>>>  Laatst gewijzigd: 7 oktober 2017  
Ik

Woorden en Beelden

Filosofie en de waan van de dag

Start Glossen Weblog Boeken Onderzoek

Losse notities over Nietsche

Nietzsches vroege werk

Nietzsche over Schopenhauer

Nietzsche als levensfilosoof

Nietzsches 'Filosofie van de toekomst'

Nietzsche over het nihilisme

Nietzsche als zenmeester

Losse notities over Nietsche

De laatste jaren van mijn filosofiestudie heb ik het werk van Nietzsche van voor tot achter doorgelezen, geannoteerd, besproken, en zo verder.

Onderstaande notities zijn gemaakt in de periode dat ik met deze filosoof bezig was. Er zitten soms heel goede inzichten in deze notities en het is jammer dat ik er indertijd niet meer mee heb kunnen doen dan ik gedaan heb.

28 november 1978

De journalistiek van Nietzsches tijd moet nogal een ramp geweest zijn, getuige opmerkingen van de Wagners, Carl von Gersdorff, Erwin Rohde, Nietzsche zelf.

Het verloven en huwen toendertijd - althans in de hogere kringen - vormde een heel instituut. Veel familie-, klasse- en vermogenskwesties. Het ging om het vinden van een 'goede partij', iemand van goede komaf, van goede naam, van vermogen. Een verloving betekende daarom iets: je kon hem niet zomaar verbreken zonder dat het je een proces, geld en een goede naam zou kosten. Zie Carl von Gersdorff en de Nerina F.-affaire. Verloven = trouwen. De keus is dan al gemaakt, met beperkte rechten (geen seks) en veel plichten (vooral voor mannen).

De beroering om Nietzsches Die Geburt der Tragödie in de filologenwereld is echt (zoals ook Zöllner met zijn Natur der Kometen van 1872 een schandaal verwekte). Blijkbaar waren er in de academische wereld ongeschreven regels waarvan je niet mocht afwijken. Deed je dat wel, dan was scherpe polemiek en verbanning uit het gilde je deel. Of - erger nog - je werd volkomen doodgezwegen. Nietzsche en Erwin Rohde staan op een gegeven moment alleen, omdat ze niet meegaan in het idealiseren van de Griekse oudheid en tegenover dat idee van de Griekse vrolijkheid een veel genuanceerder beeld willen schetsen. Het enthousiasme voor hun werk komt van de kant van musici, niet van die in en in fatsoenlijke filologen. Carl von Gersdorff bepleiter van de 'Wagnerkant' van Nietzsche, Erwin Rohde bepleiter van de 'filologiekant'.

De 5 Vorträge van Nietzsche zijn negatief. Ze bereiden voor op hoe het wél moet. Maar daar breekt Nietzsche de Vorträge juist af. Dus blijft de negativiteit in de lucht hangen en krijgen we geen idee van hoe hij het wel wil.

29 november 1978

Dat de muziek het meest treffende beeld van de wereld geeft, kan Nietzsche gemakkelijk stellen. Hij zal er door zijn muziekvrienden niet op zijn aangevallen. En hij kende geen beeldende kunstenaars (alleen Rau en Otto via Carl von Gersdorff) en alleen muziektheaters.

Leeftijdverschillen speelden in de hogere standen in de 19e eeuw een grote rol. Je kon er tegenover iemand status en overtuigingskracht aan ontlenen.

Mij valt steeds weer op hoe men elkaar in die hogere kringen bovenmatig het positieve voorhoudt en negatieve kritiek meestal voor zichzelf houdt. Het 'mooi weer spelen' is zeer algemeen aanwezig.

Ook opvallend: de gevoeligheid resp. de sentimentaliteit. Men breekt vaak in tranen uit bij het lezen van gedichten, bij bepaalde passages in brieven, bij muziek. Men vóelt nog bij kunst en dergelijke. Zijn wij zo nuchter geworden? Of overdreven zij?

Je kunt je afvragen of Nietzsche niet te veel 'Verneinung des Willens zum Leben' van Schopenhauer gegeten heeft.

Het leven zien als lijden, ontberen, opofferen, omdat je niet de moed hebt om regels en conventies te doorbreken. Cf. Olga Herzen aan Malwida van Meysenbug (Briefe II4, 238). En dat in de hogere rijkere standen!

In die gegoede kringen bezocht men elkaar eindeloos vaak (bals, etentjes, koffie- en theevisites; 's middags, 's avonds), want werken deden anderen. Omgangsvormen waren vergaand uitgewerkt. Niet zo gek dat Nietzsche de eenzaamheid opzocht om te kunnen denken en schrijven.

30 november 1978

Het is eigenlijk altijd hetzelfde: Deussen noch Romundt krijgen een hoogleraarstoel, omdat ze Schopenhaueriaan zijn. Altijd bepalen waardenoordelen de benoemingen in plaats van deskundigheid. Vergelijk wat Schopenhauer en Nietzsche over professoren in de filosofie te zeggen hebben.

Eduard von Hartmann ligt slecht in Nietzsches kringen: hij misbruikt voor hun gevoel Schopenhauer.

Nietzsche schrijft in een tijd dat de 'Zertrümmerung der Religion' tot stand komt door de economische en historische en de natuurwetenschappen.

23 december 1978

Thema's rondom Nietzsche:

27 december 1978

Fritz Mauthner's Beiträge zu einer Kritik der Sprache werd gelezen door Joyce en Beckett. Mauthner illustreert voor hen het tekort van de taal als medium voor communicatie van metafysische waarheden (cf. M.Esslin Theatre of the absurd, p.34; Janik/Toulmin Wittgenstein's Vienna; R.Ellman James Joyce, p.662)

Het lijkt er op dat veel existentialisten de illusies die mensen aannemen om een leefbaar leven te hebben, afwijzen als 'bad faith', oneigenlijk, etc. Terwijl Nietzsche ze presenteert als noodzakelijk en juist (zo lang je ze als illusies blijft zien tenminste). Is er op dit punt dus een duidelijke tegenstelling tussen Nietzsche en de existentiefilosofen?

5 februari 1979

De geschiedenisopvatting van het christendom, Hegel, Marx e.d. die positief en optimistisch is tegenover die van Burckhardt, Nietzsche die er van uitgaan dat het kwade er altijd zal zijn en dat van vooruitgang geen sprake is.

Interessant onderwerp is dat: de geschiedenisopvattingen in de 19e eeuw. Ik heb altijd al theorie van de geschiedenis willen bedrijven, omdat opvattingen over geschiedenis, mensbeelden, maatschappijopvattingen, en wat men de zin van het leven noemt, zo intens samenhangen.

Ander onderwerp: quietistische tegenover activistische opvattingen wat betreft maatschappelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld Schopenhauer, Burckhardt tegenover Nietzsche). Ook weer verbonden met het pessimisme en utopie.

26 mei 1979

Het zou wel eens zo kunnen zijn dat de auteurs tot nu toe hun studies eenzijdig richtten op óf het pessimisme, tragische, etc. óf op het utopische etc. Terwijl ik ze in hun samenhang zou willen behandelen: pessimisme omdat je heel utopisch denkt en schipbreuk lijdt aan de realiteit; en toch weer utopisch denken omdat je niet in dat pessimisme kunt blijven hangen. Een fanatiek nagejaagde utopie zowel als een voortdurende wanhoop en nihilisme zijn allebei gevaarlijk.

25 juli 1979

Thema's:

Socrates leefde ten tijde van Athene's bloei en ondergang. Plato en Aristoteles ten tijde van de ondergang van een Griekse cultuur. Heeft Nietzsche gelijk dat Socrates en zijn navolgers een symptoom van verval zijn?! Socrates, dat is 469-399 en Plato dat is 427-347. De vijfde eeuw is na de Perzische oorlogen de gouden eeuw. Daarin tref je de tragediedichters aan. En de Sofisten met hun relativisme / indifferentisme / agnosticisme / nihilisme op grond van het echèc van de vroegere filosofie om een rationele verklaring te geven voor de verschijnselen. Daarmee raakten de grondslagen, de vanzelfsprekendheden, de zekerheden aan het wankelen. De mens als middelpunt. Ondergang met de Pelopponesische oorlogen in de laatste 30 jaar van de vijfde eeuw.

Overeenkomsten tussen Plato en Nietzsche: het niet-systematische van de geschriften; het speelse; allebei zijn het goede stilisten; bij beiden staan maatstaven, waarden en normen erg centraal.

26 juli 1979

Vooronderstellingen bij Menschliches, Allzumenschliches (-109):

Intussen neemt hij wel een bepaalde historische ontwikkeling aan, nl. van metafysisch / mythisch naar wetenschappelijk. Waarbij wetenschap met name dat wordende doorziet en ook het causale. Natuurlijk heeft Nietzsche het helemaal fout ;-).

9 augustus 1979

10 augustus 1979

Wat zegt Die Fröhliche Wissenschaft (276) eigenlijk?

Nietzsche wil het noodzakelijke van alles aanvaarden. De dingen gaan zoals ze moeten gaan. Er is mooiheid en lelijkheid, vreugde en pijn, en het hoort er allemaal noodzakelijk bij. Amor fati, ik houd van het noodlot, zegt Nietzsche. Hij wil niets aanklagen: alles is gerechtvaardigd, alleen al omdat het er is.

Maar dan is ook het aanklagen per definitie mogelijk, er is dan niets tegen aanklagen, tegen pijn willen vermijden, lelijkheid uit de weg willen gaan. Want ook de aanklacht en het verzet zijn er. Wat er ook gebeurt, het is altijd noodzakelijk, omdát het gebeurt. Het noodlot wil dat er mensen zijn die zich tegen het noodlot verzetten.

Als alles wat mensen doen zonder meer noodzakelijk is en dus alles gewoon moet gebeuren en je er dus geen afwijzend oordeel over mag hebben, wat zeg je dan? Eigenlijk helemaal niets. Iedereen kan gewoon doorgaan met te doen wat hij al lang deed, sommigen voelen zich door allerlei oorzaken verantwoordelijk, anderen niet, maar niemand heeft gelijk, omdat alles moet zijn zoals het is. Een zinloos standpunt.

13 augustus 1979

Gedachten naar aanleiding van Nietzsches 'ewige Wiederkehr des Gleichen'.

De enige manier om aan elke vorm van kringloop en terugkeer en samsara en zo meer te ontsnappen is: in het moment leven, los van elke herinnering en fantasie, zodat je noch door je verleden noch door de toekomst gegrepen kunt worden. Als je naar een boom kijkt, zie je alleen die boom, je hebt verder geen associaties, geen bijgedachten, geen hersenspinsels, geen geheugenwerk, je hebt alleen maar een leegte die volloopt met de gewaarwordingen van het kijken naar die boom.

Dingen keren voortdurend terug. Ik heb het me zojuist gerealiseerd. Wanneer ik zo rondwandel en me allerlei herinneringen te binnen schieten, beleef ik weer alle pijn van vroeger. Er is zo veel pijn, en ons geheugen verdoemt ons tot het steeds weer beleven van wat eens gebeurd is. Alles komt terug, steeds opnieuw, alle vreugde en alle pijn. Door allerlei invloeden krijgen we steeds weer associaties met het verleden. Het moet geweldig zijn om nog maar weinig verleden te hebben, om een leeg geheugen te hebben. Dat maakt het zo veel gemakkelijker om de moed er in te houden. Je hele leven je groeiende verleden meeslepen, dat is inderdaad een 'harde gedachte' voor mensen. Niemand heeft alleen maar een leven van rozegeur en maneschijn gehad. Maar misschien is zelfs de herinnering daaraan wel walgelijk.

Wie weet is dit wel de juiste interpretatie van Nietzsches EWdG - al heeft hij dat thema ongetwijfeld weer ad absurdum geschreven. Je leven keert vanuit je herinnering steeds weer op dezelfde manier terug. Je kunt ook nog verder denken: niet op dezelfde manier, maar wel op ongeveer dezelfde manier keren er een hele hoop dingen terug. Er is steeds weer honger, machtsstrijd, oorlog, in de wereld. Steeds weer komen dezelfde menselijke trekken naar voren die in de geschiedenis steeds weer dezelfde situaties opleveren. Dezelfde structurele situaties sturen mensen steeds weer naar dezelfde manier van handelen. Er is sprake van voortdurende herhaling, in de geschiedenis, in een mensenleven. Dat maakt dingen voorspelbaar, geeft een gevoel van zekerheid.

Alleen is zo'n eeuwige terugkeer daarom niet alleen maar beangstigend: ze geeft ook houvast, identiteit. Maar uiteraard ook verveling en saaiheid, de neiging om op een creatieve manier allerlei regelpatronen te gaan doorbreken. Constanten kunnen je ook moedeloos maken: als alles toch steeds terug komt, waarom zou ik me dan nog druk maken? Ze vormen echter ook een krachtproef: kijken of je desondanks niet in staat bent iets nieuws te bedenken.

15 augustus 1979

Nietzsche: een dreinend kind dat bang is in het donker. Terwijl het toch heel goed weet dat het zelf de gordijnen heeft dichtgetrokken. Terwijl het toch heel goed weet waar de lichtknop zich bevindt.

31 augustus 1979

Thema's:

6 september 1979

Een argument tegen de EWdG is dat je niet kunt aangeven op welk moment alles weer van voren af aan begint. Dat kan al morgen zijn. Maar wat is dan nog de zin van het praten over de komst van de Übermensch? Wat zich in zo'n simpele letterlijke interpretatie van de EWdG alleen zou kunnen herhalen is dat er elke keer weer opnieuw gepraat zal worden over de komst van de Übermensch, maar dat hij dus nooit zal komen. Mijn interpretatie van de EWdG heeft geen last van dit soort dingen.

15 september 1979

Leven is een centrale categorie bij Nietzsche. Als je intensief en psychisch gezond leeft, pak je zowel het lijden als de vreugde in al haar scherpte. Het gaat Nietzsche om leven, het leven in zijn volledigheid. Dat laatste woord duidt het prima aan: vol en ledig, het leven in al zijn volheid en in al zijn leegheid.

18 september 1979

De Wille zur Macht (WzM) mag dan de basis zijn voor het leven, maar dan voor al het leven. Het is bij Nietzsche niet zo dat die WzM automatisch leidt tot een wereld waarin de beste exemplaren het voor het zeggen hebben. Integendeel, de priesters en de massa handelen evenzeer op basis van de WzM en winnen door hun grote aantal.

Het leven zien als positief en negatief op elkaar inwerkende krachten (d.w.z. versterkend en verzwakkend), als strijd (dus niet per se als harmonie) waarin dingen verloren gaan en vernietigd worden maar er ook dingen geschapen worden.

WzM is eigenlijk per definitie waardenvrij: je zegt niet dat dit beter is dan dat, je zegt alleen: dit is het leven, dit is wil tot macht, nu voert dit de boventoon, morgen voert dat de boventoon, zo is de realiteit, niets is op zich goed of slecht, alles kan goed zijn en/of alles kan slecht zijn. WzM is een volkomen neutrale levensbevestiging: alles wat de WzM oplevert is goed, idealisme, afmeten aan waarden is uit den boze. Zo zou Nietzsches opvatting moeten zijn.

Maar dat neutrale is onmogelijk, omdat je zelf je voorkeuren hebt. Zo krijg je dat Nietzsche levensversterkende en levensvijandige tendenzen gaat aannemen en 'leven', 'natuur' en dergelijke met waarden gaat opvullen en als maatstaf gaat gebruiken. Nietzsche zelf blijkt dan ook zijn idealen te hebben: je kunt blijkbaar niet elke levensuiting, elke vorm van realiteit 'bejahen'.

