>>>  Laatst gewijzigd: 9 maart 2020  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Geschiedenis van de Artificiële Intelligentie

Voorkant Wood 'Living Dolls' Gaby WOOD
Living dolls - A magical history of the quest for mechanical life
London: Faber and Faber, 2002; 278 blz.
ISBN: 05 7117 8790

[Dit is meer een verhalend boek, dan een gedegen geschiedenis van automata. Het is ook niet echt sterk. De eerste drie hoofdstukken gaan nog over wat de titel belooft. Maar dat kun je toch onmogelijk volhouden voor hoofdstuk vier (over de inzet van de beginnende film voor het creëren van mechanische illusies over mensen) en hoofdstuk vijf (over een dwergenfamilie die als de 'Dolls Family' optrad. Dat heeft toch weinig meer te maken met dat streven mensen na te maken door middel van apparaten.]

[Ook de analyse is bijzonder slecht uitgewerkt. Imitaties van mensen in mechanische poppen en dergelijke roepen - zo leert haar geschiedenis in de eerste hoofdstukken - gemengde gevoelens op: van een kant fascinatie met de machines, van de andere kant angst en afwijzing en onzekerheid over wat mensen dan tot mensen maakt. Daar lagen kansen voor een mooie uitwerking die ze niet grijpt. Dat is jammer.]

[Maar het is goed gescheven en de historische verhalen en anecdotes zijn best mooi. Het ontbreekt alleen aan diepgang.]

Introduction

Wood vertelt het verhaal van de uitvinders die slimme machines maakten die dierlijke en menselijke handelingen konden nadoen, zoals poppen die konden praten of schrijven of schaken. Fascinatie ging samen met angst. Het boek probeert duidelijk te maken waarom.

"Clearly, there was an anxiety present in the situation - an anxiety that all androids, from the earliest moving doll to the most sophisticated robots, conjure up. Mixed in with the magic and the marvel is a fear: that we can be replicated all too easily, and that we are uncertain now of what it is that makes us human."(xiv)

Ze zal het verhaal vertellen vanaf de achttiende eeuw, hoewel ook in de periode daarvoor al door allerlei mensen gestreefd werd naar het maken van kunstmatige mensen:

"In the eighteenth century, an interest in anatomy, advances in the design of scientific instruments and a fondness for magic tricks meant that automata were thought of as glorious feats of engineering, or philosophical toys."(xvi)

Maar het is een dubbelzinnig iets:

"... the rational scientists who constructed these celebrated objects often harboured ambitions beyond the bounds of reason. (...) Each of these projects blurred the line between man and machine, between the animate and the inanimate. The madness left over from darker times was all the more disturbing for being hidden beneath the mask of enlightenment."(xvi)

De middelen zijn misschien rationeler, de doelen waarvoor die middelen ingezet worden niet per se. Maar er zijn meer dubbelzinnigheden. Een robot kan niet dood gaan, maar is ook niet levend. Met de mechanisering van het werk worden mensen meer tot 'machines' gemaakt en verdwijnen de androïden naar het rijk van de fantasie. Tegelijkertijd is er steeds meer sprake van vrouwelijke robots, waarop hun makers verliefd worden.

Hoe het ook zij: steeds als mensen zich afhankelijk maken van die kunstmatige mensen, loopt het in de verhalen slecht met ze af. In de 18e eeuw werden vaak kinderen als model gebruikt vanwege de filosofie van Rousseau over het onschuldige kind.

"Exactly what, these child-automata may lead us to wonder, is wanted of a machine? Is it supposed to be as close as possible to a human being, or to improve on that, and become superhuman? In the quest for mechanical perfection, does perfection mean infallibility (as in the computer), or innocence (as in the child)? Curiously, contemporary research into artificial intelligence has returned to these issues. While once it was thought that true artificial intelligence entailed an infinite number of calculations (the computer as all-knowing adult), now more attention has been turned towards 'learning machines', robots that start out as infants and pick things up as they go along. The tenets of Rousseau have been resurrected in the technological laboratory."(xix)

Ze weidt nog wat verder uit over de mogelijkheden en onmogelijkheden van automata:

"And yet, while an engineer or a computer scientist might be most interested in what they can do, what the robots cannot do tends towards the philosophical. For example, they have no sense of time. (...) As Brooks put it, they 'live in this weird world - there is no past, everything is the present.'"(xxi)

" Not unlike the eighteenth-century philosophical toy, the robots at MIT are concrete puzzles, dreamed up in order to answer questions about human beings. It is important, Breazeal [Cynthia Breazeal is de ontwerper van Kismet, de robot op MIT die emoties moet kunnen uitdrukken - GdG] says, that they are not human: they are more usefully seen als metaphors. 'If anything,' she explains, 'you come away from a project like this full of awe, because humans are so much complicated.'"

Nog meer bescheidenheid. Over de Turing-test-situaties en hoe die door mensen vaak ervaren worden:

"The anxiety underlying each of these situations is: why would we need a test to tell the difference between ourselves and robots? Are we really so similar?"

Conclusie van dit voorwoord:

" Living dolls deals with what troubles us when we are faced with certain versions of ourselves - bionic men, speaking robots, intelligent machines, or even just a doll that moves. The modern world is so full of artificial creatures that we dare not stop to think what it means to want to make a perfect copy of a human being. But behind each of these inventions is a single notion: that life can be simulated by art or science or magic. And embodied in each invention is a riddle, a fundamental challenge to our perception of what makes us human."

(1) Chapter One: The blood of an android

Vertelt over Descartes en De la Mettrie en hun beeld van de mens als een machine. De automata of androïden passen goed tegen die achtergrond:

"Men understood as machines and machines built to resemble men went hand in hand - it hardly mattered which had come first. Androids were more than mere curiosities: they were the embodiment of a daring idea about the self."(15)

Jacques de Vaucanson was het genie van die periode: zijn automata werden in heel Europa tentoongesteld. De Fluitspeler imiteerde mensen, de Doedelzakspeler verbeterde mensen, heel de discussie was daarmee al aanwezig. Hij ontwierp ook een automatische weefmachine voor zijde waartegen de arbeiders in opstand kwamen.

Daarnaast was er een sterke ontwikkeling op het terrein van anatomische modellen van was (Philippe Curius, Marie Grosholtz, Gaetano Zumbo, Felice Fontana, Anna en Giovanni Manzolini, Marie Catherine Bihéron). Weer later werd rubber geïmporteerd en een gewild product voor het 'aankleden' van automata. Vaucanson maakte daar eveneens gebruik van. Maar hoe meer je een androïde gelijk maakte aan mensen, hoe meer dat soort producten ter discussie gesteld werd, de angst overvleugelde dan de fascinatie.

(55) Chapter Two: An unreasonable game

Dit hoofdstuk gaat over Wolfgang van Kempelen die in 1769 een schaak spelende automaton presenteerde. Mensen waren er zo enthousiast over, dat hij er van schrok: hij haalde de machine weer uit elkaar. Uiteindelijk zette hij 12 jaar later 'De Turk' weer in elkaar.

De automaton ging van de ene naar de andere expositie. Men vroeg zich af hoe het kon dat 'De Turk' altijd won bij het schaken. Ook hier dook weer die angst op: een machine kon toch onmogelijk intelligent zijn. Duidelijkste voorbeeld daarvan een publicatie van Robert Willis.

"Of all those who wrote on the Chess Player, Willis was perhaps the most severe in his insistence that no machine could make decisions governed by reason."(70)

Mensen probeerden te verklaren wat de machine deed, maar niemand wist van de verborgen persoon in het apparaat. Althans niet met zekerheid, het was een goed bewaard geheim. Willis kwam het dichst in de buurt van de feitelijke situatie. Ook Edgar Allan Poe schreef er aan het begin van de 19e eeuw over.

"Poe compared the chess automaton with another contemporary exhibit - Charles Babbage's calculating machine, which had been shown at the Adelaide Gallery in London the previous year."(72)

(105) Chapter Three: Edison's Eve

Over Thomas Edison - de uitvinder van de fonograaf etc. - die rond 1890 een mechanische sprekende pop maakte waarin dat geluidsmechanisme verwerkt zat.

"The dolls did not sell well, and the company [er was een apart bedrijf voor opgericht] finally folded at the end of 1891."(152)

De pop is volkomen in vergetelheid geraakt en er bestaan nog maar een paar exemplaren van.

"What happened to the 100,000 dolls per year? The answer remains a mystery, and, as mysteries do, it has generated a number of rumours. Edison is widely believed to have destroyed his faulty creatures himself. (...) So no one knows what became of these little talking Eves of the future, but they are all gone now - victims, we may presume, of their own imperfection."(154)

(155) Chapter Four: Magical Mysteries, Mechanical Dreams

Over de opkomst van bewegende beelden / film en de inzet ervan voor illusies door Georges Méliès, met name in de jaren 1901-1904, in Parijs.

(203) Chapter Five: The Doll Family

Over een familie van dwergen die vanaf 1922 in New York optrad onder de naam 'The dancing dolls'.

"Instead of wondering if automata were human, people now asked themselves how such purported humans could contain the requisite 'machinery'. When Kempelen toured with his Automaton Chess Player, audiences believed the machine could only work if there was a dwarf hidden inside it. By the time the Doll Family were in their prime, fully visible dwarfs were considered so amazing that people wanted to believe they were machines."(208)

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk