet meer. De wapenindustrie of oorlogsindustrie bleek juist grote vormen aan te nemen.

(361) Sectie 2

Specifiek menen een aantal auteurs dat nieuwe transportmiddelen en betere verbindingen tot meer contact tussen verschillende landen en volkeren zullen leiden met als gevolg het vreedzame samenleven van die landen en volkeren.

In de 19e eeuw betrof het bijvoorbeeld transportmiddelen als de spoorwegen, stoomboten, en de luchtvaart. En de snellere verbindingen die mogelijk werden met het Panamakanaal en het Suez-kanaal brachten ook veel in beweging. In de 20e eeuw zien we dergelijke verhalen n.a.v. autowegen en ruimtevaart, maar ook n.a.v. nieuwe communicatiemiddelen als computers en computernetwerken.

De gedachte is steeds dat meer contact en uitwisseling tussen (mensen van) landen en volkeren zou leiden tot het doorbreken van nationale vooroordelen, tot meer wederzijds begrip, en daarmee tot het voorkomen van oorlogen en strijd.

Ook dat is naïef gebleken. De mondiale verbroedering en solidariteit kwamen niet tot stand. Nieuwe technische mogelijkheden werden juist ook gebruikt voor militaire doelen.

(371) Sectie 3

Ook de militaire techniek als zodanig ontwikkelde zich in die eeuwen. Daarover eveneens allerlei meningen.

Ook hier weer optimisten die dachten dat de nieuwe militaire technieken minder slachtoffers zouden maken in een oorlogssituatie. Of die hoopten dat militaire middelen steeds minder zouden worden ingezet omdat ze in toenemende mate afschrikwekkend zijn.

Daar tegenover stonden uiteraard altijd weer de pessimisten die juist waarschuwden voor de massavernietigingswapens (ABC-wapens: atomair / bacterieel / chemisch) die ontwikkeld werden en die niet vonden dat het hebben van afschrikwekkende wapens zou betekenen dat ze niet gebruikt zouden worden.

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Achtste hoofdafdeling

De titel van de achtste hoofdafdeling is:

De opvattingen over de gevolgen van de technische vooruitgang voor het geluk van mensen.

(384-402) Geen secties, alleen hoofdstukken

Mensen die geloven in technische vooruitgang, hebben impliciet meestal het idee dat mensen door technische vooruitgang gelukkiger worden. Hoewel er ook realisten zijn die daar zo hun twijfel over hebben. De waarden over wat gelukkig maakt veranderen door de eeuwen heen: nu materiële welvaart, comfort, luxe mogelijk worden, worden ze gezien als essentieel voor het geluk van mensen.

Logischerwijs zijn er ook mensen die menen dat de technische vooruitgang bepaalde waarden juist aantast en die menen dat de toenemende wetenschappelijke en technische innovatie en het toenemende materialisme mensen uiteindelijk helemaal niet gelukkiger maakt. Dergelijke standpunten kunnen voortkomen uit conservatieve en reactionaire gevoelens, maar ook uit werkelijk menslievende overwegingen.

[Tja, het is natuurlijk maar wat je 'geluk' noemt. VdPot strooit weer pagina's lang met citaten. Interessant is de discussie tussen Alexander Rüstow - Ortsbestimmung der Gegenwart (1957) - en Friedrich Dessauer (1958). Daarin zit de kern van de kwestie in hoeverre techniek en verbetering van materiële leefomstandigheden met elkaar samenhangen en hoe objectief je vooruitgang en 'meer geluk' eigenlijk kunt vaststellen. Noch het idealiseren, noch het demoniseren van het verleden heeft veel zin. We hebben nu eenmaal geen sociaalwetenschappelijke onderzoeken uit die eeuwen om vast te stellen hoe de mensen van toen hun situatie ervaarden. Maar ook het idealiseren of demoniseren van het heden heeft geen zin. Wat is vooruitgang? Dat mensen te eten hebben is vooruitgang, dat mensen te veel te eten hebben en last krijgen van welvaartsziekten niet. Waar let je op?]

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Negende hoofdafdeling

De titel van de negende hoofdafdeling is:

De opvattingen over de gevolgen van de technische vooruitgang voor de gezondheid en het lichamelijk welbevinden.

(403-423) Geen secties, alleen hoofdstukken

Fabrieksarbeid, met name kinderarbeid, leidden al vroeg tot allerlei onderzoeken naar de invloed van de industriële productie op de gezondheid van arbeiders. Eindeloze protesten hebben er door de eeuwen heen toe geleid dat de arbeidsomstandigheden verbeterden.

Meer algemeen wordt door auteurs naar voren gebracht dat mensen door al het werk aan machines slapper worden en hun lichamelijke vaardigheden verliezen wanneer je vergelijkt met de mensen van vroeger die nog direct met de natuur te maken hadden. Daarnaast wordt door hen gewezen op het gegeven dat de industrialisering leidt tot welvaartsziekten, tot vele verkeersdoden, tot door de medische wereld veroorzaakte doden en zieken (iatrogenese - Illich blijft een interessante auteur hier). Uiteraard staan daar de mensen tegenover die benadrukken dat mensen nu juist langer leven en minder hoeven te lijden door de vooruitgang in hygiëne, riolering, de medische wereld. Maar dat de technische ontwikkeling op allerlei manieren - bijvoorbeeld door milieuverontreiniging - een gevaar voor de gezondheid van mensen is gaan vormen valt toch moeilijk te ontkennen.

Het is overigens een misverstand te menen dat klachten over milieuverontreiniging pas iets zijn van de laatste 50 jaar. Al bij de Grieken bestond er ergernis over stank en lawaai en aantasting van het milieu en waren er regels voor de locaties waar bepaalde ambachten uitgeoefend mochten worden.

Uiteraard hebben de industrialisering en de daarmee samenhangende ontwikkeling van vervoer en verkeer de problemen wat betreft de verontreiniging van lucht, water en bodem enorm verergerd. Terwijl ook het toegenomen lawaai en de lichtvervuiling een probleem zijn gaan vormen. De gezondheid van mensen, zelfs van toekomstige generaties van mensen, is in het geding geraakt. Het heeft desondanks lang geduurd voordat wettelijke maatregelen genomen werden.

[Dat laatste wordt hier niet uitgewerkt, maar is juist interessant. Waarom zijn al die negatieve gevolgen - die men al lang had vastgesteld - niet zo spoedig mogelijk wettelijk aangepakt? Omdat de zucht naar geld en macht de machthebbers in de samenleving blind maakte voor de enorme ellende die ze ermee veroorzaakten, omdat tegelijkertijd die ellende vooral het arme niet bevoorrechte deel van de bevolking trof. Er is nooit recht gedaan aan dit deel van de bevolking, de rijken zijn nooit voldoende bestraft voor hun egoïsme. En al leven we nu in andere historische omstandigheden, dit soort machtsverhoudingen bestaan nog steeds. Mensen dragen andere kleren, maar zelfverrijking, egoïsme en machtswellust ten koste van grote groepen andere mensen zijn nog aan de orde van de dag.]

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Tiende hoofdafdeling

De titel van de tiende hoofdafdeling is:

De opvattingen over de gevolgen van de mechanisering van de industriële productie voor de arbeidsvreugde van de industriearbeiders.

(424) Sectie 1

Deze eerste sectie gaat over die auteurs die het geestdodende, afstompende en monotone karakter van de industriële arbeid naar voren halen.

De mechanisering van de industriële productie werd door sommigen weliswaar als een bevrijding van de arbeider gezien, maar al in de 18e eeuw wezen veel auteurs (Ferguson, Herder, Adam Smith) er op dat de arbeider gedwongen werd zich aan de machine aan te passen en dat er dus sprake was van een nieuw soort slavernij. De mens werd volgens velen gedegradeerd tot een verlengstuk van de machine.

Dezdelfde kritiek is te vinden bij auteurs van de 19e eeuw (Hegel, De Tocqueville, Marx en Engels, Proudhon, Emerson, William Morris in zijn utopie) en de 20ste eeuw (Eduard von Mayer, Russell, Frankfurter Schule, Rathenau).

(436) Sectie 2

Deze sectie gaat over het thema vervreemding van de industriearbeider zoals die o.a. door Karl Marx is uitgewerkt.