3 oktober 1979

Nietzsche mag dan tegen het onderscheid 'ware wereld' - 'deze wereld' zijn, en daarom schelden op de christelijke moraal / religie en op de platoonse filosofie, in feite maakt hij zelf ook zo'n onderscheid. Alleen meent hij dan dat zijn toekomstige wereld noodzakelijk uit de bestaande volgt (zoals Marxisten dat doen) en daarom geen hersenschim is.

In feite veroordeelt Nietzsche echter het huidige leven en de huidige wereld net zo erg als de christelijke leer doet, en bepleit hij de komst van nieuwe waarden, nieuwe mensen, nieuwe filosofen, en zo voort, net als zo veel andere maatschappelijke groepen. Wat hij voor zichzelf 'realisme' noemt is in feite net zo goed een vorm van idealisme. Je kunt de christenen etc. niet aanvallen op dat ze een ideaal hebben. Idealisme als zodanig is niet uit den boze. Je kunt ze hooguit aanvallen op wat voor idealen ze hebben.

En daarin kan ik het met Nietzsche heel goed vinden: hun ideaal zal altijd de mensen omlaag halen omdat ze god en de kerk belangrijker vinden dan mensen, ze boven mensen stellen. Ik denk dat Nietzsche een betere mens hier op aarde bepleit. Dat is zijn ideaal. Al ben ik niet altijd tevreden met hoe hij dat mensbeeld invult. Waarom zou bijvoorbeeld 'voornaamheid' moeten beteken dat je voortdurend je emoties onder controle houdt? Waarom wordt een bepaald soort rationaliteit weer zo op de voorgrond gezet? Waar is Dionysos hier, waarom zie ik alleen Apollo? Ze lijken me wel vriendelijk, die voorname mensen, maar niet warm. Hun 'Pathos der Distanz' bevalt me niet.

29 oktober 1979

Het begrip 'tragisch' bij Nietzsche heeft erg mijn belangstelling. Dat was vanaf het begin al zo, omdat ik me - toen ik de jonge Nietzsche bestudeerde - aangesproken voelde door de begrippen 'apollinisch'- 'dionysisch'. Tragisch is min of meer gelijk aan het juiste evenwicht tussen het apollinische en het dionysische. Het is het aanvaarden van tegenstellingen, van onmacht en chaos, van de verschrikkelijke dingen van het leven naast de mooie dingen van dat leven. De tragiek van het menselijk bestaan. Zo vaak al uitgedrukt in de literatuur e.d., en waarschijnlijk ook in de filosofie.

Ik zou me een taak kunnen stellen: thuisraken in oudgriekse opvattingen over het tragische, en in de opvattingen van de Romantiek, Schopenhauer en Nietzsche erover. En eventueel in de opvattingen van Kierkegaard en de existentiefilosofie. Of die van moderne literatuur en toneel (Hesse, absurd theater). Veel meer literatuur kan ik vinden in Dietrich Mack's Ansichten zum Tragischen und zur Tragödie. Maar ik moet me uiteraard beperken. Ik vermoed dat een weergave van Nietzsches opvattingen over het tragische centraal moet staan. Dat zal al heel wat schrijfwerk opleveren, omdat dat begrip met heel Nietzsches filosofie verbonden is, al zijn er weinig interpretatoren die dat zo stellen. Het zal in ieder geval samen met de begrippen apollinisch - dionysisch behandeld moeten worden. Wat dan allerlei andere begrippen (romantiek, optimisme / pessimisme, nihilisme) overstijgt, omdat het tragische de tegenstelling optimisme / pessimisme achter zich laat en juist een overwinning op het nihilisme betekent.

Waarschijnlijk kan het niet blijven bij een weergave van alleen Nietzsches opvattingen (met eventuele verwijzingen naar de Grieken, de Romantiek, Schopenhauer). Dat tragische kent ook een aantal problematische kanten die Nietzsche niet noemt of uitwerkt. Het aanvaarden van een eeuwige cirkel van lief en leed is natuurlijk een fraaie gedachte, maar: wat aanvaard je daarmee?

Niet al het lijden is noodzakelijk en onoverkomelijk. Ziekte, dood gaan, afscheid moeten nemen, verdriet hebben, levensangst hebben: dat spreekt allemaal niet tegen het leven. Maar armoede, honger, mishandeling zijn niet inherent aan het menselijk bestaan, komen voort uit maatschappelijke wantoestanden. Je kunt lijden aan het bestaan aanvaarden, zonder dat je het lijden aanvaart dat maatschappelijk is. Als je hier geen onderscheid meer maakt, dan ben je als filosoof bezig een rechtvaardiging te geven van maatschappelijk lijden en daarmee van de status quo. Te snel verwijzen naar de 'tragiek van het bestaan' kan in maatschappelijk opzicht dus bijzonder reactionair zijn.

Aan dat gevaar lijdt Nietzsche zeer zeker. Wat hij over het socialisme en over vrouwen schrijft is dan ook pure nonsens. De beoordeling van welk lijden inherent is aan het menselijk bestaan en welk lijden in principe overkomelijk is, hangt af van een aantal criteria.

Wanneer iemand bijvoorbeeld meent dat agressie niet inherent aan het bestaan hoeft te zijn, dan doet hij dat op grond van een bepaald mensbeeld en meent op basis daarvan agressie te kunnen wijten aan maatschappelijke invloeden (Rousseau). Agressie is dan voor die persoon niet inherent aan het menselijk bestaan en daarmee iets wat in principe overwonnen kan worden. Het is vanuit dat perspectief dan heel realistisch om het ideaal van een agressieloze maatschappij te hebben.

Voor iemand die mensen minder positief inschat is een positief mensbeeld natuurlijk onzinnig en niet in overeenstemming met 'de feiten' die hij ziet. Het kan zijn dat hij agressie ook negatief inschat, maar tegelijkertijd niet gelooft in de mogelijkheid om die te vermijden, bijvoorbeeld omdat hij het leven als een machtsstrijd ziet (Nietzsche). Je kunt agressie overigens ook positief inschatten en daarmee de noodzaak van het bestaan ervan erkennen. Dus:

Wat ik wil zeggen is: wat je realistisch noemt en wat je onzinnig idealisme noemt, hangt af van wat je inherent vindt aan het menselijk bestaan dan wel aan de menselijke samenleving.

Het is nog maar de vraag of het Nietzsche lukt om het pessimisme-optimisme - dualisme te overstijgen. Hij zegt dan wel dat we met een vrolijke wetenschap en met een dansende en lachende Zarathoestra te maken hebben, maar die vrolijke kant van het geheel komt maar moeizaam uit de verf.

Wat wil je ook: Nietzsche wijst het streven naar geluk af, het lijkt er bijna op dat je van hem niet gelukkig mág zijn. En is het niet zo dat hij alles bij elkaar genomen meer lijdt aan de wereld dan dat hij er tevreden mee is? Inderdaad: hoe ver gaat Nietzsche's aanvaarding van de werkelijkheid eigenlijk? Hij barst van de cultuurkritiek, hij haat kleinburgerlijkheid, hij wil echte mensen. Maar waarom kan hij dan het menselijk tekort niet aanvaarden dat toch ook bij het bestaan hoort? Is Nietzsche zelf niet bovenmatig idealistisch? Blijft hij niet naar een betere wereld en een betere mens verlangen?

2 september 1980

Je kunt nog beter een voorkeur hebben voor vage termen als 'het leven' en 'de mens' dan praten in termen van 'het Zijn der zijnden' zoals Heidegger doet. Het eerste taalgebruik is voor de meeste mensen altijd nog begrijpelijker. Voor filosofie geldt hetzelfde als voor wetenschap: je verliezen in vaktaal betekent vervreemding van en voor iedereen.

Heidegger neemt Nietzsche te serieus. Bijvoorbeeld zijn mystificaties, zijn zwijgen over de Ewige Wiederkehr des Gleichen (EWdG) (cf. Podach over Heidegger). Dat blijkt ook uit uitspraken over de EWdG waarin Heidegger die neerzet als "Nietzsches metafysische Grundstellung im abendländischen Denken"". Alsof Nietzsche alleen maar metafysica aan het bedrijven was, alsof Nietzsche metafysica niet van alle kanten bestreed.

Bovendien is Nietzsche iemand die zich ook aanstelt, rare sprongen maakt, wil lachen en dansen, onzin uitkraamt. Heidegger's serieuze gezicht wil alleen uitspraken van Nietzsche nemen die binnen het ernstige denken passen. En hij neemt alleen maar dat wat in zijn kraam te pas komt en maakt er iets anders van. Het verschil tussen Heidegger en Nietzsche in temperament is te groot dan dat Heidegger Nietzsche zou kunnen begrijpen. De vraag is of je uit het geringe aantal uitspraken van Nietzsche over de EWdG juist niet moet concluderen dat het juist niet zijn grondstelling is. Eigenlijk is dat zelfs geen vraag meer.

Vier zaken die pleiten tegen Heidegger's Nietzsche-interpretatie (Nietzsche I en II):

De EWdG is een gevaarlijke opvatting als je de politieke implicaties ervan bekijkt. Cf. I, 312; en I,315 over Zarathoestra:"Die Überwindung des Bösen ist nicht dessen Beseitigung, sondern die Anerkennung seiner Notwendigkeit."). Dat geldt voor heel die tragische 'Bejahung' van hoe de dingen nu eenmaal zijn. Dat je zegt: 'Het lijden hoort er nu eenmaal bij.' Dat je niets meer doet om lijden op te heffen.

5 februari 1981

Hoofdstuk I [van mijn scriptie over Nietzsche] is echt een voorbeeld van mijn neiging om veel aandacht te schenken aan biografische achtergronden, de ontstaansgeschiedenis van een werk. Ik weet achteraf niet zo of al die tijd die je kunt besteden aan het doorwerken van biografieën, brief-edities, kronieken uiteindelijk de beste manier is om inzicht te krijgen in Nietzsches problemen of die van een andere filosoof.

Ik verlies nog te veel tijd met onbelangrijke zaken: ontstaansachtergronden blijven meestal vaag, tenzij je als een historicus enorm goed thuis bent in alle mogelijke schrijvers etc. van de tijd waarin de schrijver van je keuze leefde. Concreet: het vergt heel wat historische en literaire kennis om te begrijpen waarom Nietzsche nu net met die problemen bezig was die hij in al zijn notities bespreekt. Het is allemaal wel interessant, maar ook erg ongrijpbaar.

Mijn belangstelling is in de loop der jaren inhoudelijker geworden en daarnaast verschoven van ontstaansgeschiedenis naar werkingsgeschiedenis.

Laten we zeggen dat hoofdstuk I representatief is voor een hoop werk dat ik de laatste jaren verricht heb. Meer is het niet. Hoewel een en ander zo ver ik weet op geen enkele andere plaats zo bij elkaar staat en het goed is om het belang van Nietzsches gepubliceerde werken te benadrukken: Nietzsche is te veel op zijn nagelaten notities beoordeeld. Maar ook dat laatste is een punt waarover ik me nu niet meer zo druk zal maken: ik heb dat standpunt te vaak verdedigd en zal er achter blijven staan. Voor de vereerders van de nagelaten notities als Heidegger en Duintjer (Würzbach-editie voor zijn colloquium) kan ik alleen maar mijn schouders ophalen.

Nog een positief punt: ik heb laten zien dat ik dit soort werk ook kan verrichten. Veel - de meeste - mensen negeren het en maken daardoor fouten wanneer ze ontwikkelingen in Nietzsches denken willen neerzetten. Ik heb hier zelf geen ontwikkelingen van bepaalde thema's beschreven, maar toch laten zien dat je dit soort werk goed zou moeten doen. Misschien heb ik toch nog eens voordeel van mijn achtergrondkennis.

1 september 1982

Vertrekken vanuit een citaat uit Dostojewski's De Gebroeders Karamazow: 'Als God niet bestond, dan zou alles geoorloofd zijn.'

Nietsches kennismaking met Dostojewski rond 1887. Leuke onderzoeksvraag. Nietzsche las De Idioot en Aantekeningen uit het Ondergrondse, maar las hij ook De Gebroeders Karamazow? Het lijkt er op, hoewel Nietzsche veel las in tijdschriften (Journal des Débats, Journal des deux Mondes) waarin Russische romans uitvoerig werden besproken. Hij kan dat citaat en de term 'nihilisme' die daarmee samenhangt dus ook indirect hebben opgedaan.

Hoe het ook zij: dat citaat maakte indruk, je vindt hem redelijk vaak in Nietzsches nagelaten notities uit die periode. Ook de term 'nihilisme' raakt dan in gebruik. Dat alles komt voort uit dat het citaat zo goed aangeeft wat Nietzsche volgens mij in het diepst van zijn wezen bezighoudt.

Hoe moeten we dat citaat interpreteren? Of anders wel een uitspraak van Nietzsche zelf in zijn boek Zarathoestra: 'God is dood'. Niet alleen dat getwijfeld moet worden aan het bestaan van de god van het Christendom. Maar vooral breder: aan het bestaan van absolute waarden en normen. Voor Nietzsche belichaamt de god van de christenen de mentale instelling van in ieder geval de westerse wereld, die gelooft in het bestaan van een absolute waarheid, van absolute waarden en normen voor wat goed en slecht is, en zo verder. Het is die wil tot waarheid, tot zekerheid, die Nietzsche voortdurend bestrijdt.

Het lijkt er dus op dat Nietzsche op een bepaald punt overeenstemming betuigt met het in die tijd opkomende nihilisme. De term lijkt ouder dan veel mensen denken. Normaalgesproken denkt men dat de term voor het eerst opduikt rond 1800 in een gedachtenwisseling tussen Jacobi en Fichte. Maar toevallig ontdekte ik dat Augustinus al spreekt van mensen die niets geloven en evenmin een bepaalde leer voorstaan. Dat is dan ook de indruk die de meeste mensen van het nihilisme hebben: ze breken af, zijn destructief, schoppen tegen heilige huisjes. In die zin was Nietzsche zeker ook een nihilist: hij bekritiseert het Christendom en de christelijke moraal, hij bekritiseert elke zichzelf absoluut nemende moraal, hij bekritiseert de filosofie en de wetenschap van zijn tijd omdat ze nog uitgaan van het bestaan van een absolute waarheid, hij bekritiseert allerlei staatsopvattingen. Niets blijft gespaard, zijn hamer ontdekt overal holle plekken ...

Maar Nietzsche blijft niet in het nihilisme hangen. Hij verwijt de nihilisten van zijn tijd juist dat ze hun zekerheid zoeken in hun negatieve kritiek. Voor Nietzsche is het nihilisme een fase, die fase namelijk waarin de hoogste waarden hun waarde verliezen ('entwerten'). Dat is een noodzakelijke fase, maar slechts een fase. Het nihilisme moet overwonnen worden. Het gaat niet alleen om een 'Entwertung', maar ook om een 'Umwertung': er moeten nieuwe gecreëerd worden.

Daarmee komen we bij de tweede zin van Nietzsche's citaat: 'Alles is geoorloofd'. Menselijke vrijheid, je eigen leven maken, perspectivisme (invloed op de existentiefilosofie). Absoluutheid verkleint de mens, vandaar zijn ideeën over de 'Übermensch'. Het leven wordt onzeker (nadruk op 'worden', op verandering), is tragisch (anders op te vatten dan men tegenwoordig doet). Daarom een zekere aanvaarding, een ja-zeggen (Amor Fati).

Bovendien ontstaat er een andere visie op het leven. Alles is wil tot macht. En zeker ook in een wereld waarbinnen geen zekerheid bestaat. Alles is invloed uitoefenen, streven, en dergelijke. Kritiek van daaruit op het medelijden gezien vanuit christelijk perspectief. Macht is onder invloed van Nietzsche zeker een thema geworden in de moderne Franse filosofie.

Start  ||   Glossen  ||   Weblog  ||   Boeken  ||   Onderzoek