>>>  Laatst gewijzigd: 26 mei 2019  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Denkwerk

Inleidingen

Inleidingen: Waarmee worstelen filosofen?

We zouden ons eigenlijk bij alle geschiedenis van de filosofie moeten afvragen met welke vragen filosofen worstelden. Nu krijg je meestal een opsomming van antwoorden.

Maar waar zat Immanuel Kant bijvoorbeeld mee, wat zat hem zo dwars dat hij dikke boeken als de Kritik der reinen Vernunft ging schrijven om een antwoord op een aantal vragen te verzinnen? En was hij achteraf tevreden? Vond hij zelf dat hij het antwoord op zijn vragen gevonden had?

Tja, dan moet je een biografie over hem lezen of zo, zou iemand kunnen zeggen, alleen is dát geschiedenis van de filosofie. Kants filosofie staat in zijn boeken, zou die persoon er aan toe kunnen voegen, je hebt alleen de teksten van zo'n filosoof nodig om filosofie te kunnen bedrijven, al die achterliggende kwesties zijn puur persoonlijk, daar heeft niemand iets aan.

Hm, ik weet niet, ik ben het nooit eens geweest met die benadering. Ik vind dat we geen genoegen moeten nemen met een al te simpele scheiding tussen zakelijk en persoonlijk, rationeel en gevoelsmatig, wetenschappelijk-objectief en persoonlijk-subjectief, middelen en doelen, en zo voort. Als je Kant wilt begrijpen moet je meer doen dan zijn boeken lezen, lijkt me, want kun je de betekenis van een belangrijk filosofisch werk vatten zonder de context ervan te kennen?

Het persoonlijke is filosofisch

Ik zelf denk van niet. Ik ben dan ook altijd enorm geïnteresseerd (geweest) in de historische en biografische context van een denker die ik wil leren kennen. Dat levert soms prachtige inzichten op.

Ik noem maar iets. Het is me vaker opgevallen dat veel grote filosofen wegen inslaan die hen buiten de maatschappelijke realiteit voeren in de richting van een niet-realistische dimensie, een niet reëel bestaande werkelijkheid. In principe maakt het niet eens zo veel uit of je die dimensie nu aanduidt met het Rijk der Ideëen, God, het Transcendente, het Absolute, het Zijn, of wat ook. Het doel van dergelijke filosofen is blijkbaar niet meer om de menselijke samenleving menselijker te maken, het doel is blijkbaar alle problemen met de reëel bestaande maatschappelijke werkelijkheid te presenteren als niet-essentieel terwijl tegelijkertijd een pleidooi gehouden wordt voor het overstijgen van die problemen in het belang van een dimensie aan gene zijde van de werkelijkheid.

Ik proefde dat in Plato en Heidegger, ik ontmoette het in Wittgenstein, en merkte het opnieuw in een biografie van Schopenhauer. Het lijkt er werkelijk op dat alle filosofen die een christelijke achtergrond hebben de neiging hebben om in hun filosofie het Transcendente of zoiets belangrijker te vinden dan de maatschappelijke werkelijkheid. Met andere woorden: ze wisselen een persoonlijke god in voor een abstractum dat dezelfde functie en gevoelswaarde voor hen heeft.

Natuurlijk is dit ongenuanceerd en zeker ook niet helemaal rechtvaardig, maar toch ... Ik heb me vaak afgevraagd waar die neiging naar het Transcendente vandaan komt, omdat ik me erger aan filosofie die zich van de maatschappelijke werkelijkheid en haar problemen afwendt. Uiteraard heeft dat laatste met mijn eigen waarden en normen te maken, maar het eerste heeft met de waarden en normen van de betrokken filosofen te maken.

De normatieve basis van de filosofie

Het merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat filosofen als geen ander geschoold zouden kunnen zijn in het onderkennen van waarden en normen bij zichzelf en bij andere mensen, en dat dat geenzins het geval is.

Het heeft me tijdens mijn filosofiestudie verbaasd hoe weinig aandacht er bij academische filosofen is voor de levende concrete vragen van levende individuele mensen. Ze verdiepen zich in de boeken van filosofische auteurs, met af een toe eens een rage als een overdreven aandacht voor Wittgenstein of voor de Franse structuralisten, en laten ook hun studenten al die teksten bestuderen. In veel gevallen worden er gesprekken gevoerd over deze filosofische teksten met hun problemen. En in het gunstigste geval wordt daarbij ook nog vertrokken vanuit een actueel probleem als de rol van de technologie in de samenleving.

Maar ik heb nog nooit meegemaakt dat het ging over de normatieve basis van een filosofie, van een filosoof, van een docent filosofie, of van een student filosofie. Er werd gevraagd: hoe zit deze filosofie (vaak eerder nog: deze filosofische tekst) in elkaar, hoe denkt deze filosoof, welke opvattingen heeft deze medewerker filosofie over die filosoof of filosofische tekst, welke opvattingen heeft deze student filosofie over die filosoof of filosofische tekst. Er werd niet gevraagd: waarom heeft deze filosoof deze filosofie op die manier in elkaar gezet, waarom waarderen de medewerker en de student filosofie de­ze filosofie zus en zo?

Ik bedoel met die vraag niet eens te vragen naar de psychische beweegredenen of de sociale oorzaken, hoewel ik ook dat altijd erg interessant gevonden heb. Ik bedoel met dat waarom te vragen naar de waarden en normen van de filosoof, de docent en de student filosofie, die ten grondslag liggen aan hun interpretaties, keuzes, opvattingen.

Filosofie als een veredeld tekstverklaren

Het is net alsof je daarnaar niet mag vragen. Het zou de schijn kunnen wekken van het verwarren van 'context of discovery' en 'context of justification', van het zoeken naar argumenta ad hominem om de man of vrouw te kunnen raken met voorbijgaan aan zijn of haar filosofische opvattingen. Het is net alsof filosofen zich angstvallig proberen ver te houden van de persoonlijke normatieve basis van waaruit zij filosofie beoefenen, zorgvuldig vermijden om die van welke filosoof dan ook ter sprake te brengen, zodat ze die van zichzelf ook niet ter sprake hoeven te brengen.

Filosofie-studenten gaan daarin mee, of verdwijnen uit de filosofiestudie omdat ze deze te weinig vinden aansluiten bij hun eigen normatieve problemen. Waardoor uiteindelijk alle afgestudeerde filosofen een diploma krijgen voor hun vermogen om hun eigen persoonlijke waarden en normen en die van hun docenten en van beroemde filosofen buiten het gesprek te houden.

Waarom heb ik de academische filosofie als zo bloedeloos ervaren? Omdat de hele persoonlijke normatieve dimensie van de filosofie buiten de deur was gezet. Omdat er alleen nog maar sprake was van het hoofd en niet meer van het hart. Omdat er uitsluitend zeer analytisch gesproken werd over de teksten van de beroemde filosofen of over de argumentaties van de aan de universiteit docerende of studerende filosofen. Nog afgezien van een volstrekt gebrek aan aandacht voor de maatschappelijke en psychische oorzaken van het ontstaan van filosofische kennis, was er met name geen enkele aandacht voor de vraag wat een filosoof nu precies met bepaalde filosofische opvattingen wilde bereiken, met welk doel hij of zij bijvoorbeeld het Transcendente zoveel aandacht gaf ten nadele van de maatschappelijke werkelijkheid, met welk doel hij of zij bezig was de grenzen van het kennen te overdenken.

Vragen naar het doel is vragen naar de waarden en normen van waaruit filosofen hun filosofie bedrijven. Naar mijn gevoel kan dat heel wat inzicht verschaffen in de aard en de opbouw van iemands filosofie en ook in de impliciet of meer expliciet in de filosofische teksten aanwezige waarden en normen. Daarnaast maakt het naar boven halen van de in de filosoof en in de filosofie aanwezige normatieve basis het veel beter mogelijk om een - altijd normatieve - waardering van de filosoof en diens filosofie te geven.

Waarderingen van filosofie en filosofen

Maar: moet dat dan? Is het niet genoeg om precies te begrijpen hoe de opvattingen van een filosoof in elkaar zitten? Is dat - denk aan Heidegger - al niet moeilijk genoeg? Nee, dat is niet genoeg. Het is naar mijn gevoel noodzakelijk om ook te streven naar waarderingen van filosofische theorieën teneinde vast te stellen in hoeverre ze voldoen aan een aantal nader vast te stellen normen voor humaniteit.

Ik realiseer me echt wel hoeveel problemen daaraan vastzitten. Nog afgezien van de vaststelbaarheid van normen voor humane en goede filosofen en filosofische opvattingen, kun je ook nog denken aan vragen als: leveren alleen goede mensen een goede filosofie? moeten slechte filosofen dan maar van de universiteiten en uit de bibliotheken verwijderd worden? krijgen we zo een heksenjacht?

Tegelijkertijd is het merkwaardig om te zien dat de hele academische filosofenwereld in opschudding kan raken van een boek als dat van Farias over Heidegger en het nazisme. Blijkbaar weet men daar nog helemaal niet om te gaan met de relatie tussen de persoon van een denker en zijn of haar filosofie. 'Zijn filosofische opvattingen hebben toch niets te maken met zijn persoonlijke politieke misstappen?' zo zeggen de aanhangers van Heidegger angstig. Alsof het zo simpel kan liggen. 'Iemand die tot dit soort politieke naïeviteit in staat is, is in ieder geval niet in staat om goed filosofie te bedrijven!' zo zeggen de tegenstanders van Heidegger, alsof het zo eenvoudig kan liggen. Het punt is nu net dat het helemaal niet zo simpel ligt, en dat het nog steeds nodig is om dit soort problemen van voren af aan aan te pakken.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Denkwerk