>>>  Laatst gewijzigd: 22 mei 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Inleidingen

Inleidingen: Filosofie als wetenschap?

Er bestaat een soort van haat-liefde-verhouding tussen filosofie en wetenschap. Veel wetenschappers hebben niet veel op met filosofie. En filosofen hebben het daar in het verleden dan ook naar gemaakt. In de 19-eeuwse idealistische filosofie van Schelling, Fichte, en met name Hegel werden allerlei vage speculaties voor wetenschap uitgegeven.

Peter Winch noemt dat de master-scientist conception of philosophy (The idea of a social science and its relation to philosophy, p.7). Door de uitwassen van dat idealisme ontstond eind negentiende, begin twintigste eeuw een sterke tendens bij filosofen en wetenschappers om een dergelijke speculatieve filosofie te verwerpen en te vervangen door wat sommige auteurs verwarrend genoeg een wetenschappelijke filosofie noemden.

Een stukje geschiedenis van de filosofie: Brentano en Husserl

De tweede helft van de negentiende eeuw zag dus het verval van het idealisme. Dat verval leidde van één kant tot een crisis in de hele filosofie, maar leidde van de andere kant tot de opkomst van het positivisme in de lijn van August Comte onder invloed van de successen van de natuurwetenschappen. Frans Brentano — één van Husserl's leermeesters, en wel de meest invloedrijke — is op zijn manier een vertegenwoordiger van deze positivistische tendens. Al vanaf zijn achtentwintigste levensjaar, dus vanaf 1866, zet hij zich in voor een 'wetenschappelijke filosofie' (Theo de Boer De ontwikkelingsgang in het denken van Husserl, p.128 (noot 4), 132-133, 136-137).

In 1874 komt Brentano met een filosofie die hij genetische psychologie noemt en die natuurwetenschappelijk van aard moet zijn. Want:

"die wahre Methode der Philosophie ist keine andere als die der Naturwissenschaften" (Theo de Boer o.c, p.84-6, 134).

Filosofie moet volgens hem descriptieve psychologie worden en een analyse leveren van de grondbegrippen van de a-priorische wetenschappen logica, ethiek en esthetiek. Dit ter voorbereiding van de genetische wetenschappen, dat wil zeggen: de wetenschappen die causaal-verklarende theorieën over verschijnselen opstellen.

Edmund Husserl gaat in dezelfde richting. In 1891 verschijnt zijn Philosophie der Arithmetik: een analyse van de grondbegrippen die binnen de rekenkunde gebruikt worden. Zijn hele leven blijft hij zich bezig houden met de problemen die deze analyse met zich mee bracht. Hij graaft dieper en dieper en stuit uiteindelijk op de vooronderstellingen van en voorwaarden voor alles wat wetenschap wil zijn. Maar wel gaat hij in plaats van de term descriptieve psychologie de term fenomenologie gebruiken. Deze fenomenologie noemt hij de grondwetenschap der filosofie, de voorwaarde voor een 'wetenschappelijke filosofie', de eerste van alle filosofieën (Edmund Husserl Ideen zu einer reinen Phänomenologie und phänomenologischen Philosophie, p.3-8).

Van Husserl mag de filosofie geen wereldbeschouwing blijven, althans: naast de eindige wereldbeschouwelijke filosofietjes moet er een 'wetenschappelijke filosofie' komen die eeuwigheidswaarde heeft (Herbert Spiegelberg The phenomenological movement, p.121). De fenomenologie met zijn strenge vorm van onderzoek naar grondslagen en vooronderstellingen is zo'n 'wetenschappelijke filosofie'.

Grondslagenonderzoek

Het voorgaande betekent dat dát wat Brentano en Husserl onder een 'wetenschappelijke filosofie' verstonden, een vorm is van grondslagenonderzoek, van bijvoorbeeld conceptuele analyse, van kennis- en wetenschapstheorie, van transcendentaal onderzoek. Die manier van filosofie bedrijven begint dus niet pas met het logisch empirisme zoals sommigen van de Wiener Kreis ons willen doen geloven (bijvoorbeeld Moritz Schlick 'The turning point in philosophy' in: A.J.Ayer Logical Positivism). Er zijn filosofen die al op het einde van de negentiende eeuw op dat spoor zaten. Rond 1900 neemt ook Wittgenstein aan die gedachtenvorming deel — waarbij ik Wittgenstein voor die periode zie als transcendentaal filosoof (zie Allan Janik / Stephen Toulmin Wittgenstein's Vienna). George Edward Moore en met name Bertrand Russel (met zijn logisch atomisme) hebben zich rond 1910 ook op genoemd spoor begeven als reactie op het Engelse idealisme van bijvoorbeeld Bradley. En pas rond 1925 komt de Wiener Kreis met het logisch empirisme.

De term 'wetenschappelijke filosofie'

Daar komt dus die term vandaan. Maar ik vind dat er grote bezwaren kleven aan het gebruik van een uitdrukking als 'wetenschappelijke filosofie'. Met zo'n uitdrukking kun je alle kanten uit. Bedoel je een filosofie die pretendeert wetenschappelijke gegevens te kunnen leveren over de empirische werkelijkheid? Of is het een filosofie die methoden hanteert via welke ze tot uitspraken kan komen die als redelijk betrouwbaar worden gezien net als de uitspraken van de wetenschap? Of is het een filosofie die zich richt op de wetenschap, zich met haar grondslagen en methoden bezighoudt? Het is meestal allerminst duidelijk wat de gebruikers van de term er mee op het oog hebben.

De term heeft nog een ander nadeel: hij suggereert dat filosofie op zou gaan in wetenschap, dat er geen onderscheid meer zou bestaan tussen filosofie en wetenschap wat voortdurend verwarring en onenigheid met zich mee brengt bij vertegenwoordigers van de verschillende wetenschapsopvattingen.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk