>>>  Laatst gewijzigd: 30 januari 2021  
Ik

Filosofie en de waan van de dag

2020

Nog een gemakzuchtige stelling

(12.01.2020)

In Filosofie Magazine van augustus 2017 schrijft Sjoerd de Jong:

"Reizen is een onmisbaar onderdeel geworden van de moderne persoonlijke identiteit – uiteraard niet als nomade of, nog erger, vluchteling, maar als wereldburger, met op zak een afgeprijsd exemplaar van 1001 Places to Visit before You Die. Het ergste aan de dood is immers: niet meer kunnen reizen, geen ervaringen meer kunnen opdoen."(44)

De eerste zin is niet meer dan een vaag waardeoordeel. Wat is dat, 'de moderne persoonlijke identiteit'? en hoezo 'onmisbaar'? Hier wordt enorm gegeneraliseerd over mensen. Geldt dit ook voor de vrouwen en mannen die in de 'sweatshops' van allerlei Aziatische landen werken, om maar eens een voorbeeld te noemen? Hebben die ook allemaal het gevoel dat ze lange reizen moeten maken? Natuurlijk niet, wat een onzinnig standpunt. Ook de laatste zin is volkomen belachelijk. Alsof er niet méér manieren zijn om ervaringen op te doen dan reizen, alsof niet meer kunnen reizen het ergste is dat je zou kunnen overkomen. Alsof iedereen op zijn sterfbed zou uitroepen dat hij of zij het reizen zo zal missen ... Werkelijk ... Laat ik ook eens een waardeoordeel neerknallen: reizen is helemaal niet onmisbaar en het zou in allerlei opzichten beter zijn als mensen niet zouden reizen.

Ger Groot's kritiek op een al te simpel relativisme

(10.01.2020)

Bij het doorlezen van oude afleveringen van Filosofie Magazine kwam ik een prachtige column van Ger Groot tegen [FM 1992, nr. 3, p.9)

Een vrouwelijke student bepleit iets bij hem over zijn lesinhoud, waarmee hij het niet eens is. De bezwaren die hij voelt vat hij werkelijk prachtig samen en vormen als zodanig een mooie compacte kritiek op het moderne luie waardenrelativisme waarbij iedereen op zijn eigen eilandje, in zijn eigen 'bubble', neigt te blijven zitten en geen enkele moeite meer doet om te begrijpen wat anders is.

"Bezwerende uitleg mocht niet baten: Wittgenstein was ongepast, en dat ik dat niet snapte verwonderde haar niet. Ik was een man, zij een vrouw, en werkelijk begrijpen zouden we elkaar nu eenmaal nooit.

Het was een argument waar ik niet van terug had en dat in de daaropvol­gende twintig jaar grote populariteit zou krijgen. Niet alleen de geslachte­lijke barrière, ook de kloof tussen rassen, godsdiensten, naties en klassen verdiepte zich tot een absolute scheiding. Dat was niet voor het eerst in de geschiedenis, maar nieuw was dat die geluiden nu klonken uit vooruitstre­vende hoek.

De erkenning dat iedere groep mensen steeds op een verschillende manier 'anders' is, mondde uit in een vreemd soort particularisme. Alleen zwarten wisten wat het was om zwart te zijn; alleen homo's hadden over homosexualiteit iets verstandigs te zeggen, en het arbeidersbestaan was alleen voor proletariërs doorgrondelijk. Naast deze linkse exclusiviteit werd de rechtse variant - je moest ergens geweest zijn om er over te oordelen - nauwelijks ge­waardeerd, al berustte ze op dezelfde gedachtengang.

Erg consequent heeft deze ophemeling van het verschil dan ook nooit kun­nen zijn, al verhindert dat de diverse belangengroepen nog altijd niet haar bij gelegenheid militant uit te spelen. Al in de jaren zeventig moesten arbeideristische studenten met de nodige trucs hun eigen burgerklasse verloochenen om zich als 'hoofdarbeider' te kunnen scharen onder de massa's, of liever nog aan het hoofd ervan.

Het grootste ongemak dreigde echter van binnenuit. Want waar de verschil­len van een groep ten opzichte van de rest van de mensheid zo absoluut wer­den uitgemeten, bleef voor de interne verschillen van diezelfde groep weinig ruimte over. (...)

Ongetwijfeld komen deze denkbeelden voort uit een goed bedoelde zorg dat­gene wat 'anders' is niet onder de voet te lopen. Maar daartoe zoekt deze zorg maar al te gemakkelijk steun bij de misvatting dat we alleen kunnen begrijpen wat aan ons gelijk is. Aan het slot van het liedje blijkt dan 'alle' begrip en communicatie onmogelijk te worden, ieder mens een mechanische functie te zijn van zijn eigen, particuliere wereld, en eerbied voor de vrijheid van de ander uit te monden in een loochening van de vrijheid van ieder af­zonderlijk.

Ironisch genoeg blijken daarmee juist de denkbeelden - het erfgoed van de beweging van mei 1968 - geen plaats te kunnen inruimen voor de verbeeldingskracht. Want hoezeer ieder de wereld ook op zijn eigen manier beleeft, meestal weten we ons, dankzij diezelfde verbeeldingskracht, een heel behoorlijk idee te vormen van wat er in anderen omgaat. Wellicht is het vermogen ons te kunnen begeven in een wereld die niet de onze is zelfs een belangrijke voorwaarde voor onze vrijheid, en tegelijk een van de voornaamste vormen ervan." [mijn nadruk]

Gemakzuchtige stelling

(10.01.2020)

"Als het leven hard is, is het niet vreemd dat veel mensen uitkijken naar de verlossing in een volgend leven."

Aldus Julian Baggini in het tijdschrift Filosofie Magazine van augustus 2019 op p49.

Dit is nu zo'n stelling die ik heel aanvechtbaar vind. Dus: als mensen armoede en ellende ervaren neigen ze er toe te geloven in een leven na de dood, in een hemel, in een god? Waarom? Waarom dromen ze er niet gewoon van om de Staatsloterij te winnen of zoiets, in ieder geval van iets waar ze nu, tijdens hun leven, plezier van kunnen hebben?