VdPot neem allerlei auteurs door van het westerse en oosterse marxisme en communisme en eindigt met het noemen van auteurs die vervreemding veel breder zien dan alleen de vervreemding van de industriearbeider.

(443) Sectie 3

Deze sectie betreft de discussie over de monotonie van industriële arbeid. Benadrukt wordt dat industriële arbeid niet samenvalt met werk-aan-de-lopende-band.

Natuurlijk is er een vergaande arbeidsdeling, maar er is heel veel variatie in de invulling ervan en vaak is er juist sprake van het opheffen van eentonig werk door technische vooruitgang (H.Popitz, Hendrik de Man, Tönnies). Er wordt met andere woorden vaak veel te simpel gedacht over arbeid, men is niet echt op de hoogte van hoe het er op de werkvloer aan toe gaat. Modern onderzoek laat zien dat het aantal factoren dat de arbeidvreugde bepaalt groter is dan alleen maar de arbeidsdeling.

(459) Sectie 4

Een specifiek thema is dat van de automatisering die ons - volgens allerlei auteurs - van de 'last van de arbeid' zou bevrijden.

Interessant er aan is dat de automatisering laat zien dat de ontwikkelingen in de industriële arbeid zeker niet alleen tot verdomming van de werkers leiden: automatisering stimuleert scholing, eist kennis van zaken (Dahrendorf, Schelsky, Klages, Gottlieb Traub). Handarbeid wordt hoofdarbeid. Het inkomen van die groep is beter. De gezondheid wordt minder bedreigd.

Maar ook hier staan tegenover de optimisten als Wiener, Dessauer, Marcuse veel critici / pessimisten als Hans Sachsse (1972), Mumford, Georges Friedmann. Het karakter van de arbeid verandert - aldus de critici - misschien, maar allerlei zich herhalende taken en routines zonder enige uitdaging blijven gewoon bestaan, maar nu niet zo zeer op de werkvloer als wel in de bureaucratie van het kantoor.

Daarnaast blijkt het naïef te denken dat de moderne arbeidsdeling en automatisering mensen vrij zouden stellen van werk. Het tegendeel is al heel vaak vastgesteld: mensen werken steeds langer. Sommigen wijzen er dan ook op dat het niet de machines zijn die ons bevrijden: zo lang er geen sprake is van maatschappelijke veranderingen maken machines gewoonweg deel uit van de bestaande machtsverhoudingen waarin van vrijheid of bevrijding geen sprake is en de vervreemding gewoon blijft bestaan.

Tweede hoofddeel / Tweede deel / Elfde hoofdafdeling

De titel hier is

De discussie over de directe economische gevolgen van de industriële revolutie voor de arbeiders.

Men is het er over eens dat de materiële welvaart van de arbeiders ná de Industriële Revolutie groter is dan is er vóór. Vraag is alleen of dat door de Industriële Revolutie van 1760-1840 zelf komt.

(468) Sectie 1

Er bestaan geen meningsverschillen over het gegeven dat de situatie van de arbeiders in de eerste decennia van de Industriële Revolutie rampzalig was.

Veel auteurs - Ricardo, De Tocqueville, onderzoekscommisies, Fourier - reageren geschokt over wat ze in Engeland en in de rest van Europa zagen aan armoede en ellende onder de arbeiders.

[Merkwaardig: VdPot heeft het hier over de eerste decennia van de Industriële revolutie, dat zou dan 1760-80 zijn, terwijl vrijwel al zijn citaten komen uit de eindperiode van die IndRev, namelijk 1820-40. Hij definieert die IndRev immers zelf als lopend van 1760 tot 1840. Vergissing waarschijnlijk.]

Er zijn auteurs die er op wijzen dat die ellende niet voortkomt uit de mechanisering en de inzet van machines.

[Ja, maar dat is natuurlijk maar een deel van het verhaal. Die machines zelf zijn niet echt de oorzaak, maar ze stukslaan - zoals de Luddieten deden - heeft natuurlijk vooral een symbolische betekenis. Die machines werden ingezet in een bepaalde arbeidsorganisatie en binnen bepaalde machtsverhoudingen die alleen in het voordeel werkten van de machtigen en rijken. Die werden steeds machtiger en rijker en interesseerden zich nauwelijks voor de mensen die het eigenlijke werk deden.]

Kritiek op het egoïsme van de bezitters van de productiemiddelen werd door auteurs als Robert Owen, Thomas Carlyle, Proudhon, Etienne Cabet, Marx, Engels gegeven.

Vanuit dat perspectief is meteen duidelijk waarom zo veel socialisten en communisten dat bezit van de productiemiddelen wilden verschuiven van privé-bezit naar staatsbezit of bezit van communes.

(479) Sectie 2

Vrijwel alle geschiedschrijvers tot 1920 - A.Toynbee, P.Mantoux, J.L. en B.Hammond als belangrijkste - zijn het er over eens dat de Industriële Revolutie geleid heeft tot een verslechtering van de levensomstandigheden van de arbeiders.

Na 1920 is meer het standpunt ingenomen dat de ellende van de arbeiders er al was en niet per se door de Industriële Revolutie is toegenomen (J.H.Clapham, T.S.Ashton, F.A.Hayek, I.J.Brugmans bv.).

[Ik vind dit soort analyses toch niet erg zinvol. Het is maar waar je op let. Een toename in BNP of zo maakt de arbeiders niet per se rijker. En ook al werden ze welvarender, dat zegt niet dat het egoïsme van de bezitters minder werd of dat die welvaart er niet veel sneller had kunnen zijn wanneer de productiemiddelen niet in de handen van de welvarende machthebbers waren geweest. VdPot's neiging om eindeloos veel auteurs aan te voeren, leidt niet tot een diepgaande analyse en een helder eigen standpunt. De een zegt dit, de ander dat. Tja, maar wie heeft er gelijk? Opsommingen van meningen helpen niet echt om tot een diepgaande vergelijking te komen of een conclusie te trekken.]

Derde hoofddeel: De zin van de technische vooruitgang

De volledige titel van dit hoofddeel luidt:

De opvattingen over de zin van de technische vooruitgang.

Dit deel omvat de pagina's 484-721.

In dit deel staat de vraag centraal naar wat het uiteindelijke doel is van ons streven naar technische vooruitgang. Die vraag is des te belangrijker sinds techniek alles overheersend is geworden. In de woorden van Kenneth E. Boulding:

"No matter how far we go in technology, all that technology gives us is power; and power withou an objective is meaningless and ultimately self-destructive.() We can grow in knowledge and begin to apply the human mind to the critique of the ends of man and his social systems, just as we can to the improvement of means."(geciteerd op p.484)

De betekenis en het doel van technologie worden beschreven vanuit de volgende vijf perspectieven:

1/ Technische vooruitgang als vervulling van een goddelijk gebod.

2/ Technische vooruitgang als behoud van leven.

3/ Technische vooruitgang als bevrijding van de mens van zware arbeid.

4/ Technische vooruitgang als het mogelijk maken van hogere geestelijke activiteiten van mensen.

5/ Technische vooruitgang als vergroting van menselijke macht.

Technische vooruitgang wordt daarbij vrijwel steeds gezien als een blijvend proces. Hoewel er ook auteurs zijn die menen dat we de grenzen van de mogelijkheden al bereikt hebben.

Die vijf perspectieven en nog een aantal andere worden vervolgens op de bekende manier uitgewerkt in 240 bladzijden.

Vierde hoofddeel: De beheersing van de technische vooruitgang

De volledige titel van dit hoofddeel luidt: De theorieën over de beheersing van de technische vooruitgang.

Dit deel omvat de pagina's 723-1205, dat is de hele tweede band.

Volgt weer een opsomming van alle mogelijke optimistische en pessimistische theorieën. Daarnaast zijn er theorieën die de noodzakelijkheid benadrukken van het beheersen van de technische ontwikkeling, terwijl anderen daar heel fatalistisch over zijn en de techniek als autonoom zien.

Ook worden er allerlei auteurs genoemd die zich uitspreken over de methoden om de techniek te beheersen of over de voorwaarden waaraan de beheersing van de technische ontwikkeling moet voldoen.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk